| Trachycarpus fortunei
Een palm voor een
koel klimaat |
|
![]() |
De soort Trachycarpus fortunei behoort tot de palmen met waaiervormige bladeren. Deze kunnen een doorsnede van bijna een meter bereiken, maar zijn meestal wat kleiner. De stammen van jongere exemplaren zijn geheel bedekt met een dikke laag jute-achtige vezels. Bij oudere palmen, die wel tien meter hoog kunnen worden, zijn de stammen onderaan meestal kaal. Zaailingen groeien de eerste jaren nogal traag, maar wanneer zich eenmaal een stammetje gevormd heeft kan de hoogte in vijf tot tien jaar met een meter toenemen. Pas bij een hoogte van een à twee meter verschijnen in het voorjaar de mooie oranje-gele bloeiwijzen. Gezien de tweehuizigheid van Trachycarpus komen er palmen met uitsluitend mannelijke, èn met uitsluitend vrouwelijke bloemen voor. De vrouwelijke bloemen worden na bestuiving in de loop van de zomer gevolgd door trossen niervormige zaden. Bij rijping verkleuren deze naar blauw-zwart. Nog steeds wordt de oude naam 'Chamaerops excelsa' hardnekkig door een aantal kwekerijen gebruikt, maar van een echte verwantschap met dit geslacht is geen sprake. De zeldzame variëteit 'Wagnerianus' onderscheidt zich van de soort door stugge rechtopstaande diepgroene bladeren welke maar 30 tot 40 cm lang zijn. De groei van gaat wat trager, maar de vorsttolerantie is gelijk.
|
| Verspreiding Het oorspronkelijke verspreidingsgebied ligt in de beboste gebieden van Centraal-China en Noord-India. Trachycarpus kan men daar tot boven 2000 meter aantreffen. In het midden van de vorige eeuw nam Robert Fortune op een van zijn reizen naar de oostkust van China wat zaden mee. Hij zaaide ze bij Montpellier in Zuid-Frankrijk, waar de jonge planten zich thuis bleken te voelen en zich snel ontwikkelden. Hiervandaan hebben de 'Trachy's' hun weg gevonden naar de koelere gebieden van West-Europa en de rest van de wereld. Op plekken waar de winters binnen de perken blijven treft men ze tegenwoordig als vanzelfsprekende beplanting aan. Vooral langs de Atlantische kust tot aan Normandië, en van Zuid-Engeland tot aan West-Schotland. Maar ook bij een aantal beschut liggende Zwitsere meren voelt Trachycarpus fortunei zich goed thuis. Op beschutte standplaatsen kan men deze palm nog veel noordelijker aantreffen. In onze streken moeten we echter elk jaar voorbereid zijn op die ene zeldzame, tè strenge winter, en maatregelen treffen. Bescherming in de
winter |
|
![]() |
Eén regel dient men bij het aanbrengen van een winterbescherming voor ogen te houden; luchtigheid. Daarom is plastic niet geschikt en kan men beter stromatten of doeken gebruiken. De taaie bladeren kunnen zonder deze te beschadigen in een punt naar boven gebonden worden. Hierdoor wordt meteen het meest kwetsbare deel - het groeipunt - tegen regen beschermd. Bovendien laat een zuilvorm zich beter inpakken. |
| Dergelijke voorzorgsmaatregelen
zijn voldoende om een winter van het kaliber 95/96 te overleven. Maximaal
beschermd zijn de palmen wanneer men om de stam en de bladeren een flinke
laag stro of riet bindt en hieromheen een mat bevestigt.
Tussen de openingen van de bij elkaar gebonden bladstelen kan luchtig wat stro gestoken worden. Belangrijk is dat de jongste nog samengevouwen bladeren goed beschermd worden en droog blijven. Wanneer dit groeipunt door bevriezend water beschadigd wordt en door gebrek aan ventilatie door schimmel wordt aangetast, kan de palm volledig afsterven. Zolang dit groeipunt echter nog intact is, weet de palm zich, ook bij volledig bladverlies, geheel te herstellen. Kortom, met wat extra aandacht in de winter is Trachycarpus fortunei een bijzondere aanwinst in onze tuinen. |
|