Publicaties
Sinds 1990 schrijf ik regelmatig over bamboe. Deze artikelen zijn en worden in binnen en buitenland uitgegeven. Hier vindt u een samenvatting. Deze pagina is bedoeld voor iedereen die meer over bamboe wil weten. U kunt ook gericht naar het onderwerp van uw keuze zoeken. Veel leesplezier.
Niets uit deze publicaties mag zonder mijn toestemming worden overgenomen.
Jos van der Palen
|
 |
| Publicaties over bamboe door
Jos van der Palen |
Groei en gedaanteverandering van bamboe in de seizoenen nieuw
Metamorfose van bamboes in herfst en winter. nieuw
Selectieve snoei
Bamboes met dikke halmen
Siergrassen
Bamboe als ondergroei en bodembedekker Bamboe
Fargesia robusta
Fargesia scabrida
Bamboe als haag of afscheiding. (Niet woekerende)
Bamboe in het openbaar groen
Begeleidingsplanten in tuinen met bamboe. |
Fargesia 'Rufa'
Fargesia utilis
Fargesia sp. Jiuzhaigouou 1
Drie Borinda's en een Fargesia
Nieuwe introducties, nieuwe mogelijkheden.
Bamboe
Fargesia nitida Bloeit !!!!
Fargesia denudata
Bamboe als haag of afscheiding (Hogere soorten)
Het kiezen van bamboe voor de tuin
Bamboe & Architectuur |
|
Publications about bamboo by Jos van der Palen |
New Garden Bamboos
New Introductions
First introductions by Jos van der Palen. |
Fargesia 'Rufa'
Fargesia robusta
Fargesia nitida flowers! |
| Fachartikel über Bambus von Jos van der Palen |
Neue Bambusse für den Garten
Das Zurückschneiden / Auslichten von Bambus
Bambusse mit dicken Halmen
Fargesia sp. Jiuzhaigou
Fargesia nitida - Bambusblüte
Fargesia scabrida
Neue Einführungen, neue Möglichkeiten
Ersteinführungen durch Jos van der Palen
Hohe Bambusse für hohe Hecken
Bambus im öffentlichen Grün
Bambus mit Janus-Kopf
Begleitpflanzen im Bambusgarten |
Fargesia robusta
Fargesia 'Rufa'
Bambusse als Bodendecker
Fargesia utilis: üppig, aber unordentlich
Neue Klone von Fargesia denudata
Ziergräser
Nicht wuchernde Bambusse für Hecken.
Bambus im Sommer
Die schwierige Wahl des richtigen Bambus
Wilsons Klon der Fargesia murieliae
Bambus in der Stadtgestaltung
Metamorphose von Bambussen im Herbst und Winter neu
Metamorphose von Bambussen im Frühjahr und Sommer neu
|
 |
Groei en gedaanteverandering van bamboe in de seizoenen.
Veranderingen in de seizoenen: Het voorjaar en de zomer.
In de loop van een jaar gebeurt er veel met de bamboes in onze tuinen. Een aantal opmerkelijke gedaanteveranderingen zijn voor een leek soms moeilijk te begrijpen en kunnen daarom vragen oproepen.
In deze bijdrage volgen we aan de hand van voorbeelden de meest in het oog springende metamorfoses die in het voorjaar en de zomer plaatsvinden. Centraal staan de belangrijkste vertegenwoordigers van de in pollen groeiende Fargesia en van het hogere woekerende geslacht Phyllostachys. Verder verwijzen we regelmatig naar minder belangrijke families zoals Indocalamus, Pseudosasa, Pleioblastus, Sasa, Sasaella, Semiarundinaria en Shibataea. |
 |
Fargesia’s
Februari - Maart: Bladrollende Fargesia’s .
Het is begin maart. De zon schijnt, de lucht is droog en nog koud maar de vorst is al weken uit de lucht en de grond. We lopen na een lange maar niet extreem koude winter met minima tot –16 °C door een fictieve tuin met veel bamboes. Een 2,5 meter hoge haag van Fargesia sp. Jiuzhaigou 1 ziet er, ondanks de dooi, toch opvallend transparant uit. In deze vroege lentemaanden rollen de bladrollende Fargesia’s met zonnig, droog en koud weer hun dunne bladeren altijd op. Een dag eerder, met regen, was het blad nog helemaal uitgerold en dat kleurde de haag meteen met een frisgroen waas. Vooral door directe opname van regen of natte sneeuw nemen de bladeren tijdelijk hun oorspronkelijke vorm weer aan. Pas als de winter voorbij is en de bodemtemperatuur weer boven een bepaalde waarde komt kan de plant zelf weer water opnemen via de wortels en ontrolt het blad zich weer. Meestal is het patroon van oprollen in deze tijd van het jaar nog sterker dan bij vorst in de wintermaanden en herhaalt dit op- en uitrollen van het blad zich regelmatig. Het doel hiervan is het verdampingoppervlak van het blad te verkleinen tegen uitdroging in de winter. De soorten en vormen van Fargesia sp. Jiuzhaigou en Fargesia nitida hebben in deze maanden een sterke bladrol. Fargesia denudata en Fargesia murieliae rollen hun blad minder sterk op en zien er daardoor groener uit. |
Niet bladrollende Fargesia’s
Het blad van een ruim 3 meter hoge haag van Fargesia robusta ‘Campbell’ heeft zich deze hele winter nauwelijks geroerd en bezit dit mechanisme van oprollen niet. Ook nu, op deze koude, droge dag in begin maart, staat deze bamboe er daardoor nog steeds weelderig groen bij. Ook de soorten Fargesia sp. Scabrida en Fargesia ‘Rufa’ zien er na zo’n winter groener uit dan de bladrollers en lijken meer winterhard. Maar deze schijn bedriegt.
Na een zachte winter wordt er regelmatig getwijfeld aan de winterhardheid van de bladrollers. Maar vooral na de strenge winter van 2008/2009 en op sommige plaatsen ook de winter van 2009/2010 waar het op veel plaatsen 20 graden of meer vroor, lagen de verhoudingen anders. De bladrollende types deden wat ze moesten doen, zich beschermen door het blad op te rollen, en op die manier komen ze bijna altijd zonder schade door strenge winters. Het waren vooral de Fargesia’s zonder de bladrollende reflex die het meest van de extremen van deze winters te lijden hadden. Op veel plaatsen was er alleen bladschade en dat herstelt zich in het groeiseizoen snel, maar op open locaties in combinatie met strenge vorst zijn er ook bamboes uit deze groep die vanuit de wortels opnieuw moesten beginnen. |
 |
April en mei: Bladvorming, halmverkleuring en groei.
Bij de bladrollende types wordt het winterblad in de loop van april en mei in snel tempo door fris nieuw loof vervangen. Ook de eenjarige nog kale halmen van Fargesia nitida en Fargesia sp Jiuzhaigou krijgen nieuwe zijtakken en blad. Het grootste deel van het winterblad wordt afgestoten en eind mei is het loof van deze bamboe weer helemaal fris, weelderig en vernieuwd. Het is ook de tijd dat de kleur van de aan de zon blootgestelde halmen zich versterkt. Roodachtig wordt nog roder en een purperen waas kan bijna zwart worden. De halmen van een aantal nieuwe selecties van de nieuwe generatie Fargesia nitida en enkele variëteiten van de verwante, recent ingevoerde Fargesia demissa kunnen in deze tijd van het jaar zelfs naar diepzwart verkleuren. Deze rood- of zwartverkleuring begon soms al in de afgelopen herfst maar bereikt zijn hoogste intensiteit in deze maanden en neemt daarna weer af.
Bij de niet-rollende types Fargesia robusta en Fargesia ‘Rufa’ is er nauwelijks sprake van halmverkleuring, maar bij Fargesia robusta ‘Campbell’ worden de nieuwe halmen opgevrolijkt door helder witte schutbladeren. Bij Fargesia sp. scabrida verkleurt de halm in de zon naar een violet paars en het schutblad naar een oranjeachtig bruin. Bij deze drie soorten komen de nieuwe scheuten al begin april in grote aantallen boven de grond en groeien gestaag door. |
Juni en juli: De groei (zie ook GP 12-2009)
De bladrollende soorten, die nu alleen nog rollen bij een lage luchtvochtigheid en felle zon, staan nu volop in blad en de takken gaan door het gewicht wat uithangen. Pas in deze maanden komt de vorming van nieuwe scheuten echt op gang en die zijn door hun fris groene kleur gemakkelijk te onderscheiden .
Bij Fargesia robusta, Fargesia ‘Rufa’ en Fargesia sp. scabrida zorgen in deze periode de nieuwe scheuten die ondertussen tot halmen zijn uitgegroeid voor een opmerkelijke toename van de plant. Een jonge Fargesia robusta ‘Campbell’ die in maart nog 2 meter hoog en 60 cm breed was kan door de nieuwe aanwas in korte tijd 2,5 meter hoog zijn en een diameter van 80 cm of meer hebben. In 2 tot 3 maanden staat er een ander formaat plant. |
 |
Bloei van Fargesia
De meest dramatische metamorfose bij het geslacht Fargesia speelt zich af tijdens de bloei en dit staat los van de seizoenen. Elke soort heeft zijn eigen vaste bloeicyclus en die ligt tussen 40 en 120 jaar. Na 120 jaar groei is Fargesia nitida de afgelopen jaren overal massaal gaan bloeien en hebben we dit verschijnsel weer goed kunnen observeren. In plaats van nieuw blad ontwikkelt de plant grasachtige aartjes en in de loop van de zomer zaden. Deze zaden zorgen voor een nieuwe 120-jarige groeicyclus maar de moederplant sterft hierna binnen een of twee jaar af. |
Phyllostachys en andere woekerende soorten
Februari - Maart: Wintergroen
Op deze zonnige, droge dag in maart vervolgen we onze tocht door onze denkbeeldige tuin. De meeste soorten Phyllostachys hebben de –16 °C van deze lange doorsnee winter goed doorstaan. Wel is er op open plekken wat bladschade ontstaan. De 6 meter hoge Phyllostachys bissetii onttrekt met diepgroen blad nog steeds effectief de buren aan het zicht en de dicht op elkaar staande gele halmen van Pyllostachys aureosulcata ‘Aureocaulis’ verhinderen de directe inkijk van voorbijgangers. Alleen Phyllostachys aurea heeft nogal wat ingedroogd blad en ziet er wat gehavend uit. Deze soort zit bij deze temperaturen al aan zijn grens. Bij de Phyllostachys-groep is het licht opzwellen van de bladknoppen tot nu toe het enige dat er te zien is maar dat is de stilte voor de storm.
|
 |
| Na winters zoals die van 2008-2009 en (plaatselijk) 2009-2010 zijn de verschillen in winterschade binnen deze groep bamboes groot. Op open groeiplaatsen met meer dan 20 graden vorst zijn soorten zoals Phyllostachys aurea, Phyllostachys bambusoides en Pseudosasa japonica tot de grond teruggevroren en zelfs bij de sterke Phyllostachys bissetii en Phyllostachys aureosulcata kan het blad behoorlijk ingedroogd zijn. Wanneer de bladknoppen niet bevroren zijn krijgen de halmen weer nieuw blad, ook als deze door lichte bevriezing ronde, donkere vlekken gekregen hebben. Is de bamboe bovengronds helemaal afgevroren dan komt het herstelt met talrijke kleinere nieuwe scheuten. Semiarudinaria fastuosa en Semiarundinaria viridis hebben bij – 20 °C ongeveer hun grens bereikt. Op windbeschutte plaatsen zijn Indocalamus tesselatus en Sasa kurilensis goed wintergroen gebleven. |
April - mei: Begin van de groei, kronkels
(zie ook GP 12-2009 ) Op het eerste gezicht gebeurt er in deze maanden nog weinig met Phyllostachys maar eind mei, afhankelijk van het weer en de soort, begint er beweging in te komen. De bladknoppen zwellen nog verder op en de eerste nieuwe scheuten komen boven de grond. Tussen de soorten kan er een groot tijdsverschil zitten tussen het boven de grond komen van de eerste spruiten, soms wel 6 tot 8 weken. Phyllostachys aureosulcata begint vaak al in mei en Phyllostachys parvifolia soms pas in de loop van juni. Maar elke soort apart maakt binnen 2 tot 3 weken 80 % van alle nieuwe, dikkere en rechtere halmen aan die er in dat seizoen bijkomen. Aan de hand van deze jonge scheuten kan men goed vaststellen om welke soort het gaat. Bij Phyllostachys nigra zijn deze scheuten in het begin purper en wat rafelig. Bij Phyllostachys vivax “Aureocaulis” komen ze spits, donker en wat gevlekt boven de grond maar groeien uit naar forse spruiten die al snel de dikte hebben die ze als halm later houden. Phyllostachys aureosulcata en de variëteiten ‘Aureocaulis’ en ‘Spectabilis’ krijgen kleurige, fijngestreepte bleke scheuten waarvan in het begin van de groei een aantal plots een scherpe knik kan maken. Een dag later wijst de punt van deze scheut de andere kant op en nog een dag later vervolgt de nieuwe halm zijn verticale groei. In dat deel van de halm blijft zo een voor deze soort karakteristieke kronkelende bocht achter. Ook andere bamboesoorten zoals Indocalamus, Pleioblastus, Sasa, en Sasaella krijgen nieuwe scheuten die weer net iets boven de plant uitsteken.
Bij Semiarundinaria en Pseudosasa is er niet echt sprake van een afgesloten groeicyclus en kan de scheutenproductie van april tot oktober doorgaan. |
 |
 |
Juni - juli: Bladvorming, scheutengroei, halmverkleuring, uitbreiding en zomerrui.
In deze maanden zijn de Phyllostachyssen de grote performers en manifesteert de voor deze bamboe zo wonderlijke groei zich het meest. De nieuwe halmen groeien soms wel 30 tot 60 cm per dag en komen al op lengte. Na het afvallen van het schutblad is het vrijgekomen halmsegment volgroeid in lengte en dikte. Hoger op de halm beginnen de nieuwe zijtakken te groeien en al snel vormen zich eerste blaadjes. Bij Phyllostachys aureosulcata 'Aureocaulis' zijn de nieuwe halmen zwavelgeel en bij de variëteit 'Spectabilis' zijn de gele halmen groen gestreept. In deze periode kan de gele halmkleur van deze Phyllostachys aureosulcata variëteiten onder invloed van de zon tijdelijk een rode blos krijgen. Het geel van de nieuwe halmen bij Phyllostachys vivax “Aureocaulis” heeft deze roodverkleuring nauwelijks. Bij deze variëteit kunnen er als mutatie tussen de gele halmen soms groene halmen met een gele afgeplatte kant gevormd worden. Meestal blijft de gele kleur overheersen maar af en toe neemt het aantal groene halmen toe en ontstaat er een interessante mix van de twee kleuren. De nieuwe halmen van Phyllostachys nigra zijn in deze periode nog groen, pas in de nazomer beginnen deze langzaam wat te verkleuren, maar écht zwart worden ze pas in het volgende jaar.
|
 |
Alle woekerende soorten hebben in het vorige najaar vanuit de moederplant soms ongezien meterslange uitlopers kunnen maken. Een Phyllostachys humilis zonder begrenzing die bovengronds tot op heden nog een doorsnee van 1 meter leek te hebben laat nu zien hoever deze ondergrondse uitlopers zijn gekomen. Op deze uitlopers groeien in deze periode de nieuwe scheuten en die beslaan soms een oppervlakte die wel 3 tot 4 keer zo groot is als de oorspronkelijke groeiplaats. Voor een beginner kan nu de paniek toeslaan, maar diegenen die zich over bamboe hebben laten informeren weten dat deze soorten op hun plaats gehouden kunnen worden met een deugdelijke wortelbegrenzer.
|
| Wanneer de halmen nog volop aan het groeien zijn doet zich bij Phyllostachys regelmatig een merkwaardig fenomeen voor. Sommige scheuten houden op met groeien en verwelken. In bepaalde jaren komt dit verschijnsel veel voor en in andere jaren groeien bijna alle spruiten gewoon door. Waarschijnlijk is er in het voorafgaande jaar te weinig energie in de wortels verzameld om alle halmen uit te laten groeien. Soms ook heeft de plant tijdens de groei te weinig water. |
 |
In juni is de ontwikkeling van het nieuwe blad aan de oudere halmen in volle gang en een deel van het oude blad wordt afgestoten. Enkele weken lang is er sprake van een zomerrui en dat zorgt voor nogal wat afgevallen blad. De nieuwe scheuten komen in juli al boven de plant uit, beginnen zich te vertakken en krijgen hun eerste blaadjes.
De soorten Indocalamus, Pleioblastus, Sasa en Sasaella krijgen nu ook volop nieuw blad. Alleen Shibataea maakt nu pas nieuwe scheuten en kan daardoor pas in augustus het oude winterblad vervangen. |
Bloei van woekerende bamboes
Soms kan de bloei van woekerende bamboes (met een cyclus van 30 tot 60 jaar) er even dramatisch uitzien als bij het geslacht Fargesia en ook dan ontwikkelen er zich geen nieuw bladeren, maar grasachtige bloeiaartjes. Alleen sterft de moederplant hierna niet altijd af.
Vaak zijn het slechts afzonderlijke takken of halmen die bloeien. Met deze sporadische bloei laten vooral Phyllostachys aureosulcata en zijn variëteiten hun eigenaren nogal eens schrikken, maar de laatste 20 jaar heeft dit niet geleid tot een algehele bloei.
In een volgend artikel volgen we onze bamboes verder door de herfst en winter en leren we meer over de aanpassingen van dit van oorsprong tropische gewas aan een klimaat zoals het onze.
Jos van der Palen  |

|
|
 |
Metamorfose van bamboes in herfst en winter.
In het najaar bereiden winterharde bamboes zich op verschillende manieren voor op de winter. De veranderingen die we in de herfst en de winter kunnen waarnemen zijn weliswaar subtieler dan de enorme groeispurt in de zomer (zie GP 04 – 2010) maar ze zijn zeker zo boeiend.
De verschillende bamboegeslachten, hier vertegenwoordigd door de niet- woekerende soorten van Fargesia, en de woekerende bamboes zoals Phyllostachys, Pleioblastus, Pseudosasa en Sasa hebben ieder hun eigen strategieën om strenge vorst te kunnen doorstaan. Door goed naar deze planten te kijken en ze door de seizoenen heen te volgen kan men meer leren over de boeiende wereld van bamboes. |
Fargesia’s
Bladrollende Fargesia’s (augustus tot maart)
Augustus, september en soms nog oktober zijn voor Fargesia’s groeimaanden van betekenis. Bij de soorten Fargesia murieliae en Fargesia denudata vertakken de nieuwe scheuten zich nog in dezelfde nazomer en krijgen blad. Bij Fargesia demissa, de nieuwe generatie van Fargesia nitida (zie GP 07 - 2010 ) en Fargesia sp. Jiuzhaigou krijgen alleen de vroegst gevormde halmen nog wat blad maar de nazomerscheuten blijven, op een of enkele bladeren aan de top na, onvertakt en kaal. Deze nieuwe halmen die ijl boven de bamboestuik uitsteken, bepalen het gemakkelijk herkenbare winterssilhouet van deze soorten. Door onervaren hoveniers worden deze onvertakte halmen regelmatig voor dood aangezien en ten onrechte weggesnoeid, maar ze zijn in dit groeistadium in staat strenge vorst te verdragen. En in het volgende voorjaar zijn dit de halmen die de nieuwe planthoogte bepalen en waar zijtakken met fris nieuw blad uit groeien. |
Tussen eind oktober en eind november wordt bij de bladrollende typen (zie GP 04 – 2010) een- tot tweederde deel van het blad geel en valt meestal binnen twee weken af. De reden van het bladrollen en de bladval is het beperken van het bladoppervlak om overbodig vochtverlies in de winter te voorkomen. De precieze tijd van de bladval is afhankelijk van de groeiplaats, de soort en de herfsttemperaturen. In de omgeving van München is dat eind oktober/ begin november voor Fargesia murieliae. Fargesia nitida en Fargesia sp. Jiuzhaigou volgen na ongeveer vier weken. In het westen van Duitsland kan dat 1 of 2 weken later zijn. Bij sommige soorten en variëteiten verkleuren de bladeren voor ze afvallen, naar intens geel en zorgen hierdoor voor een kleurspektakel. Vooral Fargesia demissa “Bernhard” is hierin een ster, deze nieuwe variëteit kleurt als een van de eerste- en dat is vaak al begin november, naar helder geel. Na de bladval ogen deze bamboes wat transparanter en door het gewichtsverlies richten de halmen zich wat op. Hoe veel blad ze dan nog over hebben hangt af van verschillende factoren.
Op de natuurlijke groeiplaats van Fargesia demissa, Fargesia nitida en Fargesia sp. Jiuzhaigou is de lucht in de winter veel droger dan op de plaatsen waar Fargesia murieliae en Fargesia denudata voorkomen. Het mechanisme om door bladafstoting en blad oprollen vochtverlies tegen te gaan is bij de eerste groep veel noodzakelijker en dus sterker ontwikkeld dan bij de tweede groep. Het is opvallend dat deze Fargesia’s op zonnige open standplaatsen veel meer blad afstoten dan planten in diepe schaduw. In de regel zien de variëteiten van Fargesia demissa, Fargesia nitida en Fargesia sp. Jiuzhaigou er in de loop van een strenge winter transparant groen uit terwijl Fargesia murieliae en Fargesia denudata nog vol groen ogen. |

Fargesia sp. Jiuzhaigou 1 (bladafstoot in de herfst) |
Niet- bladrollende Fargesia’s (Augustus tot maart)
In augustus zijn de nieuwe halmen van Fargesia robusta ‘Campbell’ , Fargesia ‘Rufa’ en Fargesia sp. Scabrida al helemaal vertakt en bebladerd. Bij Fargesia robusta ‘Campbell’ zijn de opvallende witte schutbladeren afgevallen. Deze soort kan bij warm nazomerweer voor een tweede keer deze typische nieuwe scheuten met witte schutbladeren maken, niet zo uitbundig als in het voorjaar maar genoeg om op te vallen. Veel van deze najaarsscheuten komen niet goed aan vertakken toe en dat maakt ze iets kwetsbaarder in strengere winters. Bij dit type bamboe wordt de bladval over een langere periode gespreid zonder echte pieken, maar ze gaan wel dicht bebladerd de winter in en houden ook in een doorsnee winter de nieuwsgierige blikken van de buren efficiënt tegen. |
Phyllostachys en verwante soorten.
Augustus tot maart.
Tot half oktober zijn de Phyllostachys-soorten nog volop in de groei. De spectaculaire lengtegroei van de zomerscheuten is allang voltooid en die krijgen steeds meer blad en harden langzaam af. Phyllostachys atrovaginata en Phyllostachys parvifolia vormen pas in juni scheuten en in koelere zomers zijn ze in het nadeel omdat het groeiseizoen dan korter is. Toch zijn ook de jongere, nog maar weinig vertakte halmen van deze twee soorten al redelijk vorstbestendig.
In augustus en september worden in de wortelstokken (de rhizomen) reserves opgebouwd om in het voorjaar opnieuw scheuten te laten groeien en juist in deze maanden kunnen de ondergrondse uitlopers lange afstanden afleggen. Vooral bij jongere planten komen de punten van deze wortelstokken regelmatig met een schuine bocht naar boven en willen nog een dunnere halm gaan vormen.
Bij jongere planten kunnen deze scheuten een kleine bijdrage leveren aan de groei van de plant als geheel maar ze mogen om esthetische motieven ook worden weggesnoeid. Vrij onopvallend maken de Phyllostachys-soorten de overgang naar de winter en zelf stevige vorst ondergaan ze zonder waarneembare veranderingen. |
 |
De soorten Indocalamus, Pleioblastus,Pseudosasa, Sasa en Sasaella, Shibataea
Bij de lagere bodembedekkende Pleioblastus-soorten zoals Pleioblastus fortunei en Pleioblastus pygmaeus 'Distichus' lijkt er nauwelijks sprake van wintervoorbereiding. Deze soorten kunnen al bij -12° C invriezen. Dit type gedraagt zich als een winterharde vaste plant en is er eigenlijk al op voorbereid het bovengrondse deel te verliezen. In de rhizomen is genoeg voedsel opgeslagen om de plant in het volgende jaar weer volledig te laten herstellen. Een aantal andere vormen van Pleioblastus pygmaeus blijven wel wintergroen. Ook Indocalamus tesselatus, Pseudosasa japonica, Sasaella masamuneana 'Albostriata' en Sasa kurilensis behouden hun loof in de meeste winters maar herstellen zich ook goed na het verlies van de bladeren. Bij Sasa veitchii droogt in de loop van oktober de bladrand in en verkleint zo het verdampingsoppervlak. Dit zorgt in de donker wordende herfstdagen voor een oplichtend contrast. |
Bladverliezende soorten
Een nieuwe, nog weinig bekende categorie bamboes doet langzaam zijn intrede in onze tuinen. Het zijn subtropisch uitziende bamboes met zachte bladeren en blauwachtige jonge halmen. De Engelse bioloog Chris Stapleton zag deze soorten genoeg van “Fargesia” afwijken om er het nieuw geslacht “Borinda” vante maken. Andere deskundigen houden deze groep bamboes toch binnen het geslacht Fargesia. De meeste van deze soortendie we tot nu toe kenden zijn niet winterhard maar een aantal nieuwe introducties hebben in de twee strenge winters van 2008/2009 en 2009/2010 wat betreft winterhardheid de verwachtingen overtroffen. Deze zijn door de Engelse verzamelaar Keith Rushforth verzameld in hoog gelegen winterdroge gebieden van Tibet. De vindplaatsen zijn goed gedocumenteerd. Omdat de soortnamen tot dusver niet zeker zijn, worden ze voorlopig aangeduid met zijn initialen ‘KR’ en een nummer.
In mijn tuin heeft KR 6438 zonder moeitemaar ook zonder blad – 19° C overleefd. In het voorjaar zijn de 3 meter hoge jonge halmen weer snel helemaal groen geworden. In Zuid Duitsland kwam de bamboe met het nummer KR 5913 na – 20° C bladloos de winter door en ook deze plant heeft zich in de lente weer snel bebladerd. KR 6791 werd in Tibet ruim boven 3000 meter hoogte verzameld van een 13 meter hoge plant en ook deze bamboe heeft de 2009/2010 winter met – 15° C goed overleefd. Deze soorten zijn in matige winters redelijk wintergroen en alleen in strengere winters verliezen ze hun blad. Fargesia frigida (syn: Borinda frigidorum) is vergelijkbaar winterhard maar verliest elke winter al zijn blad. |
 |
Het bamboeblad
Over een bijzonder fenomeen vinden we in de vakliteratuur niets terug en dat is de doorlopende of de stoppende bladgroei bij bamboe. Een specifieke eigenschap van tropische bamboes is de doorlopende bladgroei, wat wil zeggen dat er vanuit een groeipunt voortdurend een nieuw eindblad wordt gevormd. Fargesia en ook Yushania heeft hetzelfde groeipatroon van de bladeren, wat op een verwantschap in directe lijn met tropische bamboes lijkt te wijzen. Bij deze geslachten wordt er ook na de winterrust vanuit hetzelfde groeipunt steeds weer een nieuw blad gevormd, zodat een takje uiteindelijk wel 15 tot 25 bladeren kan hebben gedragen. ( Er vallen ook steeds weer bladeren af.)
Phyllostachys, Indocalamus, Pleioblastus,Pseudosasa, Sasa, Sasaella en Shibataea hebben een onderbroken bladgroei. In het naseizoen wordt er, wanneer het groeiseizoen warm genoeg is geweest om uit te rijpen, een definitief eindblad gevormd en de groei wordt op dat punt afgesloten. In het volgende groeiseizoen ontstaan er alleen uit de zijknoppen die wat lager op het takje liggen nieuwe bladeren. |
Tesselatie.
Hiervoor hebben we een vergrootglas nodig. Dan kunnen we zien dat de bladnerven van de meeste tropische bamboes parallel naast elkaar lopen. Bij alle min of meer winterharde soorten zijn er tussen deze nerven dwarsverbindingen waarneembaar. De meest winterharde soorten hebben zo’n duidelijk ontwikkelde ‘tesselatie’. We kennen geen enkele soort zonder tesselatie die winterhard is. Een fijn verdeeld en goed ontwikkeld netwerk duidt altijd op betere wintergroene eigenschappen van het blad. Door deze dwarsverbindingen kan er bij vorst vermoedelijk sneller vocht aan het blad onttrokken worden.
Sneeuw
Een forse sneeuwbui kan een bamboetuin door de diep doorgebogen en platliggende halmen tijdelijk onbegaanbaar maken. Wanneer het dooit of wanneer men de sneeuw van de halmen schudt veren deze weer snel op. Soms is de sneeuw nat, zwaar en plakkerig of is de hoeveelheid te groot, en dan kunnen vooral bij Phyllostachys de halmen wel eens afbreken. Fargesia’s zijn soepeler en buigen gemakkelijker met de sneeuw mee.
Na twee strenge winters komt er misschien wel weer een hele zachte winter die onze bamboes ontziet. Of wellicht ook niet.
Jos van der Palen  |

|
|
 |
Het snoeien
Een bamboebos met ruimte.
Wie kent niet de beelden uit japanse of chinese films, waar de acteurs zich als krijgers, reizigers of geesten met het grootste gemak tussen de ver uit elkaar staande halmen van een mysterieus in nevelen gehuld bamboebos voortbewegen. En hoe vanzelfsprekend voor ons zijn niet die foto's van kleine japanse tuinen met armdikke bamboe's.
In werkelijkheid hebben deze impressies weinig te maken met de natuurlijke groei van bamboe en alles met bamboe in cultuur. Ook in China of Japan zal een phyllostachys-bos zonder ingrijpen van de mens door te veel nieuwe en dode halmen totaal ondoordringbaar worden. De in dichte pollen groeiende tropisch soorten lenen zich al helemaal niet voor een wandeling tussen de vrijstaande halmen. Een bamboebos met zo'n open karakter is gewoon mensenwerk.
 |
In China en Japan wordt bij de eetbare soorten in het voorjaar een deel van de nieuwe spruiten geoogst. Zo blijft de aanwas van te veel nieuwe halmen al meteen binnen de perken. Daarna wordt nog eens door zorgvuldig uitdunnen het open karakter van zo'n productiebos in stand gehouden. Ook bij de 'houtleveranciers' wordt elk jaar een deel van halmen geoogst. De selectieve snoei is de belangrijkste oorzaak van de ver uit elkaar staande halmen. Vooral bij de bamboe's in japanse tuinen wordt zo het aantal stengels zorgvuldig door de eigenaars bepaald.
In ons land zal het nog wel wat jaren duren voordat de omvang van onze bamboebossen groot genoeg is om in het vroege voorjaar bamboescheuten voor de consumptie te gaan oogsten. Wie zou er nu het risico willen lopen juist die spruiten te oogsten, die mogelijk voor nieuwe recordgroei kunnen gaan zorgen. En ook het formaat en de kwaliteit van onze bamboehalmen zijn voorlopig niet geschikt om er stoelen, tafels of vloeren van te maken. De keuze tussen uitdunnen of laten groeien heeft natuurlijk alles te maken met onze doeleinden en ook de ruimte die we hebben. Moet een lelijk gebouw of lelijke buurman weggewerkt worden dan kunnen de bosschages niet dicht en hoog genoeg. Wanneer een open oosterse groeiwijze ons doel is, omdat we licht en ruimte willen creëren, dan zijn een aantal grondregels erg handig om te weten.
Hiervoor komen voornamelijk Phyllostachys en Semiarundinaria in aanmerking, daar het formaat van de halmen van andere soorten zich hiervoor wat minder leent.
We moeten eerst goed weten hoe bamboe groeit. Een boom wordt elk jaar aan de top hoger en door nieuwe jaarringen dikker. Maar bamboe wordt groter door de nieuwe halmen, die elk jaar binnen een paar maanden uitgroeien en weer hoger en dikker zijn dan de halmen van het voorafgaande jaar. Overbodig om dit hier uit te leggen, maar voor niet ingewijden is dit steeds weer een enorme verrassing. Wanneer ik vertel dat een deel van de hoogste halmen juist de jongste zijn en in amper twee maanden tijd zo groot en dik geworden zijn, is er altijd ongeloof.
De soortkeuze bepaald de sfeer. Een Phyllostachys humilis of nudabos geeft na het uitdunnen een ijle, luciede sfeer. Soorten als Phyllostachys vivax of Phyllostachys sp. Shanghai 3 zullen na de snoei met hun dikke halmen veel monumentaler aanwezig zijn.
Het aanplanten en uitdunnen van een groter bamboebos.
Wanneer de bamboe van onze keuze op een ruime, humusrijke plek is uitgeplant, mag deze voor zeker drie jaar gewoon zijn gang gaan. Alle halmen kunnen blijven staan en dragen in dit stadium bij tot een sterk en uitgebreid wortelstelsel. Hierna zullen de nieuwe stengels, al naar gelang de soort en standplaats, zo'n 4 tot 6 meter hoogte bereikt hebben. In oktober zijn deze al dicht bebladerd en kunnen de halmen van het eerste en het tweede groei/jaar en een deel van de dunnere halmen van het derde jaar bij de grond afgesnoeid worden. |
Voor en na de snoei |
We kunnen hiermee ook wachten tot begin maart. Dit heeft als voordeel dat de oude takken wat extra bescherming in de winter geven. Een tweede snoei volgt in het voorjaar wanneer de nieuwe spruiten ruim een 1/2 meter hoog staan. In dit stadium kunnen we zien waar de nieuwe halmen staan en hoe dik ze zijn. De dunnere scheuten worden tot de grond teruggeknipt. Hetzelfde gebeurt met de aanwas die op een verkeerde plaats boven de grond komt; dus te dicht bij andere halmen of te veel aan de rand. Wanneer juist de dikste halmen op de verkeerde plaats naar boven komen, is dat jammer. De keuze om deze wel of niet weg te snoeien maakt meteen duidelijk wie de baas is. Dit snoeipatroon moet elk jaar herhaald worden.
Al naar gelang de openheid, die men bereiken wil, kan soms wel 40 tot 70 % van de jonge scheuten weggesnoeid moeten worden. Helaas zijn de scheuten van de eetbare soorten in dit stadium niet meer voor konsumptie geschikt.
Veel soorten produceren in augustus, september en oktober nog dunne en vaak schuine halmen. Bij oudere planten draagt deze nagroei niet echt meer iets bij en moet meteen verwijderd worden.
Wanneer de halmen voldoende hoogte hebben, kunnen de onderste zijtakken weggesnoeid worden. Bij jonge halmen, waarvan het schutblad juist is afgevallen, zijn de zachte zijtakken gemakkelijk met de hand af te breken. Door eerst een knikje naar beneden te geven en dan naar boven te trekken wordt voorkomen, dat er per ongeluk een deel van de halm wordt meegenomen. Deze snoei heeft optisch het beste effect wanneer niet meer dan 1/4 deel van de halm wordt vrijgemaakt. Hierdoor krijgt het licht de ruimte en wordt ondergroei mogelijk gemaakt. Ook de kleuren en het krachtige lijnenspel van de halmen worden zichtbaar gemaakt.
Dikke bamboe woekert en hoort daarom niet in een kleine tuin thuis. Tot deze conclusie komen veel mensen, wanneer ze te maken krijgen met de enorme en onbegrepen groeikracht van bamboe. Wanneer we naar de bamboe's in de japanse tuinen kijken, lijkt deze uitspraak meteen tegengesproken te worden. Waarom zijn wij zo bang voor het toepassen van deze reuzengrassen terwijl dit voor de japanners de gewoonste zaak van de wereld is. In dit land is bamboe diep geworteld in de cultuur. Wat deze reuzengrassen betreft, zijn er nauwelijks geheimen meer. Elke japanner met een tuin heeft een veelgebruikte goede snoeischaar om vorm te geven. Met dit wapen in de hand is het een klein kunstje om twee of drie bamboeplanten in het gareel te houden. Steeds worden de dunne, scheve en oudere stengels weer weggesnoeid en blijft een beperkt aantal van de mooiste halmen staan. Het spreekt vanzelf dat soorten, zoals Phyllostachys pubescens en Phyllostachys bambusoides, die daar voor hun dikke halmen gebruikt worden, bij ons door meer winterharde soorten vervangen moeten worden. Daarvoor komen soorten als Phyllostachys sp Shanghai 3, Phyllostachys vivax of de nog niet zo bekende Phyllostachys parvifolia of Phyllostachys prominens in aanmerking. Deze bamboe's kunnen op een afgebakende voedingsrijke warme groeiplaats ook bij ons prachtig uitgroeien. Dit is meteen ook het antwoord op de volgende veelgestelde vraag : Is het mogelijk een woekerende hoge bamboe op een of twee afgebakende vierkante meter te houden ? Niet wanneer men de maximale hoogte verwacht maar wel met inachtneming van het hierboven beschreven onderhoud en met het gebruik van een 55 tot 65 cm diepe wortelbegrenzer. Deze moet in eerste instantie ongeveer twee cm boven de grond uitsteken. Anders kunnen de net onder het oppervlakkig groeiende uitlopers alsnog ongezien ontsnappen. De eerste paar jaren zal een woekerende hogere bamboe wel genoegen nemen met zo'n begrensde plek, maar zonder snoei vraagt het om problemen . Op een klein oppervlak kunnen uiteindelijk geen honderd halmen staan. Een te geactiveerd wortelstelsel zal pogingen ondernemen om buiten de barriére op zoek te gaan naar genoeg water en voedsel. Dan is zelfs een rhizoombarriëre van 80 cm diep niet voldoende. Net als in een bloempot moet het groen, dat boven de grond uitsteekt. in evenwicht zijn met de wortels.
Jos van der Palen  |
|
 |
Bamboes met dikke halmen.
Phyllostachys is het belangrijkste geslacht van vorstbestendige bamboes met dikkere halmen. Vooral Phyllostachys vivax maakt zijn reputatie als reuzenbamboe in het koelere klimaat van midden Europa waar. Deze bamboe heeft echter alleen mogelijkheden op plaatsen waar de winters niet te streng zijn. Enkele nieuwe soorten combineren reuzengroei met een betere winterhardheid. Dit zijn dé bamboes die mogelijk in de toekomst voor een echte verbreding en verbetering van dit sortiment kunnen gaan zorgen. |
| Phyllostachys vivax “Aureocaulis“.
In nog geen 10 jaar tijd werd Phyllostachys vivax “Aureocaulis” in de mildere gebieden van Duitland en west Europa de meest bekende en meest begeerde hoge bamboe. Deze reus heeft door zijn dikke warmgele halmen met daarop onregelmatig verspreide groene lengtestrepen een echt tropische uitstraling.
Tegen echt koude winters met zon en droge wind is deze soort niet goed bestand. Bij ongeveer - 17/19 C krijgt deze bamboe het moeilijk en verschijnen er op de halmen donkerbruine vlekken. Ook de vrij grote wat hangende bladeren overleven deze temperaturen niet goed. De halmen hebben een dunne wand en zijn bij harde wind en sneeuw kwetsbaar . Op beschutte plaatsen waar de winters niet te koud zijn kan Phyllostachys vivax “Aureocaulis” gemakkelijk en snel uitgroeien tot een indrukwekkende bamboe van formaat. Met een eindhoogte tussen 6 en 10 meter en een halmdoorsnede van 4-7 cm steelt deze soort al op heel wat plaatsen de show.
Vrij regelmatig verschijnt er tussen de gele halmen een groene stengel met een gele sulcus (afgeplatte kant). Wanneer zo’n halm geïsoleerd wordt kan dit plantdeel mogelijk dezelfde kleur halmen blijven vormen en heeft men de stabiele en belangrijke variëteit Phyllostachys vivax “Huanwenzhu”

Phyllostachys vivax “Huanwenzhu” |

Phyllostachys vivax “Aureocaulis”
Verwarring bij Phyllostachys vivax.
Een bamboe, die waarschijnlijk zeldzamer is dan we denken is de groene vorm Phyllostachys vivax. Zo’n 6 of 7 jaar geleden werd deze soort in grote aantallen uit China ingevoerd. Dat dachten de kwekers althans. Intussen is duidelijk geworden dat onder de naam Phyllostachys vivax wel veel nieuwe soorten hier terecht zijn gekomen maar dat er weinig of misschien wel geen Phyllostachys vivax bij zat. Eén soort was bij deze importen steeds ruim vertegenwoordigd en kreeg noodgedwongen de geïmproviseerde naam Shanghai 2. Deze bamboe leek in groeikracht wel op Phyllostachys vivax maar de bladeren waren kleiner en minder hangend. De vroege gelige scheuten wezen in de richting van Phyllostachys dulcis. Een nauwkeurige vergelijking met foto’s van de dulcis-scheuten in “A Compendium of Chinese Bamboo“ maar ook met andere voorbeelden haalden de grootste twijfel weg. De koude winter van 96/97 werd met - 19C goed doorstaan. |
| Dit in tegenstelling tot de echte Phyllostachys vivax. Het kon niet anders of dit moest Phyllostachys dulcis zijn maar dan de echte. Dé Phyllostachys dulcis die ook de winterkou van Beijing kon overleven en waarvan de jonge scheuten voor de consumptie hoog gewaardeerd worden. De vorstgevoelige bamboe die ooit in Europa als Phyllostachys dulcis vanuit de USA in omloop is gebracht, kan dus niet dezelfde soort zijn. Ook de nauw verwante Phyllostachys sp. Shanghai 3, hier ingevoerd met de onjuiste naam Phyllostachys propinqua, behoort tot de beste hogere dikke en goed winterharde soorten. Deze reus heeft rozerode scheuten en diepgroene jonge halmen. De identificatie gaat richting Phyllostachys dulcis. Dit is een meer bekende soort met eveneens dikke halmen met roodbruine en gele lengtestrepen. Toch lijkt het me beter voorlopig de naam Phyllostachys sp. Shanghai 3 aan te blijven houden. |
Nieuwe variatie.
Een belangrijke nieuwe stabiele variëteit van Phyllostachys vivax is als mutatie ontstaan uit een in de war geraakte Phyllostachys vivax ‘Aureocaulis’, vrijwel tegelijkertijd op de kwekerij van Hans Prins in Steenwijkerwold en bij mij in Valkenswaard (NL). En wie weet tot nu toe onontdekt ook wel ergens anders. Net als bij Phyllostachys aureosulcata ‘Spectabilis’ de afgeplatte kant (sulcus) groen en de rest geel. Eigenlijk is het de omgekeerde vorm van de al genoemde Phyllostachys vivax ‘Huanwenzhu‘ die groene halmen en een gele sulcus heeft. Vandaar de naam Phyllostachys vivax ‘Huanwenzhu-inversa’. Omdat deze vorm ook uit de bestaande Phyllostachyss vivax ‘Aureocaulis’ is ontstaan, mogen we vanzelfsprekend uitgaan van een gelijke winterhardheid.
Phyllostachys parvifolia
Een nieuwere Phyllostachys-soort intrigeert me al jaren door de groeikracht, het uiterlijk en door een geweldige winterhardheid: Phyllostachys parvifolia. Het is onvoorstelbaar dat deze bamboe pas nu (mondjesmaat) verkrijgbaar is. Jaren geleden is deze bamboe al eens uit China in Europa ingevoerd maar is hier merkwaardig genoeg nooit in het circuit van verzamelaars en kwekerijen terecht gekomen. Wel heeft er vroeger een variëteit van Phyllostachys nuda met klein blad lange tijd ten onrechte met deze naam kunnen pronken. De naam Parvifolia duidt op het kleine blad en hiermee onderscheidt deze bamboe zich van de meeste andere Phyllostachys-soorten. De fijne structuur van de bladeren vormt een wolkig geheel. De nieuwe scheuten zijn gemakkelijk te herkennen. Als lange gladde roze speren komen deze eind juni/begin juli uit de grond. Eerst onder een wat schuine hoek maar wanneer ze wat hoger zijn, staan ze uiteindelijk goed recht en stevig. De prachtige halmen hebben onder de knopen een opvallende wit bepoederde ring. Een hoogte van 10 meter ligt binnen het bereik van deze soort. Bij deze hoogte behalen de halmen een doorsnee van 6-7 cm. De laatste koude winter van 96/97 kreeg met - 19 °C geen vat op een jonge halm van mijn toen nog kleine plant. Het blad bleef onberispelijk groen. Dit in groot kontrast met het bruin van de meeste omringende bamboes in mijn tuin. Een jonge Phyllostachys parvifolia in de tuin van Max Riedelsheimer in Stockdorf bij München had in de winter van 1999/2000 nauwelijks bladschade, minder dan bijvoorbeeld Phyllostachys aureosulcata en Phyllostachys bissetii. In een korte heftige vorstperiode daalden daar de minima tot - 20 °C. Intussen is mijn plant na 5 groeijaren bijna 6 meter hoog. De groei is wat minder explosief dan bijvoorbeeld Phylostachys vivax maar de halmwand is een stuk dikker en daardoor steviger. |
Phyllostachys sp. Shanghai 3 |
Phyllostachys kwangsiensis
Phyllostachys kwangsiensis komt voor in het warme Taiwan. Daarom werd er niet veel van de vorstbestendigheid verwacht en was er weinig animo om plantmateriaal hier naar toe te halen en uit te proberen. Geheel onverwacht bleek deze bamboe in het noorden van Holland na de koude winter van 96/97 (- 21 ° C) bij de meest winterharde en wintergroene soorten te horen. Het is best mogelijk dat Phyllostachys kwangsiensis ooit uit een veel kouder gebied in China op dit eiland is ingevoerd. Opmerkelijk is de grote gelijkenis met Phyllostachys pubescens, een soort met een grote reputatie. In China is Phyllostachys pubescens de hoogste (tot 25 m.) en meest aangeplante productiebamboe voor de halmen en eetbare jonge scheuten. Door de beharing van de jonge halmen maar ook door veel andere kenmerken zou men gaan denken dat Phyllostachys kwangsiensis gewoon een winterharde vorm is van de in ons klimaat zo zwak groeiende soort Phyllostachys pubescens. Een ondersoort die genoegen neemt met onze koelere zomers en strengere winters en die het in zich heeft om op een goede groeiplaats mogelijk tot wel 10 meter hoog te worden.
Deze bamboe moet zich natuurlijk nog op veel punten bewijzen maar prikkelt als winterhard alternatief voor Phyllostachys pubescens wel de fantasie.
Andere goed winterharde soorten met dikke halmen.
Phyllostachys acuta is gemakkelijk te verwarren met Phyllostachys vivax.
Phyllostachys atrovaginata lijkt wat betreft uiterlijk, toepasbaarheid en winterhardheid veel op Phyllostachys parvifolia.
Phyllostachys iridescens heeft gele en roodbruine lengtestrepen op de halmen en is voor koudere gebieden een betere keus dan de eveneens gestreepte Phyllostachys violascens. Phyllostachys prominens is moeilijk te onderscheiden van Phyllostachys dulcis.
En Phyllostachys propinqua “Li Yü Gan” is goed winterhard en maakt redelijk dikke diepgroene halmen. De oudere meer bekende reuzen zoals Phyllostachys nigra “Boryana” en Phyllostachys nigra “Henonis” hebben het in de koude winter van 96/97 op veel plaatsen laten afweten.
Dromen.
In Engeland is Phyllostachys parvifolia al eerder de Phyllostachys pubescens voor het noorden genoemd. Hier werd vooral op de visuele gelijkenis van het fijne blad van deze twee soorten gewezen. De kleinbladige Phyllostachys parvifolia kan mogelijk iets van de magie van de meest tot de verbeelding sprekende reuzenbamboe, Phyllostachys pubescens, naar onze streken halen.
Jos van der Palen  |
|
 |
Siergrassen
Een kleurrijk nieuw assortiment
In de ons omringende plantenwereld domineren in aantal en soortenrijkdom vooral de grassen. In particuliere tuinen valt de bescheiden toepassing of zelfs het geheel ontbreken van deze plantengroep op. Als we onze gazons buiten beschouwing laten, heeft alleen het pampasgras zijn weg naar een groot publiek gevonden. Een aantal nieuwe, gemakkelijk toe te passen soorten en variëteiten kan met zijn grote scala aan vormen en kleuren een tuin aanzienlijk verfraaien. |

|
Kleur en groeivorm
Binnen het actuele assortiment is gras niet alleen maar groen. Het pallet omvat bijna alle kleuren van de regenboog. Bij sommige soorten is de bladkleur zo opvallend dat de grenzen van intensiviteit zijn bereikt. Bij Millium effusum 'Aureum' lichten de goudgele bladeren op een beschaduwde plaats als door de zon beschenen op, en de bloedrode kleur van Imperata cylindrica lijkt in de nazomer van binnenuit te komen. Andere soorten zijn hierin wat bescheidener, maar door de diversiteit aan kleur zijn de ongelooflijkste combinaties mogelijk. Een aantal grassen zoals Molina en Miscanthus sluit het groeiseizoen af met een felle verkleuring naar geel, oranje of rood.
Grassen vragen een andere manier van kijken. Vaak bepaalt het blad in zijn enorme verscheidenheid aan vormen de sierwaarde. Soms zijn de bladeren naalddun en stekelig. Bij andere groeitypen hangen ze in sierlijke bogen naar beneden of steken fors en massief vanuit de halmen of de aarde omhoog. De tijdloze bekoring die van de wuivende halmen in onze koren- of rietvelden uitgaat kennen we allemaal. Zo voegen de bloeiaren vaak een extra dimensie aan de plant toe. Het beste voorbeeld is het vormenrijke oosterse rietachtige gras Miscanthus sinensis. Ernst Pagels uit Leer (Duitsland) heeft zich intensief met deze soort bezig gehouden en is verantwoordelijk voor een adembenemend nieuw assortiment. Ook in onze koele zomers vormen deze variëteiten hun kleurrijke bloeiaren. Dit in tegenstelling tot de veel voor zomergroene hagen gebruikte Miscanthus giganteus en Miscanthus sinensis 'Gracillimus', die eigenlijk alleen in zeer warme zomers tot bloei komen. |
De hoogte
Als we bamboe buiten beschouwing laten varieert de hoogte bij de siergrassen van zo'n 5 cm bij de laagste bodembedekkers tot wel 5 meter bij het reuzenriet Arundo donax. Hierin ligt ook de veelzijdige toepassing. Veel lagere soorten zijn zeer geschikte bodembedekkers. Een aantal hogere grassen komt beter tot zijn recht als solitair, als groepsbeplanting of als zomergroene haag.
Verjonging
De hier beschreven soorten zijn allemaal meerjarig. Een aantal grassen zoals polvormig groeiende Carex, Festuca, Deschampsia en Sesleria moet om de paar jaar verjongd worden door middel van scheuren. De grond om de pol raakt uitgeput en de te dicht opelkaar groeiende bladeren verhinderen de nieuwe groei.

|
 |
De soorten
De reus Arundo donax zorgt voor een dramatisch exotisch effect. Op een beschutte plaats kunnen de statige halmen met brede overhangende bladeren in een seizoen gemakkelijk een hoogte van 5 meter bereiken. In onze winters vriest het bovengrondse deel meestal terug en onze zomers zijn te kort voor de bloei. De mooie bonte Arundo donax 'Variegata' groeit wat zwakker.
De compacte tot 180 cm hoge zuilvormige groei geeft Calamagrostis x acutiflora 'Karl Foerster' een bruikbare monumentale toepassing. De van purper naar geel verkleurende bloeiaren blijven tot diep in de winter aantrekkelijk. Het scherp bont getekende blad van de variëteit 'Overdam' heeft vaak een rode gloed.
Meestal wordt Carex bij de grassen ingedeeld hoewel dit geslacht zich al miljoenen jaren geleden daarvan heeft afgesplitst. Een aantal soorten blijft wintergroen, groeit polvormig en het zijn daarom ideale, goed te controleren bodembedekkers.
De lage Carex conica 'Variegata' (Hime Kansuge) met zijn sierlijke door een witte smalle rand omlijste blad is hier een goed voorbeeld van. Carex elata 'Bowles Golden' heeft tot 60 cm hoge opgaande felgele bladeren, voelt zich het beste thuis op een vochtige wat beschaduwde plaats. Drie sterke goed toe te passen wintergroene soorten zijn respectievelijk Carex hachijoensis 'Evergold' met een brede goudgele middenstreep op het blad, de veel toegepaste Carex morrowii 'Variegata' met dunne witte bladranden en de tot 50 cm hoge Carex pendula met vrij brede diepgroene bladeren. De laatste is een geschikte soort voor plaatsen met diepe schaduw of arme grond waar verder nauwelijks iets anders wil groeien. Twee voornamelijk zomergroene soorten zijn de appelgroene, op Papyrus lijkende Carex muskingumensis en de bonte Carex siderostica 'Variegata' met breed bont blad.
Deschampsia caespitosa 'Goldtau' groeit in compacte diepgroene pollen waar in de vroege zomer de korte open bloeiaren bovenuit steken. Het lage pas geïntroduceerde grasje Deschampsia flexuosa 'Tatra Gold' loopt met zijn felgele opgerichte naalddunne bladeren vroeg in het voorjaar uit.
Het staalblauwe schapengras Festuca glauca heeft zijn waarde als ijzersterke maar vaak kortlevende bodembedekker inmiddels bewezen. Er zijn diverse variëteiten in vele tinten blauw en groen geselecteerd. Festuca is minder geschikt voor zware klei.
De briljant gele Hakonechloa macra 'Aureola' is een sierlijk grasje met een bijzondere uitstraling. Imperata cylindrica 'Red Baron' heeft een kleur bijna aan de andere kant van het spectrum. in de loop van de zomer verkleuren de bladeren naar intens rood. Over de winterhardheid zijn de meningen verdeeld, maar humusrijke goed doorlatende grond, een warme plaats en een licht winterdek zijn zeker aan te raden. Met een vergelijkbare groeiwijze maar met wat doorhangende bladeren lijkt Millium effusum 'Aureum' , een goudgele variant op het zojuist beschreven 'bloedgras'. Terugsnoei na de bloei in mei bevordert de groei van frisse nieuwe bladeren die hun kleur tot diep in de zomer behouden.
Binnen Miscanthus sinenis is de variatie in bladvorm en kleur, hoogte en bloeiwijze enorm.
De sierlijke roodbruine, tot twee meter hoge bloeiaren van Miscanthus sinensis' Ferner Osten' ontwikkelen zicht al in augustus en verkleuren net als bij de meeste andere variëteiten naar zilverwit. Een van de mooiste variëteiten voor wat kleinere tuinen is de compact groeiende 'Kleine Silberspinne' met vele opgaande bloeiaren en sierlijk smal blad. 'Kleine' geldt voornamelijk voor de eerste paar jaren, omdat uiteindelijk toch een hoogte van bijna 2 meter bereikt kan worden.
'Malepartus' is intussen al een wat meer bekende variëteit. De wat geribbelde purperbruine bloeiaren ontvouwen zich in de loop van augustus. Met zijn uiteindelijke hoogte van 220 cm is hij prachtig als solitair te gebruiken. 'Morning light' heeft een dunne witte lijn over de bladrand lopen, zodat dit nog smaller lijkt dan het is.
Twee mooie bonte vormen zijn 'Strictus' en 'Variegatus' . Bij de eerste is het blad dwars gestreept terwijl bij de tweede brede witte en crème strepen over de hele lengte lopen. Uit de hele reeks blijft 'Yakushima Dwarf' met zijn 50 tot 80 cm hoogte het laagst.
Molina caerulea 'Transparant' heeft vrij brede wat overhangende bladeren die in de herfst naar diepgeel verkleuren. Met zijn open bloeiwijze wordt hij uiteindelijk 150 cm hoog. ' Overdam' is lager met stug naar boven gerichte donkere halmen
Panicum virgatum 'Rehbraun' is de kleurperformer onder de grassen. De rode verkleuring van de bladtoppen begint al vroeg in de zomer en zet door tot diep in de herfst. De ijle halmen bereiken een hoogte van ruim 1 meter. Stug opgaand en metaalblauw is 'Heavy Metal' .
Een van de beste nieuwe bodembedekkers is Sesleria caerulea . De vroege bloei begint al in april met ronde tot 20 cm hoge aartjes. Het blad is tweekleurig met een diepgroene bovenkant en blauwwit beneden. Een aantrekkelijk grasje voor bijna heel het seizoen. De wat hogere grijsblauwe Sesleria nitida heeft stijve opgaande bladeren.
Stipa calamagrostis is een van de langst bloeiende grassen. Vanaf juni tot ver in de herfst worden steeds weer nieuwe tot 1 meter hoge geelgroene aren geproduceerd die ook 's winters aantrekkelijk blijven.
Jos van der Palen 
|
|
 |
Bamboe als ondergroei en bodembedekker (Lagere bamboes)
Lagere bamboes hebben net als Hosta's en varens een grote variatie in bladvorm en kleur. Vaak zijn het prachtige wintergroene planten met een sterke uitstraling die alles in zich hebben om het te maken in onze tuinen. Een eigenschap houdt dit tegen: het woekeren.
Groeiplaats
Indocalamus, Pleioblastus en Sasa behoren tot de reguliere onderbegroeiing in de loof- en coniferenbossen van Japan en Midden China. Daar vormen deze bamboes vaak een aaneengesloten begroeiing. De lange ondergrondse uitlopers en de hechte wortelstructuur zijn bijzonder effectief om de bovenste humuslaag ondanks zware regens en aardbevingen bijeen te houden.
De grote uitbreidingsdrang.
De lagere bamboes hebben een slechte reputatie. Want het zijn vooral deze soorten waarbij men terdege rekening moet houden met een ongebreidelde ondergrondse uitbreidingdrang.
Bij toepassing in kleinere tuinen of in een vaste-planten border hebben de meeste Pleioblastus- en Sasa-soorten de eigenschap om grote gebieden te koloniseren. De lange uitlopers kunnen ongezien meters ver van de oorspronkelijke plant weglopen en zijn maar moeilijk te verwijderen. De wat grotere soorten zijn door deze expansiedrift gemakkelijk in staat met de spitse punten van de wortelstokken vijverfolie te doorboren. En wanneer deze uitlopers (de rhizomen) hun weg hebben gevonden tussen andere planten of onder bestrating, zijn ze erg moeilijk te verwijderen, elk stukje dat blijft zitten groeit weer aan.
In kleinere tuinen kunnen deze bamboes daarom alleen met de nodige voorzorgsmaatregelen gebruikt worden.
Een plastic kuip zonder bodem met een minimale diameter van 50 cm en een diepte van 40 cm, tot het maaiveld ingegraven, is voor de kleinere soorten (geen Sasa palmata) voldoende om ze op hun plaats te houden. Vanzelfsprekend dient de kuip met voedingsrijke grond gevuld te worden. Dankzij de verwijderde bodem ontstaat er door contact met de ondergrond een goede waterhuishouding. In het vroege voorjaar moet de bamboe tot op handhoogte terug gesnoeid en bemest worden. Het is belangrijk om de rand van de kuip jaarlijks na te lopen. Soms kunnen de uitlopers alsnog over de rand ontsnappen..
Maar ook bij grotere oppervlakten moet men grenzen aangeven en zijn deze bamboes alleen met goede voorzorgsmaatregelen toe te passen. Om de plant moet een wortelbegrenzer oftewel een rhizoombarrière van minimaal 50 cm breed voor de lagere bamboes tot 80 cm voor de hogere soorten zoals Sasa palmata ingegraven worden. Dit mogen golfplaten of ander hard materiaal zijn maar het gemakkelijkst in gebruik is de kunststof polyethyleen. Dit materiaal is voor de uitlopers ondoordringbaar maar is tegelijkertijd soepel, dun (1 mm) en weersbestendig. Deze goed werkende barrière is op dit moment alleen verkrijgbaar bij een aantal in bamboe gespecialiseerde kwekers. Anti worteldoek wordt vaak aangeraden maar is hiervoor absoluut onbruikbaar! De rhizoombarrière moet ongeveer twee cm boven de grond uitsteken, anders kunnen de net onder de oppervlakte groeiende uitlopers alsnog ongezien ontsnappen. Een jaarlijkse controle door de barrière in de herfst na te lopen is belangrijk.
Toepassing
Als wintergroene bodembedekker of als onderbegroeiing op plaatsen met voldoende ruimte is een aantal lagere bamboesoorten goed bruikbaar. Ook door de grondverankerende eigenschappen zijn er interessante toepassingen mogelijk. In de groenvoorziening is men voorzichtig begonnen om lagere bamboe in grotere projecten toe te passen. In Nederland worden ze steeds vaker op rotondes en andere grotere oppervlakten gebruikt.
Zo zijn ijzersterke en goed winterharde soorten als Sasa kurilensis of Sasaella masamuneana bijzonder geschikt om de aarde van geluidswallen of dijken muurvast te leggen.
Deze vaak nog experimentele projecten hebben het meeste kans van slagen bij een juiste soortkeus en een goed advies.
Onderhoud
Wanneer de planten eenmaal aangeslagen zijn, is het onderhoud eenvoudig. Het dichte loof belet de groei van onkruid. Door het dicht onder het oppervlak groeiende wortelstelsel is lage bamboe nauwelijks een concurrent voor hoger groeiende gewassen.
Het enige onderhoud bestaat uit een jaarlijkse maaibeurt in maart en zelfs dat is bij een aantal soorten niet elk jaar nodig. Na deze terugsnoei loopt het nieuwe blad in het voorjaar weer frisgroen uit, en hierdoor blijft de aanplant bijna het gehele jaar door aantrekkelijk.
In Japan wordt de laagste bamboe Pleioblastus pygmaeus veel als bodembedekker toegepast. Om het gewas echt laag te houden wordt in het begin van de zomer voor de tweede keer gemaaid.
Ook in Japan worden lage bamboes vaak in potten gehouden. Verjonging door de kluit om de twee of drie jaar te delen en in verse potaarde terug te zetten houdt de plant vitaal. In de winter dienen de potten op een beschutte plaats ingegraven te worden. Binnen overwinteren ze het best op een koele, lichte en vorstvrije plek.
Winterhard/ wintergroen
Het zachte loof van een aantal Pleioblastus-soorten is meestal tot diep in de herfst nog aantrekkelijk, maar bij vorst droogt het uit. Dit type bamboe gedraagt zich in ons klimaat dus meer als een half-wintergroene vaste plant. Daarom is terugsnoei ieder voorjaar aan te raden.
Het grotere blad van een aantal Indocalamus-, Sasa- en Sasaella-soorten is dikker en meer weerbestendig. Onder deze soorten bevinden zich, mits uit de wind en de winterzon, de mooiste groenblijvers.
Wanneer men enige bladschade in strengere winters op de koop toe neemt, voldoen de sterkste soorten ook op een minder ideale standplaats.
Bloei
In tegenstelling tot niet woekerende bamboes zoals Fargesia murieliae beschikt dit type over een wortelstelsel met lange uitlopers waarin veel reservevoedsel opgeslagen kan worden. Bij een bloei die per soort om de 20 tot 100 jaar kan plaatsvinden moet de bamboe regelmatig teruggesnoeid worden. Dit stimuleert de plant tot het maken van steeds weer nieuwe scheuten waardoor de bloei meestal verdwijnt en de groei zich kan herstellen. Nadeel is dat de plant gedurende enkele jaren in een slechtere conditie verkeert.
Soorten
Van de winterharde bamboes heeft Indocalamus tesselatus wel de grootste bladeren, die tot 50 cm lang kunnen worden. Deze tot ruim een meter hoog wordende soort is prachtig als ondergroei of oeverbeplanting bij natuurlijke vijvers.
Pleioblastus fortunei heeft helder witbont gestreepte bladeren. Bij matige vorst vriest dit gemakkelijk in maar vanuit de wortels herstelt deze soort zich goed. Na de terugsnoei in het voorjaar wordt deze goed verkrijgbare bamboe tot ongeveer 50 cm hoog.
De bekendste 'dwergbamboe', Pleioblastus pumilis, is binnen het huidige assortiment een minder opvallende verschijning geworden. Deze soort heeft een recente bloei op veel plaatsen goed overleefd en is goed winterhard, hoewel het blad zacht is en niet erg vorstbestendig.
Pleioblastus pygmaeus wordt in Japan door regelmatig terugsnoeien als gazon toegepast. Zonder terugsnoei wordt deze dwerg ongeveer 40 cm hoog en blijft in normale winters redelijk groen. Het opvallende varenachtige blad van Pleioblastus pygmaeus distichus is bovengronds vorstgevoeliger en de groei is wat krachtiger. Onder de naam Pleioblastus pygmaeus zijn er meerdere klonen met een wat afwijkende groei verspreid. Goed winterhard maar matig wintergroen zijn de opvallende bonte soorten Pleioblastus shibuyanus 'Tsuboi' en Pleioblastus viridistriatus (Pleioblastus auricoma). De eerstgenoemde soort heeft voornamelijk midden op het blad heldere witte strepen en kan zonder snoei uiteindelijk tot twee meter hoog worden. Bij Pleioblastus viridistriatus is de bladkleur zwavelgeel met groene strepen. Met voorjaarssnoei blijft de beplanting laag (ongeveer 50 cm) en komen de felgele vroege scheuten het mooiste uit. In de loop van de zomer en herfst wordt deze kleur wat minder intens. In vergelijking met de meeste andere lagere soorten woekert Pleioblastus viridistriatus matig.
Een van de meest robuuste groenblijvers is Sasa kurilensis, die in het winterkoude noorden van Japan een hoogte bereikt van twee tot drie meter. Onder de soortnaam is in Europa voornamelijk een lagere zeer decoratieve vorm met grotere glanzende bladeren verspreid. Deze wordt tussen een en twee meter hoog. Sasa palmata wordt met ruim twee meter nog hoger en heeft een nog groter blad. Als ondergroei is deze exotisch uitziende plant eigenlijk alleen te gebruiken om op plaatsen met veel ruimte te laten verwilderen. In kleinere tuinen is deze woekeraar niet op zijn plaats. Sasa tsuboiana heeft vrij grote diepgroene bladeren en is met een hoogte van ongeveer 150 cm weinig eisend als onderbegroeiing.
Vergelijkbaar is Sasa veitchii maar dan met bladranden die in de herfst contrastrijk indrogen. Deze bamboe wordt veel in Japanse tuinen toegepast. Het vrij grote harde blad van Sasaella masamuneana (Sasaella glabra) komt een normale winter goed door. De variëteit 'Albostriata' heeft strakke crème- en witgestreepte bladeren en kan tot twee meter hoog worden. Maar door een regelmatige verjongingssnoei blijft de plant lager en beter in conditie.
De meest gevreesde bamboe en eigenlijk alleen geschikt voor grote oppervlakten is Sasaella ramosa (Sasa vagans). In de herfst drogen sommige bladeren en bladpunten in, maar het resterende groen blijft in een normale winter behouden. De uiteindelijke hoogte is ongeveer een meter maar dit kan door een jaarlijkse snoeibeurt lager gehouden worden.
Shibataea kumasaca heeft een wat afwijkend uiterlijk. Het blad is eirond en loopt uit in een spitse punt. Een groot nadeel is dat deze tot bijna twee meter hoge bamboe pas in augustus weer nieuw blad krijgt.Voorjaarssnoei stimuleert de plant tot het maken van frisse scheuten in mei en juni en houdt de groeihoogte beperkt tot lager dan een meter.
Een vrij nieuwe lage selectie uit de duizenden zaailingen van Fargesia murieliae is de variëteit 'Bimbo' . Deze bamboe met fijn blad woekert niet en kan dus zonder de hierboven genoemde voorzorgsmaatregelen toegepast worden. De wortelontwikkeling is zwak en daarom heeft 'Bimbo' vaak wat tijd nodig om aan te slaan. Het struikje wordt niet veel hoger dan een meter, verdraagt redelijk wat zon en is voor zeker 80 jaar bloeiveilig.
Jos van der Palen  |
 |
Fargesia robusta
Fargesia robusta is een bamboe met een grote toekomst. Deze opvallende niet woekerende soort heeft glanzende sierlijke bladeren en een vrij opgaande groei. Ook zorgen de witte schutbladeren aan de jonge halmen in het voorjaar voor een bijzonder decoratief effect. Daarom wordt deze goed winterharde bamboe steeds vaker toegepast in kleinere tuinen waar woekerende soorten niet gebruikt kunnen worden. Nieuwe introducties uit midden China laten een grote variatie zien en brengen taxonomen en kwekers in verwarring .
De eerst geïntroduceerde en meest bekende vorm: Fargesia robusta “Campbell” |
De eerste plant van deze soort werd zo’n 20 jaar geleden door Julian Campbell in het natuurreservaat Wolong in noord-west Sichuan verzameld en in 1982 in de Botanische Tuin van Kew in Engeland geïntroduceerd. Dit exemplaar kreeg de soortnaam Fargesia robusta. Eind jaren 80 kwam deze bamboe in het circuit terecht van kwekers en verzamelaars. Het grote belang van deze bamboe werd pas echt duidelijk in de tweede helft van de jaren 90. In die tijd leerden we de beperkingen en gevaren van woekerende soorten in kleine tuinen kennen. Er was behoefte aan een bamboe die op zijn plaats bleef met halmen duidelijkere aanwezig waren dan bijvoorbeeld bij Fargesia murieliae.
Van deze eerst geintroduceerde Fargesia robusta (Campbell) kennen we de eigenschappen het best. De gladde olijfgroene halmen zijn stevig en opgaand. De gemiddelde hoogte wordt ongeveer 3 meter maar de plant kan op den duur op een goede plaats uitgroeien tot 4 en zelfs 5 meter. De groei van de jonge spruiten begint vroeg, vaak al begin april. In dit groeistadium zijn de nieuwe scheuten gevoelig voor nachtvorst.Bij meer dan - 3 °C moeten deze beschermd worden. Mocht het toch mis gaan, dan worden er in de loop van het jaar altijd weer nieuwe scheuten gevormd.
Bij de groei van de nieuwe halmen valt het contrast tussen de witte schutbladeren en het donkere groen van de halmen erg op. In de loop van de zomer vallen deze schutbladeren af. Vooral bij jonge planten worden in de loop van augustus nog eens nieuwe halmen gevormd en herhaalt zich dit bijzondere kleureffect. |
Fargesia robusta “Campbell” |
Het vrij kleine blad van Fargesia robusta is harder en meer glanzend dan bij Fargesia murieliae en rolt zich bij droogte, zon en vorst ook niet op. Deze bamboe kan beter tegen warmte en verdraagt op een humusrijke vochthoudende standplaats ook goed de zon.
Hoewel de winterhardheid niet helemaal vergelijkbaar is met bijvoorbeeld Fargesia murieliae kan deze soort op een beschutte groeiplaats toch heel wat vorst verdragen. In de koude winter van 96/97 met minima van - 19 °C is de plant met groen blad door de winter gekomen en ook bij Hans Prins in het hoge noorden van Nederland was - 21 °C niet te veel.
Door de goede eigenschappen van deze plant werden er nieuwe introducties op gang gebracht.
Nieuwe introducties.
De laatste jaren zijn er een aantal nieuwe typen van Fargesia robusta uit China ingevoerd. Een aantal lijkt maar weinig op de hierboven beschreven plant. Soms zijn ze zo anders dat het moeilijk te geloven is met Fargesia robusta van doen te hebben. Toch horen ze bij deze soort. Alle planten zijn in het wild verzameld en laten een onverwacht grote diversiteit zien. Er zijn vormen bij met vrij grote brede bladeren, met gebogen halmen en met geelachtige of roodbruine schutbladeren. Er is tot nu toe nauwelijks sprake van enig overzicht.
Fargesia robusta ‘Pingwu’(Pinhu)
In 1997 werd deze bamboe samen met enkele andere soorten voor ons (Hans Prins en ik) in het wild verzameld. Dit type lijkt nog het meest op de hierboven beschreven Campbell-robusta. Het blad is ongeveer even groot maar is lichter van kleur. De schutbladeren zijn geler en zitten wat losser. De groei is krachtiger en iets meer open. Deze vorm heeft hier nog geen echte winter meegemaakt. Waarschijnlijk komt de winterhardheid overeen met de hierboven beschreven vorm. Volgens een latere fax uit China zou deze bamboe toch weer niet in Pingwu (Pinhu) maar in Wolong zijn (op 2700 m. hoogte). Omdat er al een Fargesia robusta 'Wolong' bestaat en de bovenste naam inmiddels ingeburgerd is lijkt het me beter 'Pingwu' of 'Pinhu' voor deze bamboe te blijven gebruiken.
Fargesia robusta ‘Red Sheats’
Deze vorm met een veelbelovende naam dook een paar jaar geleden op in Engeland. Het blad is wat groter dan bij de Campbell-robusta, de halmen staan wat verder uit elkaar en de groeikracht is groter. De roodbruine schutbladeren aan de vertakkingen blijven lang zitten en zorgen voor een mooi contrast. Maar eigenlijk suggereert de naam ‘Red Sheats’ meer rood dan er is. Over de herkomst is weinig bekend. Waarschijnlijk is deze vorm afkomstig van dezelfde kwekerij in Sichuan waar ook Fargesia robusta ‘Wolong’ vandaan komt.
Fargesia robusta ‘Wenchuan’
Ook deze bamboe hebben Hans en ik in 1997 in Wenchuan op 1800 m. hoogte laten verzamelen. Deze kloon lijkt erg op de vorige vorm maar heeft halmen die met een ruime bocht vanuit de voet naar boven komen.
Fargesia robusta ‘Wolong’
Vermoedelijk in 1996 heeft een kwekerij in Sichuan (zie ‘Red Sheaths‘) in het pandagebied van Wolong opnieuw Fargesia robusta verzameld om aan de vraag van enkele westerse kwekerijen (o.a. door Charley Young) te voldoen. Toen de planten hier terecht kwamen bleek het overgrote deel wel erg grote bladeren te hebben. Toch hoort deze bamboe bij de Fargesia robusta-groep. De groeikracht bleek enorm. Er zijn planten bekend die nu al 5 meter hoog zijn. Dit lijkt de naam ‘Robusta’ eindelijk begrijpbaar te maken. Of deze vorm in winterhardheid te vergelijken is met de Campbell-robusta blijft nog zeer de vraag. Waarschijnlijk is dit type op lagere hoogte verzameld.
Deze Fargesia robusta met de grootste bladeren kreeg de naam ’Wolong’. Hoewel de grootbladerige planten in de meerderheid waren, bleek later dat er meerdere klonen tussen zaten. Het kweekmateriaal waar de Chinese kwekerij vanuit is gegaan bestond dus uit verschillende in het wild verzamelde planten.
Diversiteit
Net als bij de nakomelingen van Fargesia murieliae en Fargesia nitida is de diversiteit van deze nog in het wild groeiende soort bijzonder groot. Ooit is Fargesia robusta met Eén plant als voorbeeld duidelijk beschreven. Maar een botanische beschrijving, die slechts gebaseerd is op Eén vertegenwoordiger van de soort, geeft bij bamboe weinig houvast. Dit wordt ook duidelijk bij de nakomelingen van de eens zo vertrouwde Fargesia murieliae. Eerst wisten we waar we bij het determineren van deze soort precies op moesten letten. Nu varieert de hoogte van de nieuwe generatie zaailingen van 50 cm tot misschien wel 5 meter. Er zijn planten zonder de typisch bemeelde halmen van de moederplant. Een roodachtige en een groene halmkleur komen voor. Er zijn schaduwvormen maar ook selecties die goed tegen zon kunnen. Als we niet wisten waar ze vandaan kwamen dan zouden we hieruit met gemak 4 of 5 nieuwe ‘soorten’ kunnen selecteren. Grote onderlinge verschillen tussen de verschillende klonen kennen we vooral bij Fargesia nitida en een beetje bij Fargesia denudata. Nu ook Fargesia robusta dezelfde grote variatie vertoont kunnen we er vanuit gaan dat in het enorme reservoir van in het wild groeiende Fargesia’s en andere bamboes bijna alles te vinden is wat we aan vormen zoeken.
Jos van der Palen. 
|
|
 |
Fargesia scabrida ?
In de tweede helft van de jaren 90 werd China steeds toegankelijker. Voor onze kwekerijen “De Groene Prins” en “Kimmei” was dit een vruchtbare tijd om nieuwe bamboesoorten in te voeren. Onze Chinese contacten zorgden steeds weer voor nieuwe verrassingen en teleurstellingen. Sommige van deze bamboes zijn intussen al wijd verspreid. De bamboe met de naam Fargesia scabrida begint nu pas bekender te worden.
In het wild verzameld.
Zo kwam er in het voorjaar van 1997 weer een kapotte doos aan met in het wild verzamelde bamboes. Dit verrassingspakket bevatte o.a. grote kluiten met dikke afgezaagde halmen zonder blad die een groot gedeelte van de ruimte in beslag namen. Sommige halmen hadden een diameter van bijna 2 cm. Op de etiketten stond Fargesia scabrida. Volgens onze Chinese verzamelaar had hij deze planten gevonden bij Pingwu in noord Sichuan op een hoogte van 2700 meter, een verzamelplaats waar je in elk geval een redelijke winterhardheid verwachten mag. We hebben meteen de soortbeschrijving van Fargesia scabrida opgezocht maar dit formaat halmen leek niet helemaal bij deze soort te passen, of zou dit toevallig een reus onder de Fargesia scabrida’s zijn? |
Eerste ontwikkelingen
Uit de basis van de afgezaagde halmen ontwikkelden zich het eerste jaar met moeite wat kleine scheutjes met smalle lange sierlijke blaadjes. Het heeft een heel groeiseizoen geduurd voor de planten echt aan het groeien waren. In het daarop volgende voorjaar ontwikkelden zich al vroeg behoorlijke forse scheuten. Een plant werd buiten uitgeplant. In de nazomer ontwikkelde deze bamboe voor de tweede keer scheuten die zich nog voor de winter konden vertakken en nog blaadjes kregen. In de herfst trok het sterke kleurcontrast van de oranjebruine schutbladeren met de jonge purperen halmen ieders aandacht. De eerste winter buiten was met -12 °C vorst niet erg koud en de plant had hier niets van te lijden. Een jaar later bleek deze bamboe op een koudere plaats in zuid Duitsland geen moeite met – 20 °C te hebben. Na ongeveer twee groei-jaren was mijn plant buiten al bijna drie meter hoog.Overeenkomsten en verschillen met Fargesia robusta
Met Fargesia robusta (G.P. 12/2001) heeft deze bamboe veel gemeen. Onder andere het vroege uitlopen van de nieuwe, sterk behaarde scheuten. (Dit kan bij beide soorten problemen opleveren met late nachtvorst.) Meestal is er in de nazomer een tweede aanmaak van nieuwe halmen. Ook de winterhardheid is te vergelijken met Fargesia robusta (Campbell), de vorm met de kleine bladeren.
Belangrijke verschillen met Fargesia robusta zijn het lange smalle blad en de (voor een Fargesia) ver uit elkaar staande halmen. Recent DNA onderzoek heeft bevestigd dat beide bamboes nauw verwant zijn. |
 |
De naam.
Ervaringen met in het wild verzamelde bamboes hebben ons geleerd dat we deze niet zomaar bij een soort kunnen indelen. Dat was al zo bij Fargesia sp. Jiuzhaigou en Fargesia ‘Rufa’. Ondanks het vraagteken dat wij achter de naam Fargesia scabrida ? gezet hebben, zijn er veel kwekerijen die deze bamboe gewoon als Fargesia scabrida vermeerderd en verkocht hebben. En dit is zo een eigen leven gaan leiden. Of deze plant echt Fargesia scabrida vertegenwoordigt is nog steeds onduidelijk.
Intussen wordt deze bamboe ook als Fargesia scabrida ‘Asian Wonder’ aangeboden. Eén van deze micro vermeerderde planten staat in mijn tuin naast een door scheuren vermeerderde plant. In groeikracht, winterhardheid en verschijningsvorm lijken beide bamboes identiek. De praktijk leert dat er met in-vitro technieken naast de successen soms ook mislukkingen zijn. En ook dat de vooroordelen niet altijd aan de praktijk getoetst zijn. Deze materie is echter te complex om hier in het kort op in te gaan.
Open groei.
Geen enkele Fargesia maakt ondergrondse uitlopers die ver weglopen. Maar net als bij Fargesia ‘Rufa’ (G.P. 2/2001) komen de nieuwe halmen van Fargesia scabrida vrij ver van de oorspronkelijke groeiplaats omhoog. Soms wel 10 tot 20 cm zodat het halmenoppervlak na enkele jaren een paar vierkante meters kan bedragen. Deze bamboe heeft een open opgaande groei en kan tot 4 meter hoog worden. Oudere takken kunnen wat doorhangen. Deze prachtige bamboe komt pas goed tot zijn recht bij voldoende ruimte en is dan als solitair, haag of bossage te gebruiken.
In de zon verkleuren de nieuwe blauwgroen bemeelde halmen in de loop van het groeiseizoen naar diep purper. Deze kleur geeft samen met het roodbruin van de schutbladen een opvallend mooi kleurcontrast. Een kweker aan de westkust van de USA in de staat Oregon noemt Fargesia scabrida een van de beste zonbestendige Fargesia’s. En ook in ons klimaat heeft deze bamboe geen moeite met de zon en is op zo’n groeiplaats juist bijzonder kleurrijk.
Jos van der Palen  |
|
 |
Bamboe als haag of afscheiding. Niet woekerende soorten: de Fargesias.
Privacy in huis en tuin heeft tegenwoordig een hoge prioriteit. Maar bouwplannen van buren kunnen aan deze privacy in korte tijd een einde maken. Wat kunt u ondernemen als bijvoorbeeld twee balkons en drie ramen plotseling een vrij uitzicht op uw tuin hebben en er moet snel wat aan gedaan worden. En hoe kan de gele muur van de nieuwe garage van de buurman of de buurman zelf weggewerkt worden. |
Een voor de hand liggende oplossing zou het planten van coniferen kunnen zijn, maar die groeien meestal langzaam en het resultaat kan saai en statisch zijn. Tegenwoordig wordt steeds meer gebruik gemaakt van wintergroene en winterharde bamboes. Ze zijn toepasbaar als verdwijnmiddel voor onaangename uitzichten op alles wat u niet vanuit uw tuin of woonhuis wilt zien en als windbeschutting. Sommige soorten zijn geschikt om grotere tuinen in “kamers” te verdelen. Door de snelle groei van bamboes kan er in korte tijd een levendige haag gecreëerd worden. De soepele halmen en de dunne bladeren laten de bamboehaag bij elk zuchtje wind bewegen en ritselen.
|
 |
Hagen van niet woekerende soorten.
De hier beschreven soorten hebben er al een langere proeftijd opzitten. Ze zijn goed tot zeer winterhard, aantrekkelijk en gemakkelijk toepasbaar. Deze Fargesias kunnen geen lange ondergrondse uitlopers maken en daarom zijn ze nooit een bedreiging voor folievijvers, bestrating of buren. Nieuwe halmen komen steeds dicht bij de oorspronkelijke plant uit de grond zodat de expansie overzichtelijk en zonder verrassingen blijft. Deze bamboes vormen dichte pollen met kleine blaadjes. In kleinere tuinen met weinig plaats zijn de meest compact groeiende Fargesias als wintergroene afscheiding eenvoudig en doeltreffend toe te passen. In groter tuinen en parken komen de losser groeiende typen meer in aanmerking. De volgende soorten zijn de beste bamboes voor onze streken: Fargesia murieliae, Fargesia sp. Jiuzhaigou, Fargesia denudata, Fargesia “Rufa” en Fargesia robusta “Campbell”. Met deze niet woekerende bamboes kunnen, al naar gelang de soort, afscheidingen van 1 tot ruim 4 meter hoog gemaakt worden.
Nieuwe generatie.
Bij het aanplanten van een haag investeert men in de toekomst en daarom is bloeiveiligheid een belangrijke vereiste. Twee maal binnen korte tijd, eerst in de jaren 90 met Fargesia murieliae en nu weer met Fargesia nitida, heeft de bloei ervoor gezorgd dat grote bestanden afgestorven zijn of nog zullen afsterven. Totdat er een betrouwbare nieuwe generatie van Fargesia nitida wordt aangeboden is het raadzaam deze soort met zijn variëteiten niet meer aan te planten. De hierna beschreven soorten behoren of tot een nieuwe generatie of (in het geval van Fargesia robusta en Fargesia “Rufa”) zijn er aanwijzingen dat deze soorten vrij recent in China gebloeid hebben.
Bladrollers
Bij Fargesia murieliae, Fargesia denudata en Fargesia sp. Jiuzhaigou rolt het blad zich op bij droogte en strenge vorst. Dit is een sublieme methode om vochtverlies te beperken en de bamboe kan daardoor zeer strenge vorst overleven. In november wordt bij deze soorten een deel van het blad afgestoten om de verdamping nog meer te beperken. Op zonnige, open groeiplaatsen behouden deze Fargesias minder blad dan in de schaduw. Ook verliezen de bladrollende bamboes in de winter in droge continentale lucht aanzienlijk meer loof dan in een vochtig zeeklimaat. Daardoor staat dit type in de winter strakker overeind dan in de zomer. Vooral in het vroege voorjaar zien deze bladrollende soorten er tijdelijk wat minder florissant uit, maar het overgebleven fijne groen is ook dan nog voldoende om beschutting te geven. In april worden er opnieuw massa’s frisse nieuwe bladeren gevormd zodat er weer een dichte groene haag ontstaat. Fargesia robusta en Fargesia “Rufa” zijn geen bladrollers en blijven hierdoor mooier groen in de winter en het voorjaar maar in zeer extreme winter zijn ze toch minder sterk dan de bladrollende soorten.
Planten en onderhoud van niet woekerende soorten.
Men begint met het bepalen welke hoogte en welke breedte de nieuwe bamboehaag mag krijgen. Ook de groeiplaats is erg belangrijk voor de keuze van de soort: zonnig, halfschaduw of schaduw, beschut of onbeschut. Controleer of de te beplanten strook niet te arm is en verrijkt moet worden met humus of compost. Voldoende water geven, zeker bij het planten en in langere droge perioden is belangrijk.
Wanneer men geduld heeft en uitgaat van kleiner plantmateriaal is gemiddeld 1 plant per meter voldoende. In het 2de of 3de jaar dat de bamboe uitgroeit tot manshoogte zal deze meter al opgevuld zijn. Natuurlijk kan men kiezen voor 2 tot 3 planten per meter maar om sneller een hogere haag te krijgen maakt dit niets uit. De jonge haag wordt er wel sneller dicht door. Met 2 tot 3 grote planten op een strekkende meter kan men direct een gesloten haag creëren. Voor de minihagen van Fargesia murieliae “Bimbo” kan men beter uitgaan van 2 of 3 planten per meter.
In kleinere tuinen waar een 1 tot 2 meter brede haag gewenst is zijn de opgaand groeiende soorten zoals Fargesia sp. jiuzhaigou 1, Fargesia robusta “Campbell” en enkele selecties van Fargesia murieliae het meest geschikt. Soorten zoals Fargesia denudata, Fargesia “Rufa” en een aantal doorhangende selecties van Fargesia murieliae zijn beter op hun plaats in wat ruimere locaties. In parken of grotere tuinen waar genoeg ruimte is komen deze weelderig doorhangende bamboes veel beter tot hun recht. Ook niet woekerende bamboes worden langzaam breder en in de loop van jaren misschien wel te breed. Wanneer men wil voorkomen dat een Fargesia in de tijd toch te veel ruimte in gaat nemen voldoet een rij ingegraven trottoirtegels al als barrière. Ook de wortelbegrenzer die bij woekerende bamboes gebruikt wordt kan als barrière tegen verdere expansie gebruikt worden maar dan is een hoogte van 30 cm al voldoende om de uiteindelijke breedte van de haag vast te stellen. Deze wortelbegrenzer is gemaakt van HDPE, een taaie, duurzame polyethyleen folie van één millimeter dik die ook ondoordringbaar is voor de wortelstokken van de woekerende soorten. Dit materiaal is meestal verkrijgbaar bij goed gesorteerde bamboekwekerijen. Ook bij opgaand groeiende soorten kunnen de oudere takken toch wat topzwaar worden en gaan doorhangen. Door deze halmen met ¼ van de lengte in te korten gaan ze weer rechtop staan. Hiervoor heeft men meer kapperstalent dan snoeitechniek nodig.
De belangrijkste soorten.
Fargesia murieliae “Bimbo”. Deze laag blijvende bamboe is een geselecteerde zaailing van Fargesia murieliae met kleine lichtgroene blaadjes. Door zijn postuur en door een aantal nieuwe toepassingsmogelijkheden verdient deze niet woekerende dwerg een aparte plaats. De planten groeien zeer compact en daardoor kan er een haagje gemaakt worden dat meestal niet hoger wordt dan 100 tot 150 cm. Snoei wordt goed verdragen en het blad herstelt zich in het voorjaar snel. Met deze hoogte blijft contact met de buren mogelijk. De minimale breedte van de groeiplaats kan 60 tot 80 cm zijn. De natuurlijke groeivorm is een bol. Zon wordt op vochtige humusrijke grond redelijk goed verdragen maar een groeiplaats in de halfschaduw tot schaduw is beter. Bij deze eerste “ongevaarlijke” minibamboe ontwikkelt het wortelstelsel zich vrij langzaam en daarom heeft de plant soms wat tijd nodig om aan te slaan. “Bimbo” heeft ook nieuwe toepassingsmogelijkheden. In een grassen of vaste plantenborder voegt deze bamboe een belangrijk en gemakkelijk te combineren wintergroen element toe. Als verdeler van de ruimte heeft deze selectie een levendiger uitstraling dan bijvoorbeeld Buxus of Lavendel. Deze bladroller behoort tot de meest winterharde soorten. Fargesia murieliae “Lava” is meer zonbestendig als “Bimbo en heeft breder blad. “Lava” wordt 1 tot 2 meter hoog.
Fargesia murieliae “New Century” en “Vampire”. De verspreiding van nieuwe klonen van de “echte” nieuwe generatie verloopt nogal wanordelijk en vele voldoen niet aan de verwachtingen. “New Century” en “Vampire” zijn voorbeelden van goede variëteiten van Fargesia murieliae en zijn wat betreft winterhardheid zeer betrouwbaar. Daardoor zijn ze als haag overal toe te passen. De gemiddelde groeihoogte ligt tussen 2,5 en 3,5 meter. Reserveer voor een haag 1,5 tot 2,5 meter breedte.Sommige typen zijn goed zonbestendig, zeker wanneer de luchtvochtigheid hoog is. Maar halfschaduw is ideaal en schaduw wordt goed verdragen.
Fargesia robusta “Campbell” is belangrijkste Fargesia-soort voor het maken van een compacte hogere haag . Dit type met klein glanzend blad is de eerste Fargesia robusta in Europa. En alleen deze variëteit van de inmiddels vormenrijke groep Fargesia robusta heeft de nawinter van maart 2005 met – 21 C in noord Nederland en Duitsland redelijk overleefd. Ook is dit de meest compacte en meest opgaand groeiende vorm. Zo’n 30 jaar geleden heeft Fargesia robusta in China gebloeid. Wanneer we aannemen dat deze informatie waar is en dat deze bamboe uit die bloeiperiode komt dan behoort Fargesia robusta “Campbell” tot de soorten waarvan voorlopig geen nieuwe bloeiperiode te verwachten is. Het opgaande silhouet, het kleine glanzende blad, de relatief dikke halmen en de prachtige witte schutbladen aan de nieuwe scheuten maken deze bamboe tot de beste keuze bij het zoeken van een haag die tot 4 meter hoog mag worden. Daarbij gedijt deze soort goed op een zonnige groeiplaats. Het blad rolt niet op zich bij vorst, droogte en zon.
Fargesia denudata De halmen groeien in een compacte pol, hangen sierlijk door en nemen daardoor nogal wat plaats in. Deze weelderige op cilinders lijkende oudere halmen met korte zijtakken en kleine glanzende bladeren brengen veel dynamiek en leven in een Denudata-haag. En hierin schuilt de kracht en de schoonheid van deze bamboe. Fargesia denudata (Lancaster I) is de bekendste vorm. Fargesia denudata (Xian 2) is weelderiger en verdraagt wat meer zon en (Xian 1) heeft smaller en daardoor sierlijker blad. De hoogte varieert van ruim 2 tot 4 meter. Ook bij Fargesia denudata rolt het blad zich op bij strenge vorst maar het winterbeeld is meestal groener dan dat van Fargesia nitida of Fargesia jiuzhaigou. Alleen met een beplantingsstrook van 2 meter of breder komt Fargesia denudata goed tot zijn recht. Men kan kiezen uit enkele vormen.
Fargesia “Rufa” Bij deze bamboe hangen de weelderige takken door een overdaad aan glanzend groene bladeren wijd uit. Voor een Fargesia breidt het wortelstelsel zich nogal snel uit maar door de oppervlakkige wortels is “Rufa” toch goed te controleren. Zonder voorzorgsmaatregelen vormt Fargesia “Rufa” een haag die tot 3 meter hoog en met de uithangende takken meer dan 3 meter breed kan worden. Door uitstekende winterharde en wintergroene eigenschappen en door een redelijke zontolerantie is deze bamboe een goede keuze voor ruimere open locaties zoals grote tuinen of parken. |
| Fargesia sp. Jiuzhaigou 1
Met deze bamboe kan een compacte opgaand groeiende haag van 2 tot 3 meter hoogte gemaakt worden. Op humusrijke, niet uitdrogende grond verdraagt Fargesia sp. Jiuzhaigou 1 de zon goed. Deze zeer winterharde bamboe kan bij strenge vorst de bladeren tot naalden oprollen en kan daardoor tijdelijk wat minder wintergroen zijn. Vooral in het vroege voorjaar op open locaties is de beplanting van deze nieuwe generatie bamboe transparant maar in april vormen zich weer talrijke frisse nieuwe blaadjes en ontstaat er een dichte haag. Ook in het voorjaar kunnen de halmen in de zon naar rood verkleuren. |
 |
Deze “nieuwe generatie” bamboe is momenteel de beste en meest gelijkende vervanger voor Fargesia nitida + variëteiten. Twee nieuwere vormen, Fargesia sp. jiuzhaigou “Genf” en Fargesia sp. jiuzhaigou “Willumeit 9” bereiken met 3 tot 4 meter hoogte ook hetzelfde postuur als Fargesia nitida. Fargesia sp. jiuzhaigou “Willumeit 9” is in veel opzichten een goede vervanger voor Fargesia nitida “Nympenburg” maar wordt sneller breed en is kleurrijker. Ook Fargesia sp. jiuzhaigou “Willumeit 4” heeft enkele opvallende kenmerken die hem tot een goede haagbamboe maken. De halmen staan dicht bij elkaar, het loof is diepgroen en halmen verkleuren in het voorjaar naar purper tot zwart. Wat de eigenschappen van de zaailingen van Fargesia nitida betreft lijkt het me nog te vroeg om hier al iets over te zeggen. Veel mensen willen een bamboe die 2 tot 3 meter hoog wordt, fijn blad heeft en een compact groeit .Daarom is Fargesia sp. Jiuzhaigou 1 op plaatsen met minder ruimte de eerste keuze. Deze bamboe kan zich met behulp van snoei en afbakening zelfs op minder dan 1 meter breedte handhaven maar een ruime meter is beter.
Jos van der Palen (Garten Praxis februari 2006) 
|
|
 |
Bamboe in het openbaar groen
Toepassingen in openbare ruimten.
Sinds de jaren 80 zijn siergrassen een steeds grotere rol gaan spelen in het aantrekkelijk maken van tuinen en openbare ruimten. Als gevolg hiervan zijn de “houtige” grassen oftewel bamboe als wintergroene beplanting in het openbare groen in opkomst. |
Historie.
Vóór de ijstijden behoorde bamboe tot de vegetatie van Europa. De oost-west lopende bergruggen van de Alpen en Pyreneeën en ook de Middellandse Zee boden deze groenblijvende reuzengrassen geen uitweg om aan het oprukkende landijs te ontsnappen. In China gaven de noord-zuid lopende dalen wel doorgang aan veel soorten bamboe om tijdelijk naar het warme zuiden te migreren.
In China en Japan waar bamboe inheems is, wordt deze subfamilie van de grassen al eeuwenlang gebruikt om tuinen en parken vorm te geven en in te richten. Het is daar een natuurlijk en wezenlijk onderdeel van de cultuur.
In het midden van de 19e eeuw raakte de Franse zakenman en botanicus Eugène Mazel tijdens zijn vele reizen naar Azië in de ban van bamboe. Hij nam een aantal soorten mee naar Europa en plantte deze uit op zijn uitgestrekte landgoed bij het stadje Anduze in Zuid-Frankrijk. In het ideale klimaat ontwikkelden de planten zich verrassend goed. Sommige soorten groeiden zelfs uit tot reuzen van meer dan 20 meter hoog. Hier ontstond de eerste bamboetuin van Europa. En de 'Bambouseraie de Prafrance' bestaat nog steeds. De beplanting overleefde zelfs verwaarlozing en overstromingen. Het park is in de laatste 25 jaar zelfs uitgegroeid tot een toeristische attractie van formaat en is voor iedereen die met bamboe werkt een grote inspiratiebron.
In het westen zijn er vroeger meerdere pogingen ondernomen om bamboe als cultuurplant onder de aandacht te brengen maar pas in de laatste 25 jaar van de 20e eeuw kwam de doorbraak. Door een aantal interessante nieuwe introducties werden de toepassingsmogelijkheden groter en ontstond er bij een breed publiek steeds meer belangstelling. En die trend zet zich nog steeds gestaag voort.
|
 |
De praktijk
Bamboe spreekt tot de verbeelding en is trendy. Door de beschikbaarheid van een nieuw veelzijdig assortiment wordt er ook in het openbaar groen meer en meer gebruik van gemaakt. Vrijwel iedereen krijgt in de beroepspraktijk met bamboe te maken. Maar tot op heden wordt deze plantengroep in alle vakopleidingen genegeerd. Door dit ontbreken aan kennis in de praktijk maken veel hoveniers, maar ook tuin- en landschapsarchitecten van naam, steeds weer grote fouten. De informatie wordt uit verouderde literatuur en computerprogramma’s gehaald en die geven sommige soorten een status die al lang achterhaald is. Zo wordt de vorstgevoelige bamboe, Phyllostachys aurea, als zeer winterhard (tot – 25 C °) omschreven terwijl de praktijk leert dat –15 C ° al bijna te veel is. Het toepassen van deze soort in winterkoude streken van Duitsland heeft daarom geen schijn van kans, maar steeds opnieuw wordt Phyllostachys aurea in steden zoals Berlijn of München verkocht en aangeplant.
Sommige kwekerijen gaan niet erg nauwkeurig om met de soortbeschrijvingen in de catalogi en op etiketten. Wanneer we deze informatie zouden moeten geloven dan zou de zwarte bamboe, Phyllostachys nigra, de ideale niet woekerende, zeer winterharde haagbamboe zijn!! In werkelijkheid maakt deze niet zo winterharde bamboe lange uitlopers en hangt ver door. En in praktijk wordt diezelfde Phyllostachys nigra nogal eens met Fargesia nitida verward.
Voor de aspirant bamboegebruiker onder de hoveniers en tuin- en landschapsarchitecten is het daarom belangrijk de volgende punten goed in de gaten te houden. In de eerste plaats is de keuze van de soorten en de variëteiten essentieel, want hier worden de meeste fouten gemaakt.
Ook is basiskennis van bamboe altijd de belangrijkste voorwaarde om een beplanting te laten slagen. Men moet weten hoe de plant er in uitgegroeide toestand uitziet. Men moet ook weten of de toe te passen soort wel of niet woekert, zon- of schaduwbestendig is, of de winterhardheid voldoende is en of er zoals bij Fargesia nitida geen bloeiperiode verwacht wordt. Het toepassen van bamboe is een avontuur met geheel eigen regels. Voor alle hoveniers en tuin- en landschapsarchitecten die op een verantwoorde manier met bamboe willen werken is er de volgende keus. Of men verdiept zich in deze plantengroep, of men laat zich adviseren door een in bamboe gespecialiseerd bedrijf. De deskundige begeleidt het project, draagt de eindverantwoordelijkheid en geeft nazorg. Bij voorkeur kan de deskundige bogen op eerdere succesvolle projecten. Ondoordacht beplanten leidt op den duur onvermijdelijk tot een chaos. |
Projecten.
De volgende twee voorbeelden laten zien hoe grotere projecten waar bamboe centraal moest staan door onkunde en bureaucratie op diverse punten mislukt zijn. Een aantal jaren geleden werd ik door een adviesbureau betrokken bij het adviseren van bamboe. Het doel was de mogelijkheid te onderzoeken om bamboe op diverse grote geasfalteerde pleinen bij een nieuw te openen kantorencomplex toe te passen. De betrokken persoon stond open voor mijn suggesties en in de loop van enkele ontmoetingen ontstond er een gedegen plan om de juiste soorten met de nodige voorzorgsmaatregelen op deze zonnige plaats te kunnen laten uitgroeien tot zeker 5 meter hoogte. Het plan werd door een commissie beoordeeld en na nogmaals mijn oordeel gevraagd te hebben, goedgekeurd. Een hele tijd bleef het stil maar na twee jaar werd dit bamboeproject via een krantenbericht met veel toeters en bellen aangekondigd. Toevallig vernam ik via een collega die op de hoogte was van dit project, dat er bij hem Fargesia nitida besteld was. |
| Deze schaduwbamboe voldeed met zijn uitstraling en hoogte geheel niet aan de geadviseerde soort en zou het op deze hete asfaltvlakte nog geen jaar volhouden. Bovendien stond juist deze soort aan het begin van een bloeiperiode (met dodelijke afloop). Later bleek dat alle adviezen van het projectbureau aan de gemeente waren overgedragen en die had de beplanting van de bamboe weer aan de aannemer, verantwoordelijk voor de inrichting van het plein, uitbesteed. Deze gebruikte de aanplant van bamboe, waar eigenlijk alles om begonnen was, als sluitpost. Mijn collega en ik hadden heel veel overtuigingskracht nodig om de aannemer en de gemeente van de aanplant van Fargesia nitida te weerhouden. Door de niet professionele aanleg én onderhoud zal dit project binnen twee jaar gedoemd zijn te mislukken. Tenminste wanneer er niet snel wordt ingegrepen. |
 |
|
De TV-studio.
In de lichte ruimte van een TV studio moest bamboe komen. De binnenhuisarchitect dacht in de soort met de zwarte halmen, Phyllostachys nigra, de ideale plant gevonden te hebben om als achtergrond voor de opnamen te dienen. Pas nadat er al grote exemplaren vanuit Italië onderweg waren en dit project dus sowieso door moest gaan werd er aan mij gevraagd wat de kansen van deze beplanting waren. Een belangrijke eigenschap van soorten die vorst verdragen was over het hoofd gezien. Phyllostachys nigra heeft in de donkere wintermaanden een rustperiode nodig met temperaturen die lager zijn dan 15 C°. Ondanks allerlei bijzondere ingrepen zoals speciale aarde, ventilatie en voeding gaf ik de bamboe een levensduur van nauwelijks 2 jaar. Bij elke uitzending die vanuit deze studio gemaakt werd zag ik de vitaliteit en de schoonheid van planten achteruit gaan en na anderhalf jaar was de beplanting verwijderd en dit bamboeavontuur voorbij.
Dit zijn twee van de vele voorbeelden waarbij een project met bamboe door ondeskundigheid de oorzaak was van een mislukking.Maar het belangrijkste zijn de voorbeelden van projecten met bamboe die wel geslaagd zijn. |
Bamboe-Varentuin Bassecour, Wageningen
In het openbaar groen van Wageningen (NL) zijn bamboes toegepast in een chique stadstuin van ca. 1000 m2 naar ontwerp van tuin- en landschaparchitect Johan van der Perk. Deze tuin ligt ingeklemd tussen een museum en een oude kasteelmuur met de fundamenten van kasteeltorens aan de ene kant en een luxe appartementencomplex aan de andere kant. De bamboetuin past goed bij de statige sfeer van het nieuwe appartementencomplex, van waaruit de bewoners een goed uitzicht hebben op de tuin. De verdiepte tuin van Bassecour is oorspronkelijk een gedempte gracht. Ongeveer 1/3 bestaat uit een weelderige beplanting met varens, bamboes en vaste planten. De rest bestaat uit verharding met langwerpige betontegels van Schellevis, voorzien van brede voegen waarin Cotula squalida groeit.
In deze tuin zijn niet alleen lage bodembedekkende soorten gecombineerd met opgaande solitairen, maar de bamboes vormen ook een mooi harmonieus geheel met siergrassen, varens, hosta’s, zegges, Irissen, Brunnera en andere sterke vaste planten in grotere en kleinere vakken. De volgende soorten bamboes zijn gebruikt:
- Phyllostachys aureosulcata ‘Spectabilis’
- Phyllostachys viridiglaucescens
- Phyllostachys vivax ‘Aureocaulis’
- Pleioblastus fortunei
- Pleioblastus pygmaeus ‘Distichus’
- Sasa veitchii
- Sasaella masamuena ‘Albostriata’
- Semiarundinaria fastuosa
Bij het maken van de soortkeuze is gelet op habitus, winterhardheid, bladvorm, bladkleur en halmkleur. De tuin sluit aan op de oude stadsgracht van Wageningen die daar ophoudt, omdat men de gracht voor een deel heeft gedempt. Er is door de ontwerper voor bamboe gekozen omdat het de sfeer oproept van een vochtige plek en daardoor verwijst naar de gracht die ooit op die plek is geweest. Het ruisen van het bamboeblad in de wind heeft een associatie met het ruisen van riet. Daar komt bij dat de groenblijvendheid van bamboe door alle seizoenen heen continuïteit aan het ontwerp geeft. Er is voor de hogere, opgaande soorten gekozen, omdat ze volume geven aan de ruimte en zo refereren naar de hoogte van de kasteelmuur. Het kleurgebruik beperkt zich tot koele kleuren: blauw en wit en vele scharkeringen in groen.
Vóór aanplant is een voedingsrijk substraat gebruikt als bodemverbetering. Rondom elk vak waar woekerende soorten zijn toegepast, is 50 cm breed wortelbegrenzerfolie aangebracht. Doordat de folie tot net boven de grond is ingegraven veroorzaken de bamboes geen problemen.
Criteria voor de toepassing van bamboe in dit bijzonder stukje openbaar groen zijn:
(1) harmonie met de omgeving en inpassing van de cultuurhistorische elementen.
(2) sociale veiligheid voor publiek, dus geen dichte, onoverzichtelijke bossages.
(3) gemakkelijk in onderhoud en
(4) bestendig tegen lichte betreding, strooizout, vorst en droogte.
Verder moet het woekeren voorkomen worden.
Ten behoeve van het onderhoud is een cursus georganiseerd voor de medewerkers van de plantsoenendienst met aandacht voor de groeieigenschappen, bemesting en snoei.
De tuin is voor het publiek toegankelijk en wordt als aantrekkelijk, bijzonder en waardevol beschouwd voor de diversiteit van het openbaar groen in Wageningen.
Bijdrage: Johan van der Perk. |
 |
Bamboe in grote bakken.
In de herfst van 2002 werd ik benaderd door de tuinarchitect Saakje van de Laar. Ze kende mijn Phyllostachys vivax “Aureocaulis” bij de ingang van de kwekerij en wilde dit plantbeeld gebruiken op een binnenplaats van het nog te openen nieuwe Van Abbemuseum in Eindhoven.
Bij ons bezoek zagen we dat deze door werkplaatsen omgeven plek zowel beschut als licht was. Er kon niet in de grond geplant worden, dus had Saakje het idee om een grote hardhouten bak van ongeveer 4 meter breed, 6 meter lang en 1 meter hoog te laten maken.
Voor het geslaagd toepassen van Bamboes in bakken moeten sterke temperatuurschommelingen voorkomen worden. Daarom is niet alleen de plaats waar de bak komt te staan van belang, maar ook het toepassen van isolatie in de bak om een te grote opwarming in de zomer en afkoeling in de winter te voorkomen. De grondsamenstelling moet er op gericht zijn dat er langdurig voldoende zuurstof in het mengsel aanwezig blijft. Nadat het plan werd goedgekeurd zijn we begonnen met de voorbereidingen. Ik benaderde Tim Kloet van Osar groenbeheer en flowforms. Hij heeft veel ervaring met dit soort projecten en nam de uitvoering op zich. Vijf grote planten van Phyllostachs vivax “Aureocaulis” werden besteld. In het vroege voorjaar van 2003, net voor de opening van het nieuwe Van Abbemuseum, werden ze geplant. Omdat de computer voor de automatische bewatering in het begin nog niet werkte dreigden de planten in het voorjaar al uit te drogen en liepen daardoor een groeiachterstand op. De scheutenproductie viel in het eerste jaar tegen maar in de herfst was de bak al gevuld met dikke wortelstokken.
In het voorjaar van 2004 zorgden de nieuwe scheuten voor een spektakel.
Tegelijkertijd liep er een ander project bij een accountantskantoor van Deloitte & Touche. Dit is een van de nieuwe gebouwen op het kantorencomplex van het Flightforum vlakbij het vliegveld Welschap bij Eindhoven. De architect had op de binnenplaats, omgeven door kantoren, twee bakken in de vorm van een in tweeen gedeeld schip getekend. Deze moesten worden uitgevoerd in cortenstaal. Elke bak moest 5 meter lang en (op het breedste punt) 180 cm breed worden. Ook toen nam ik voor de uitvoering weer contact op met Tim Kloet. De bouw van de bakken werd uitbesteed. De kantoren om de binnenplaats waren vrij hoog zodat er alleen indirect licht was. Dit bepaalde de keuze van de soort bamboe. Semiarundinaria viridis heeft genoeg aan halfschaduw en de halmen blijven ook dan rechtop staan. Voor een direct resultaat werd er meteen voor grotere planten gekozen.
Nu (2007) zien de bamboes van beide projecten er vitaal en gezond uit.
In een ontwerp voor de tuin van het museum BE-PART in Waregem, België, heeft de Belgische tuin- en landschapsarchitect Denis Dujardin op grote schaal Phyllostachys aurea toegepast. Deze beplanting houdt het in het milde klimaat van West België al bijna 15 jaar vol en is momenteel ongeveer 5 meter hoog. Bij een laatste bezoek was er wel sprake van achterstallig onderhoud.
Professionele begeleiding is bij projecten met bamboe altijd de belangrijkste factor, alleen dan kan een aanplant overleven met behoud van de uitstraling. Met elke wisseling van het onderhoudspersoneel kan het mis gaan.
De bamboetuin in de “Kasteeltuinen Arcen” (net over de Nederlandse grens bij Venlo) heeft zijn uitstraling vooral te danken aan de inzet van twee enthousiaste medewerkers. Hier is bijna het hele assortiment nieuwe bamboesoorten te zien, wwarvan veel planten al volwassen.
Ook in de volgende publieke tuinen is het nieuwere bamboeasssortiment te zien.
In de tuinen van “Schloss Dyck” in Jüchen (nabij Neuss) is in 2005 een begin gemaakt met een beplanting van bamboe. Hier werd uitgegaan van groot plantmateriaal.
Ook de “Botanische tuin van Hamburg” heeft een groot bamboeassortiment.
En de “Botanische tuin Utrecht” (NL)heeft enkele jaren geleden een groot deel van de tuin herbeplant met de belangrijkste nieuwe soorten. Er zijn hier mooie combinaties met vaste planten te zien.
In en om het “Arboretum van Bokrijk” (‘Park Midden Limburg') in België staan grotere uitgegroeide bestanden van zowel nieuwe als oudere soorten. Een enorme Phyllostachys nigra “Boryana” steelt met een hoogte van wel 12 meter de show.
|
Jos van der Palen Gartenpraxis Nr. 1/2007  |
|
|
 |
| Begeleidingsplanten in tuinen met bamboe. |
_img_0.jpg) |
Meestal zijn tuinen opgebouwd uit een hoofdbeplanting met daaromheen de begeleidende planten. Met bamboe als hoofdbeplanting kan er samen met nauwkeurig uitgezochte begeleidingsplanten een avontuurlijke manier van tuinieren ontstaan.
Hogere bamboes hebben het vermogen om een tuin een tijdloze uitstraling te geven. De hoge halmen en beweeglijke bladeren houden de beplanting in alle seizoenen overeind en juist om die reden worden ze steeds vaker toegepast. Met een verstandige keuze uit het wintergroene sortiment begeleidingsplanten kan men een tuin scheppen waar een doorsnee winter nauwelijks vat op heeft. Of men kiest juist voor ondergroei, bomen en heesters die met de seizoenen mee veranderen.
Door gebruik te maken van de variatie in bladgrootte, bladkleur, halmkleur, structuur en hoogte binnen het huidige sortiment kan alleen met bamboe al een boeiende tuin gemaakt worden. In Japan en China zijn hier treffende voorbeelden van te vinden. Maar de bodembedekkende bamboesoorten zoals Pleioblastus en Sasa die met hun fraaie, kleurrijke bladeren een prachtig contrast kunnen vormen met de hogere bamboes hebben voor een gemiddelde tuin eigenlijk een te grote uitbreidingsdrang. Het is raadzaam de bodembedekkende bamboes spaarzaam toe te passen en nauwkeurig te begrenzen. Of men maakt gebruik van gemakkelijkere begeleidingsplanten. Het werk dat hierdoor bespaard wordt kan men benutten voor het goed inperken van de hogere soorten zoals Phyllostachys, Pseudosasa en Semiarundinaria die in dit type tuin onmisbaar zijn. Samen met de hogere, niet woekerende Fargesias bepalen deze bamboes in feite de verschillen in niveau en zorgen ze tegelijkertijd voor de dynamiek van beweging en geluid in alle seizoenen. Want bij elk zuchtje wind zijn de halmen al in beweging en hoort men het ritselen van de bladeren. Struiken en bomen zoals coniferen, Prunus, Ilex of Rhododendron hebben veel meer een statisch karakter en kunnen door deze eigenschappen gebruikt worden om als tegenwicht voor de beweeglijke bamboe te dienen.
Sommige siergrassen, vaste planten en winterharde “exoten” lenen zich goed om zich in een tuin met grote verschillen in zon en schaduw of nat en droog te kunnen handhaven. De planten die hier aan bod komen kunnen een tuin met bamboe (en zelfs zonder bamboe) op een avontuurlijke manier verrijken. Ze kunnen als uitgangspunt dienen om de kleurige halmen te omlijsten en de lineaire vormen te versterken. Ontdek de kunstenaar in uzelf en ga met deze en alternatieve planten aan de slag. |
_img_1.jpg) |
| 1 Yucca. 2 Asarum europaeum. 3 Hakonechloa macra. |
Een wintergroene tuin
Wintergroene Zeggen
Door hun uiterlijk wordt Carex (een zegge) nogal eens bij de grassen ingedeeld maar dit geslacht heeft zich hiervan al miljoenen jaren geleden afgesplitst. Sommige in pollen groeiende Carex-soorten kunnen zeer doeltreffend zijn als omlijsting van bijvoorbeeld Phyllostachys. De naar beneden gebogen bladeren vormen een krachtige tegenbeweging met het opgaande lijnenspel van de kleurige halmen. En het zijn ook gemakkelijke, goed te controleren bodembedekkers. De sterkste wintergroene soort is Carex oshimensis (synoniem Carex oshimensis 'J.S.Greenwell'; incorrect synoniem: Carex hashijoensis). Deze nog niet zo bekende diepgroene bodembedekker verdient zeker dezelfde aandacht als de inmiddels populaire bonte vorm “Evergold”. De glanzende pollen met smalle bladeren overleven zelfs strengere winters in zon en schaduw, kunnen tot 40 cm hoog worden en een diameter van zeker 50 cm bereiken. Zelfs langere perioden met droogte worden goed verdragen. Daardoor kan deze Carex als elementaire onderbeplanting een belangrijke rol vervullen op plaatsen waar diepgroen en wintergroen verlangd wordt. De witbonte variëteit 'Evergold' is wat kleiner, heeft verder dezelfde eigenschappen en verschaft een oplichtende kleur.
De volgende soorten groeien beter in halfschaduw tot schaduw: Carex morrowii 'Variegata', de meest algemene zegge, is vergelijkbaar met Carex oshimensis maar oogt wat fletser. De bladeren hebben dunne witte bladranden en zijn wat breder. Carex morrowii ‘Icedance’ trekt door bredere geelbonte bladranden meer de aandacht en breidt zich wat sterker uit. Carex conica 'Variegata' (Hime Kansuge) heeft fijne smalle bladeren, omlijst door een subtiele witte randje. Met een groeihoogte van 10 tot 20 cm is dit een van de laagste goed wintergroene voorbeelden. De hoogste wintergroene zegge, Carex pendula, is geschikt voor verwildering en groeit zelf op plaatsen met diepe schaduw en arme grond. Deze soort heeft brede diepgroene bladeren en zaait zichzelf spontaan uit maar planten zijn wel gemakkelijk te verwijderen wanneer ze niet gewenst zijn. |
_img_3.jpg) |
4 Phyllostachys aureosulcata ‘Aureocaulis’ met Euphorbia characias en Carex oshimensis.
5 Carex morrowii ‘Variegata’.
6 Asplenium scolopendrium.
7 Ophiopogon planiscapus ‘Nigrescens’.
8 Ophiopogon japonicus ‘Nana’. |
Wintergroene varens
Ook wintergroene varens misstaat niet in zo’n tuin. Polystichum aculeatum (naaldvaren) is een opvallende soort met glimmende donkergroene bladeren die tot 50 cm hoog worden. Polystichum setiferum is een goed wintergroene varen met vele cultivars waarvan “Pulcherrimum Bevis” een beproefde variëteit is. Ook de tongvaren, Phyllitis scolopendrium, is er in talloze variëteiten. Het niet verdeelde blad is lang en leerachtig en kan bij sommige vormen wel 30 cm of langer kan worden. Binnen de wereld van de varens valt er regelmatig iets nieuws te ontdekken. Op een tegen wind en zon beschutte plaats is in de zachtere gebieden van Duitsland de spectaculaire Woodwardia radicans in de meeste winters wintergroen en onverwacht winterhard. De soms meer dan een meter lange bladeren kunnen in combinatie met andere planten een dramatisch oerwoudeffect oproepen.
Andere groenblijvers
Euphorbia characias heeft een blauwachtige bladkleur en is hiermee in een tuin het hele jaar door markant aanwezig. Talrijke variëteiten worden aangeboden die onderling nogal afwijken in winterhardheid, hoogte, bloemgrootte en bloemkleur. Enkele variëteiten van Euphorbia characias overleven temperaturen tot – 20 °C. en zijn geschikt voor gebieden met wijnbouw. Hoewel een zonnige plaats ideaal is verdragen Euphorbias op goed doorlatende grond ook halfschaduw en concurrentie van wortels. Vroeg in het voorjaar beginnen de bloeiwijzen zich te ontwikkelen en in de maanden maart, april en mei trekken de meestal kanariegele bloemen de volle aandacht. Wanneer de zaden zich gaan vormen neemt de bloeikleur in intensiviteit af en mogen de bloemen weggesnoeid worden. De plant zelf blijft de rest van het jaar volop present. Bij vorst krimpt het blad tijdelijk ineen om vochtverlies te voorkomen. Characias is niet de enige, er zijn veel meer wintergroene Euphorbia-soorten te vinden!
Hedera helix (klimop) is als gemakkelijke bodembedekker te verkrijgen in vele kleuren en bladvormen. Vergelijkbaar in gebruik is Vinca minor (maagdenpalm) die eveneens snel de grond kan afdekken met glanzende blaadjes. Enkele wintergroene Epimedium-soorten kunnen zich op een plaats met veel wortelconcurrentie moeiteloos staande houden. Langzamer groeien de grasachtige wintergroene lelietjes Liriope en Ohiopogon. Liriope muscari “Ingwersen” is een goed winterharde en rijk bloeiende variëteit met blauwpaarse bloemen in augustus en september. Ophiopogon planiscapus 'Nigrescens' blijft winterzwart tot zeker – 20 °C. Deze bodembedekker vormt op zonnige tot halfbeschaduwde plaatsen op den duur een aaneengesloten zwart (donker purper) tapijt. De violette onopvallende bloemetjes in de zomer en de zwarte bessen in de herfst verraden dat we niet met een gras te doen hebben. Zeldzamer maar sterker in groei is de groene vorm Ophiopogon planiscapus. Ophiopogon japonicus 'Nana' (Minor) vormt een lage aaneengesloten begroeiing van nauwelijks 10 cm hoog maar heeft wel tijd nodig om dit voor elkaar te krijgen. De wintergroene Assarum europeum voelt zich het beste thuis op vochtige plaatsen in de schaduw en halfschaduw.
Onmisbaar in een wintergroene tuin is de Italiaanse aronskelk. De kruidachtige glanzende groene bladeren van Arum italicum geven een tuin zelfs midden in de winter nog een zomers accent. De merkwaardig veranderingen die zich in de loop van een groei-jaar voordoen moeten worden toegelicht: De onopvallende groene bloemen in het voorjaar die verscholen tussen de bladeren staan worden gevolgd door trossen groene bessen op steeltjes. Juli is de maand waarop al het blad verdwijnt en dan staan de inmiddels fel oranje zaadkolven alleen. In september verschijnen vanuit de knollen weer nieuwe bladeren en die blijven tot de volgende zomer. Bij vorst is het schrikken want dan liggen de bladeren als gekookte spinazie op de grond. Maar bij dooi staat dit kwetsbaar uitziende loof weer fris overeind. Op vrij vochtige halfbeschaduwde plaatsen houdt deze Arum zich goed in stand en kan zichzelf wat uitzaaien. De plant is op de meeste plaatsen voldoende winterhard en kan met enige winterbescherming zelfs in omgeving van München geprobeerd worden. Bij de variëteit 'Marmoratum' zijn de bladeren bont gemarmerd
Voor afwisseling in structuur en vorm kunnen winterharde heesters met grotere bladeren zoals Camellia japonica, Magnolia grandiflora, Prunus laurocerasus, Rhododendron of Ilex toegepast worden. Ga wel op onderzoek uit welke variëteiten en soorten genoeg winterhard zijn in uw omgeving. Fatsia japonica houdt het bijvoorbeeld op veel beschutte plekken in de mildere gebieden al decennia lang uit. Dit geldt ook voor Trachycarpus fortunei die in midden China een natuurlijke begeleidingsplant van bamboe is. Winterbeschutting in strenge winters is echter aan te raden. Enkele soorten Yuccas zijn winterhard en vochtbestendig genoeg om in de zon of halfschaduw een plaats te geven. Yucca filamentosa is zo’n beproefde soort en de blauwige zwaardvormige bladeren misstaan in zo’n tuin zeker niet. Ook coniferen kunnen wat toevoegen, zoals de diep groene Taxus baccata die als donker decor achter het levendige groen van bamboe buitengewoon krachtig werkt. |
_img_4.jpg) |
9 Variatie in bladgrootte.
10 Woodwardia radicans. |
_img_5.jpg) |
11 Diverse beplanting
12 Fatsia japonica.
13 Cautleya spicata ‘Robusta’.
14 Liriope muscari ‘Ingwersen’.
15 Arum italicum ‘Marmoratum’. |
Niet wintergroen begeleidingsplanten
Siergrassen
Binnen het moderne assortiment is gras niet alleen maar groen. Het palet omvat bijna alle kleuren van de regenboog. Bij sommige soorten is de bladkleur zo opvallend dat de grenzen van intensiviteit bijna zijn bereikt. In de schilderkunst en de fotografie worden trucs gebruikt om kleur intenser te maken. Met een paar rode klaproze maakte van Gogh het groen van de grasvelden in zijn schilderijen nog groener. Deze optische kunstgreep werkt in de schilderkunst en de fotografie maar ook in een groene tuin. Hiervoor is er geen beter gras te bedenken dan een groepje Imperata cylindrica “Red Baron”. Zorg wel voor een humusrijke zonnige plaats. In de nazomer verdiept zich de kleur rood en intensiveert gelijktijdig het groen van de omgeving. De goudgele bladeren van Hakonechloa macra 'Aureola' lichten een beschaduwde plaats op als door de zon beschenen en de gebogen smalle bladeren van de robuustere groene vorm Hakonechloa macra lijken in het groeiseizoen wel op een lagere bamboe.
Andere soorten zijn in kleur wat bescheidener maar door de verscheidenheid aan tinten en vorm zijn ongelofelijkste combinaties mogelijk. Een aantal gemakkelijk toe te passen soorten en variëteiten kan met hun groot scala aan vormen en kleuren een tuin aanzienlijk verfraaien. Deschampsia caespitosa 'Goldtau' groeit in compacte diepgroene pollen waar in de vroege zomer de korte open bloeiaren bovenuit steken. Een van de betere blauwige bodembedekkers op lichte plaatsen is Sesleria caerulea. Het blad is tweekleurig met een diepgroene bovenkant en blauwwit beneden. Wat hoger wordt de grijsblauwe Sesleria nitida met stugge vrij opgaande bladeren. Panicum virgatum ‘Northwind’ vormt op een lichte plaats in dezelfde kleurtinten een opgaande manshoge zuil. ‘Heavy metal’ blijft met een hoogte van ongeveer 160 cm wat lager,
In kleine tuinen zijn de hogere bloeiende Miscanthussen moeilijk te combineren met bamboe. Deze typen hebben ruimte om zich heen nodig en op te kleine plaatsen ontstaat er snel een warrige situatie. Gemakkelijker in gebruik zijn de soorten die niet bloeien zoals Miscanthus sinensis 'Morning Light' of ‘Gracillimus’. Bij wat meer ruimte en licht kunnen deze en de in ronde pollen groeiende Miscanthus sinensis ‘Adagio’ toegepast worden zonder dat de omgeving erdoor gedomineerd wordt. Het loof van ‘Adagio’ wordt ongeveer een meter hoog en daar bovenuit steken in de nazomer halmen van 60 tot 80 cm. |
_img_6.jpg) |
Vaste planten.
De mogelijkheden die onder deze categorie vallen zijn te omvangrijk om er nu diep op in te gaan. Hosta’s zijn als grootbladige bladaccenten prima te gebruiken maar men moet wel de slakken de baas blijven. Cautleya spicata Robusta is een behoorlijk winterharde gember-achtige en bloeit al in juli of augustus met geel/oranje bloemen. Deze prachtige bladplant groeit het beste in humusrijke bodem op plek in de halfschaduw. Een winterdek van bladeren kan geen kwaad. Er wordt met meer soorten uit de familie van de gember geëxperimenteerd. Bomen en heesters met karakteristieke bladvormen zoals Acer (esdoorn), Cercis siliquastrum, Albizzia julibrissin 'Ombrella', Pauwlonia tomentosa zijn in tuinen waar ze winterhard genoeg zijn en ook nog genoeg ruimte hebben zonder te veel risico uit te proberen.
De beschreven planten komen uit een met ons klimaat te vergelijken biotoop en zijn wat betreft uitstraling goed met elkaar te gebruiken. Er zullen hier nog heel wat soorten niet genoemd zijn die het ook in zich hebben een tuin boeiender te maken. Met Musa basjoo, Oleander of Olijf komen we meer terecht in warmer of droger groeiklimaat. Voor sommigen is dit een stap te ver. Voor anderen begint hier pas het echte “Exotisch tuinieren”.
Jos van der Palen
Eerder gepubliceerd in Gartenpraxis  |
|
 |
Fargesia 'Rufa'
Een nieuwe bamboe met de naam Fargesia rufa duikt de laatste tijd steeds vaker op in kwekerijen en tuincentra. Nauwelijks 6 jaar na de introductie in Europa wordt deze soort inmiddels grootschalig aangeboden. In het volgende portret zijn mijn ervaringen samengevat. |
 |
Gansu 95 - 1 en Gansu 95 - 2
In het voorjaar van 1995 kreeg ik een fax van de botanische tuin van Shanghai met de volgende informatie. Een medewerker had in het zuiden van de Chinese provincie Gansu twee bamboes verzameld en meegenomen. Mogelijk zou het om de soorten Fargesia spathacea en Fargesia nitida gaan.
Ook de volgende belangrijke gegevens werden verstrekt: de verzamelplaats lag tussen 1800 en 2500 meter hoogte.(34° 20 noorderbreedte, 106° oosterlengte) De gemiddelde jaartemperatuur was 8° C., het winterminimum - 16.8° C. en het zomermaximum 29.6° C.
Er werd gevraagd of er interesse was. Deze bamboes moesten ook hier mogelijkheden hebben, dus werden ze besteld.
Van elke soort ontvingen we enkele kleine maar levenskrachtige planten die zich na een moeilijke start goed ontwikkelden. We besloten ze voorlopig Gansu 95 - 1 en Gansu - 2 te noemen.
Eerste ervaringen
De jonge planten van Gansu 95 - 1 (door de verzamelaar Fargesia spathacea genoemd) vielen al snel op door hun enorme groeikracht. De vroege nieuwe scheuten hadden in de zomer volop blad en in de nazomer werden voor de tweede keer krachtige nieuwe scheuten gevormd. Zelfs die gingen met bladeren de winter in.
De grootste plant kreeg in de herfst een plaats in mijn tuin. De daarop volgende winter was zacht en daardoor geen echte test voor winterhardheid. Wel werd duidelijk dat het blad zich, anders dan bij Fargesia murieliae en Fargesia nitida, bij droogte, vorst en zon niet oprolde. Zelfs van een gedeeltelijke bladafstoting vlak voor de winter, zoals dat bij veel Fargesia's gebruikelijk is, was nauwelijks sprake. De plant ging de winter in zoals hij 9n de herfst was, met veel intens groene, glanzende sierlijke bladeren.
Toen kwam de winter van 96/97 met veel vorst en wind. Het laagst gemeten minimum in Valkenswaard in Holland was ongeveer - 19°C. en de meeste bamboesoorten in mijn tuin kwamen min of meer gehavend de winter door. De plaats waar deze bamboe stond trok in het daarop volgende voorjaar ieders aandacht met een wolk van bijna onberispelijk groen gebleven bladeren. In het noorden van Holland bevestigde ook collega-kweker Hans Prins de uitzonderlijke kwaliteiten van deze bamboe als groenblijver. Daar was het met - 21°C nog wat kouder. Ook in Stockdorf bij München in de tuin van Max Riedelsheimer overleefde deze bamboe de 1999/2000 winter met meer dan 21°C vorst zonder veel schade. Lange zware vorstperioden met droge continentale wind worden echter door deze bamboe minder goed verdragen dan door de bladrollende typen.
Meer duidelijkheid
Intussen weten we meer over Gansu 95 -1. Al in april, ongeveer gelijk met de duidelijk verwante Fargesia robusta, komen de nieuwe scheuten boven de grond. Eigenlijk te vroeg omdat de jonge spruiten vorstgevoelig zijn en er in deze maand nog nachtvorst kan voorkomen. Gelukkig kent deze bamboe een tweede groeiperiode in de nazomer, mocht het de eerste keer misgaan.
Directe zon wordt op een humusrijke niet te droge plek goed verdragen, maar halfschaduw is ideaal. De eindhoogte zal 2 tot 3 meter zijn met zwaar bebladerde takken die sierlijk doorhangen. Nieuwe halmen vormen zich telkens 5 tot 15 cm van de moederplant zodat het halmoppervlak na 5 groei-jaren een doorsnee van anderhalve meter kan bereiken en de gehele plant dan al meer dan drie meter breed is. Deze bamboe maakt dus in tegenstelling tot bijvoorbeeld Fargesia murieliae bij de vorming van nieuwe halmen vrij lange ondergrondse bogen (bochten) en neemt zeker twee tot drie maal zo snel plaats in. Gelukkig kennen Fargesia's geen horizontale uitlopers die een bedreiging voor vijvers of bestrating vormen en wortelt deze bamboe erg oppervlakkig. Als goed te controleren wintergroene bamboe op een niet te kleine groeiplaats is deze soort zeker een aanwinst. Eigenlijk zou deze nieuwe Fargesia het best tot zijn recht komen als oplichtende accentplant in parken en ruime tuinen. Op zulke plaatsen kan het krachtig groene beweeglijke blad en het wolkige silhouet een dynamisch contrast vormen met bijvoorbeeld de statische diepgroene Rododendrons, laurierkers of taxus.
De benaming
De door de chinezen meegegeven naam Fargesia spathacea was eerder al eens ten onrechte aan Fargesia murieliae en later aan Fargesia nitida gegeven en paste ook deze keer niet.
In zuid Gansu groeien maar enkele bamboesoorten: Yushania confusa werd al snel uitgesloten en Fargesia dracocephala kenden we al. Toen kwam Fargesia rufa naar voren. De visuele gelijkenis met de twee foto's in het belangrijkste Chinese bamboeboek "A Compendium of Chinese Bamboo" en ook de groeiplaats en de planthoogte wezen sterk in die richting. Vanaf die tijd ging deze goed in het gehoor liggende naam door een snelle verspreiding van deze bamboe onder kwekers en bamboeliefhebbers een eigen leven leiden, o.a. door massaproductie in meristeem weefselkweek.
Intussen zijn er toch weer twijfels ontstaan over de benaming. Bij meer nauwkeurige bestudering combineert deze bamboe zowel eigenschappen van Fargesia dracocephala èn Fargesia rufa, beide inheems in hetzelfde gebied. De in het wild groeiende bamboes laten zich nu eenmaal niet zo snel indelen in het door mensen gemaakte kader van de soorten.
Mijn voorstel is om deze bamboe waarvan de naam Rufa al zo is ingeburgerd voorlopig Fargesia 'Rufa' te noemen. Mocht er in de toekomst duidelijkheid en overeenstemming over de benaming zijn dan kan de soortnaam er eenvoudig tussen gevoegd worden.
Jos van der Palen 
|
|
 |
Fargesia utilis
Fargesia utilis woekert niet, heeft in vergelijking met andere Fargesia's dikke halmen en is redelijk winterhard. Deze zeldzame combinatie van eigenschappen zou een fel begeerde bamboe kunnen opleveren, maar een volwassen Fargesia utilis heeft een heel eigen karakter. Door een wirwar van halmen en bladeren lijkt deze soort eerder op zijn plaats in een oerbos dan in een stadstuin.
Deze bamboe groeit in het noordoosten van de Chinese provincie Yunnan bij Tungchuan (Dongchuan) op hoogten tussen 2700 m en 3650 m. Al in 1979 werd plantmateriaal verzameld. Hiervan ontving Max Riedelsheimer een kleine plant die maar ternauwernood overleefde. Na enkele jaren kwam deze bamboe als 'Tung Chuan 3' in het circuit van kwekers en verzamelaars terecht. Alle planten die hier in cultuur zijn stammen van dit ene individu. Na wat zoekwerk en correspondentie met China werd al snel duidelijk dat dit de recent beschreven soort Fargesia utilis moest zijn.
Het eerste wat bij Fargesia utilis meteen opvalt, is de massa fijne wat hangende bladeren. Dit fijne loof lijkt wel wat op het blad van Fargesia nitida maar voelt wat zachter aan. De grote papierachtige schutbladeren zijn lang, overlappen elkaar en blijven soms jaren zitten. Ze vormen een ideale schuilplaats voor kleinere insecten en zijn bij vochtig weer een groeiplaats voor schimmels. Om de uitgegroeide halmen beter tot hun recht te laten komen, kunnen deze schutbladeren beter verwijderd worden.
De groeiwijze van deze bamboe is opvallend. De halmen hangen aan de top zwaar door en kunnen met een uiteindelijke hoogte van bijna 5 meter en een diameter van 2 tot 3 cm 'echte' bamboeproporties aannemen. Deze halmen zijn vooral dik aan de basis en richten zich vanuit de bodem met een lange boog op. Hierdoor ontstaat er een groep vrij ongeordende stengels die wijd uithangen en die ook veel plaats in kunnen nemen. In het begin nam iedereen aan dat deze groeiwijze bij de soort hoorde maar achteraf bleek dit geen typische eigenschap van Fargesia utilis te zijn. In het gebied waar deze bamboe verzameld is groeien vooral planten met meer recht opgaande halmen. Men heeft juist van een afwijkend exemplaar een deel verzameld. Misschien wel omdat er van een struik met schuine halmen gemakkelijker wat af te halen was. Eigenlijk zou er iemand opnieuw deze berg op moeten gaan om mooier groeiende exemplaren van deze soort te verzamelen.
Fargesia utilis is een bamboe voor wat de mildere streken , een tegen wind beschutte, wat beschaduwde groeiplaats is belangrijk. Lange vorstperioden met zon en droge wind verdraagt deze bamboe slecht. In de strenge winter van 1996/1997 zijn in mijn tuin te Valkenswaard (Nederland) bij een minimum temperatuur van - 19 ?C de nieuwe in het voorafgaande jaar gevormde halmen teruggevroren. De oudere halmen waren hun blad kwijt maar dit herstelde zich al vroeg in het voorjaar. De vorming van de nieuwe scheuten was wat zwakker omdat een niet woekerende soort niet veel energie in de wortels kan opslaan. Fargesia utilis lijkt met zo'n winter wel de grenzen van zijn winterhardheid bereikt te hebben.
Deze bamboe is te gebruiken op ruimere plaatsen waar een weelderige vegetatie gewenst is. De dramatiek die door het overdadige blad en de wirwar aan halmen bij volwassen planten ontstaat, roept gemakkelijk vergelijkingen op met tropische regenwouden en verre geheimzinnige oorden.
Jos van der Palen 
|
 |
De 'rode' Bamboe
Fargesia sp. Jiuzhaigou 1 (Fargesia sp. Jiu)
Eind jaren 80 bezocht een Duitse apotheker het natuurpark Jiuzhaigou in het noorden van de Chinese provincie Sichuan. Op 3000 meter hoogte zag hij een bamboesoort massaal in bloei staan. In een natte zakdoek werden zaailingen meegenomen naar midden Duitsland. Daaruit ontwikkelde zich een uiterst sierlijke en kleurrijke bamboe.
Lange proeftijd.
Zo'n 12 jaar geleden kreeg ik een plantdeel met 3 halmen waarvan ik 3 planten kon maken.
Eén plant kreeg een plaats in de tuin in Valkenswaard, Nederland en de rest werd vermeerderd en onder verzamelaars en kwekers verspreid. Intussen, na een flinke proeftijd met ervaringen uit alle uithoeken van Europa en Noord Amerika, weten we veel over de eigenschappen van deze bamboe. Nu is Fargesia sp. Jiuzhaigou 1 alleen nog bij de meer gespecialiseerde bedrijven te koop maar doordat enkele kwekerijen deze plant al jarenlang intensief in de volle grond vermeerderd hebben, komt daar langzaam verandering in.
Het bamboebos in de wolken. [Bamboo cloud forest belt (SCHALLER, 1985)].
Voor 1970 nam bamboe in de hooggelegen nevelwouden (tussen 2700 en 3200 m.) van het Jiuzhaigou park ca. 60 tot 90 % van de vegetatie in. De vaak aaneengesloten begroeiing van de daar groeiende Fargesia domineerde de rest van de vegetatie en bemoeilijkte de groei van struiken en bomen. Door de bloei in de jaren 70 en 80 zijn alle oude bestanden afgestorven en profiteerden bomen en struiken weer tijdelijk van de ontstane ruimte. De nieuwe bamboezaailingen hebben zeker10 tot 20 jaar nodig om weer het formaat van de ouders te krijgen. In een tijdsbestek van ongeveer 100 jaar zal ook deze nieuwe generatie bamboeplanten weer massaal in bloei gaan en herhaalt zich alles. Wat overigens een probleem is voor de panda's die in dit gebied voorkomen. Zij zijn voor hun voedsel geheel afhankelijk van bamboe en tijdens deze bloeiperiode zijn er tientallen dieren omgekomen.
Begin jaren 80 was het Jiuzhaigou park in het noorden van de Chinese Provincie Sichuan nog maar net open voor het publiek. De weg van de hoofdstad Chengdu naar dit natuurreservaat was toen nauwelijks begaanbaar waardoor de reis soms dagen duurde. In die tijd stond de bamboe (men dacht toen dat het Fargesia nitida was) in volle bloei en tussen de dorre takken van de afgestorven planten waren overal jonge zaailingen te vinden. Enkele hiervan zijn toen al met de eerste bezoekende toeristen meegelift naar Europa, en dit zijn nu de vormen die we het beste kennen.
Intussen is dit prachtige natuurgebied met Tibetaanse dorpen, heldere meren, hoge bergen en een rijke vegetatie goed en snel bereikbaar vanuit Chengdu. Hierdoor is het Jiuzhaigou park uitgegroeid tot een toeristische attractie bij uitstek. De bamboes zijn op veel plaatsen nog steeds bezig om volwassen te worden. Merkwaardig is dat er zelfs nu nog vele erg jonge zaailingen te vinden zijn. Als 'souvenir' zijn er de laatste jaren steeds weer nieuwe plantjes meegenomen naar Europa en die laten nogmaals zien hoe groot de natuurlijke variatie van deze prachtige bamboe is.
Soort of ondersoort ?
Door de Chinezen was destijds al melding gemaakt van bloei van Fargesia nitida in dit gebied [(Mitford) Keng] , maar de meegebrachte planten waren toch echt anders. Onlangs is door een vergelijkend DNA onderzoek gebleken dat Fargesia sp. Jiuzhaigou niet geheel bij Fargesia nitida hoort maar er wel erg dicht in de buurt komt. Eigenlijk zou men de verwantschap tussen een aantal Fargesias, die nu in centraal China voorkomen, moeten zien in het licht van de migratie. Deze migratie begon in het Westelijk deel van China waar de winters mild zijn en liet onderweg in streken met echte winters Fargesia sp. Jiuzhaigou en de eveneens verwante Fargesia denudata achter. Uiteindelijk eindigde deze reis in het verspreidingsgebied van de tot nu toe meest winterharde Fargesias: Fargesia nitida en Fargesia murieliae.
Overeenkomsten zijn er genoeg: Bij beide bamboes rolt het dunne blad zich bij vorst, zon en droogte op. Ook de bijna even grote winterhardheid ( tot - 25 °C) en het niet altijd zo mooi groene winterbeeld zijn vergelijkbaar.
Een belangrijk verschil vormen de schutbladen op de halmen.
Bij Fargesia nitida blijven deze soms jaren zitten en geven de plant op den duur een wat slordig en rietachtig uiterlijk. Maar bij deze Fargesia uit het Jiuzhaigou park vallen alle schutbladen van de nieuwe halmen binnen een jaar af. Hierdoor wordt de stengel en de stengelkleur bij deze bamboe veel beter zichtbaar.
De kleur.
De vaak gebruikte benaming 'rode bamboe' zorgt soms voor misverstanden, omdat Fargesia sp. Jiuzhaigou 1 niet het hele jaar deze kleur heeft. Bij deze kloon kunnen de halmen in de voorjaarszon naar intens rood verkleuren. In de loop van de zomer gaat deze kleur over naar meer oranjegeel en in de nazomer vormen zich daartussen de nieuwe diepgroene halmen. De voor deze bamboe zo typische roodverkleuring is het sterkst in de zon in de maanden maart, april en mei. Er zijn nu ook nieuwe Jiuzhaigou-klonen bekend die nauwelijks verkleuren en vormen die nog intenser rood of zelfs diep purper kunnen worden.
De groeiwijze.
Fargesia sp. Jiuzhaigou 1 behoort net als alle andere Fargesia's tot de niet woekerende bamboes. Elk jaar, meestal in de nazomer, vormen zich vlak bij de plant de nieuwe halmen die zich dan nauwelijks of niet vertakken. Hierdoor wordt de plant maar langzaam breder. De groei is opgaand met enigszins overhangende toppen. Oudere halmen kunnen verder doorhangen. Maar omdat de plant in november als wintervoorbereiding een gedeelte van het blad afstoot is het wintersilhouet altijd strak opgaand. Met een hoogte van 2 tot 3 meter is deze bamboe een goede keuze als haagplant. Op humusrijke, niet uitdrogende grond verdraagt Fargesia sp. Jiuzhaigou 1 de zon goed.
Winterhard en wintergroen.
Vaak worden deze twee begrippen door elkaar gehaald. Maar zeker bij bamboe zijn winterhard en wintergroen verschillende eigenschappen. Zo hebben de Fargesia's uit Jiuzhaigou bewezen zeker temperaturen tot - 25 ° C te kunnen overleven, soms nog gedeeltelijk met groen blad. Maar net als Fargesia nitida kan deze bamboe na een winter met harde droge landwind en felle zon al bij -10 °C bijna ontbladerd zijn. Toch staan in april of mei de takken altijd weer vol met kleine sierlijke papierdunne bladeren. Eigenlijk is Fargesia sp. Jiuzhaigou 1 in een droog landklimaat of bij extreem weer niet altijd wintergroen maar wel winterhard. In een vochtiger klimaat is deze bamboe meestal wel wintergroen en geeft met het fijne decoratieve blad een transparant filigrein winterbeeld.
Als voorbereiding voor de winter wordt in november op open locaties tweederde en op meer beschaduwde plaatsen eenderde deel van het blad diepgeel en valt af om de verdamping te beperken. Omdat er bij vorst, zon en droge wind nauwelijks of geen toevoer van vocht vanuit de wortels plaatsvindt, heeft het resterende blad een mechanisme ontwikkeld om zo weinig mogelijk vocht te verliezen. Het rolt zich dan helemaal op en verkleint zo het oppervlak. Onder extreme omstandigheden wordt als laatste redmiddel al het blad afgestoten.
De naam.
Men ging ervan uit dat de bamboe in het Jiuzhaigou park de soort Fargesia nitida was. Nadat mijn eerste drie halmen drie planten geworden waren, stuurde ik een plant op naar Max Riedelsheimer, bamboekenner van het eerste uur. Voor hem was het al snel duidelijk dat deze bamboe geen echte Fargesia nitida was zoals die botanisch beschreven is. Hij stelde de geïmproviseerde benaming Fargesia sp. Jiuzhaigou voor. Met deze wat moeilijk uit te spreken naam werd de plant verder verspreid. Toen er meer bamboes uit dit gebied kwamen werd deze plant Fargesia sp. Jiuzhaigou 1. Om de verwantschap met Fargesia nitida te laten zien werd ook nog Fargesia nitida aff. 'Jiuzhaigou' voorgesteld. Maar in de handel zat men te broeden op een meer commerciële naam. Her en der dook de naam Fargesia 'Sundance' al op. Gelukkig heeft de kwekerij die in 2003 deze bamboe op het Plantarium in Boskoop lanceerde, zich dichter bij de oorspronkelijke naam gehouden. Deze kwam met etiketten waarop de naam Fargesia sp. Jiu stond met daaronder het synoniem Fargesia sp. Jiuzhaigou 1 afgedrukt.
De bloei, een complex verhaal.
De bamboes in Jiuzhaigou bloeien ongeveer elke 100 jaar en met die verwachting is de volgende bloeiperiode er pas over 70 tot 80 jaar.
Maar hoe zeker is zeker in de wereld van bamboe, waar er steeds weer berichten opduiken van bloei, zelfs bij de bloeiveilig gewaande nieuwe generatie Fargesia murieliae.
Het volgende is zeker: een kweker uit Boskoop (NL) heeft tussen meer dan 100.000 zaailingen van Fargesia murieliae in 10 jaar tijd geen enkele bloeiende plant aangetroffen. Andere kwekerijen bevestigen dit en dat ligt in de lijn van de verwachting.
Zeker is ook dat alle vormen van Fargesia nitida die ontstaan zijn uit zaad, dat tijdens één bloeiperiode in 1886 door Berezovski in Zuid-Gansu in China verzameld is, meer dan 100 jaar nergens gebloeid hebben. De eerste bloeimelding van Fargesia nitida dateert uit 1991 en pas nu is de verwachte bloei van deze soort begonnen (inclusief Fargesia nitida 'Gansu', zie Garten Praxis 9/2000)
Waarom is een deel van de zogenaamde nieuwe generatie van Fargesia murieliae, waarvan men dacht dat ze bloeiveilig waren, toch gaan bloeien ? Momenteel breekt men zich hierover het hoofd en zijn er allerlei theorieën. Een begrijpelijk en kort verhaal hierover schrijven is op dit moment niet eenvoudig.
Waarschijnlijk zijn er al vanaf 1991 planten van de oude generatie, waarvan men dacht dat ze van de nieuwe generatie waren, in het laboratorium vermeerderd. Door vermeerdering in weefselkweek en het gebruik van groeihormonen kan het tijdstip van de bloei van deze oude generatie uitgesteld zijn. Deze planten zijn later met allerlei fantasienamen zoals Fargesia murieliae 'Favorit', 'Kranich' of 'Phönix' als nieuwe generatie op de markt gekomen. Steeds was er een klein gedeelte dat bloeide zodat men dacht dat er per ongeluk nog oude generatie tussen vermengd was. In 2003 begon op diverse plaatsen een veel groter deel van deze planten te bloeien en werd er in de kwekerswereld weer alarm geslagen. Volgens deze theorie behoren alle nu bloeiende planten tot de oude generatie.
De echte Fargesia murieliae 'Bimbo','Jumbo' en 'Simba' vertegenwoordigen de nieuwe generatie en bij melding van bloei van een van deze variëteiten is er waarschijnlijk sprake van verwisseling van etiketten . Dan hebben planten van de oude generatie door boze opzet of door vergissing de namen van deze bloeiveilig gewaande variëteiten gekregen. (NB: De halmen en zijtakken van de echte 'Jumbo' en 'Simba' krijgen in het voorjaar nooit een rode waas en 'Bimbo' is gemakkelijk aan het kleine blad te herkennen)
Wanneer er wel echte bloeiende 'Bimbo', 'Jumbo' en 'Simba' opduiken (ik heb er over gehoord maar ze nog niet gezien !) dan moet de oorzaak liggen in de vermeerderingsmethoden van sommige weefselkweekbedrijven.
Kunnen de nieuwe Fargesia's uit Jiuzhaigou vroegtijdig gaan bloeien?
Bij de traditionele vermeerderingsmethode van scheuren zoals die tot nu toe bij Fargesia sp. Jiuzhaigou 1 zijn gebruikt, zal dit niet binnen de eerste 70 tot 80 jaar gebeuren.
Eventuele weefselkweek in de toekomst hoeft niet bij voorbaat tot een voortijdige bloei te leiden. Maar door het experimentele en onoverzichtelijke karakter van sommige weefselkweekbedrijven kan er ergens wat mis gaan. Maar ook in deze branche geldt dat het ene bedrijf niet het andere is.
Verschillende typen met een langere proeftijd.
Fargesia sp. Jiuzhaigou 1 is momenteel de best verkrijgbare en best beschreven soort.
Dit is een opgaande soort met dikkere halmen en een goede roodverkleuring in de zon, die 2 tot 3 meter hoog wordt.
Fargesia sp. Jiuzhaigou 2 is het tweede bekende exemplaar uit het park en is al meer dan 10 jaar geleden door de Fransman M. Laferrere meegenomen. De halmen staan veel verder uit elkaar en missen de diepe roodverkleuring door de zon. Voegt weinig toe aan het Jiuzhaigou-sortiment.
Fargesia sp. Jiuzhaigou 'Genf' : Sterk groeiende vorm. Verkleurt in het voorjaar naar intens rood. Wordt hoger dan 3 meter. Er is zelfs een melding van ruim 5 meter in Zwitserland.
Fargesia sp. Jiuzhaigou Willumeit 4: Jonge halmen blijven lang donkerrood en kunnen doorkleuren tot bijna zwart (donker purper). Het blad is donkergroen en de hoogte ligt tussen 2 en 3 m.
Fargesia sp. Jiuzhaigou Willumeit 8; De dunne halmen verkleuren tot lichtend rood. De bladstand is uiterst sierlijk. Deze zwakker groeiende vorm wordt nauwelijks hoger dan 2 m.
Fargesia sp. Jiuzhaigou Willumeit 9; De dikkere wat doorhangende halmen kunnen van rood doorkleuren naar donker purper. Sterk groeiende vorm met een losse groeiwijze die 4 meter hoog kan worden.
Meer groeitypen zullen volgen !
Jos van der Palen 
|
 |
Drie Borinda's en een Fargesia
Welke nieuwe bamboes hebben nog iets toe te voegen aan ons te grote sortiment ? In dit artikel worden er vier spannende soorten beschreven. Het zijn vier buitenbeentjes waarover we langzaam wat meer te weten zijn gekomen.
De Borinda's
Nogal wat soorten die in het geslacht Fargesia ingedeeld waren, bleken een geheel afwijkende bloeiwijze te hebben. Chris Stapleton, wetenschappelijk medewerker bij Kew Gardens, heeft voor deze groep het nieuwe geslacht Borinda gecreëerd. Soms wordt dit type bij Yushania ingedeeld maar de rhizomen van beide groepen verschillen nogal van elkaar. Als we op een lijn gaan zitten met de soortenlijst van de ABS (American Bamboo Society) dan wordt Borinda de meest voor de hand liggende naam.
Borinda papyrifera ( Fargesia papyrifera)
Borinda papyrifera ( Fargesia papyrifera) staat in 'A Compendium of Chinese Bamboo' beschreven als een reus met dikke halmen die in de Chinese provincie Yunnan op grote hoogte (tot 3600 m.)voorkomt. Dit zou een niet woekerende bamboe zijn die 6 tot 8 meter hoog kan worden en halmen kan krijgen met een doorsnee van 6 centimeter. Zoiets spreekt tot de verbeelding. In 1995 dachten Hans Prins en ik deze soort samen met 6 á 7 nieuwe soorten (op nr.5 na allemaal Borinda's) als Yunnan nr. 2 te hebben geïmporteerd. Maar later bleek dit een nogal gelijkende en vorstgevoelige soort, Borinda albocerea, te zijn. Helaas zijn er enkele planten van deze Yunnan 2 als Fargesia papyrifera verspreid geraakt onder verzamelaars, die denken de soort nu al te hebben.
De enige (?) echte Borinda papyrifera is in 1995 door Chris Stapleton (zie hierboven 'De Borinda's') verzameld. In 1998 kreeg Mike Bell een deel van de plant en in 2001 kreeg ik weer de eerste deling van Mike.
Meteen toen ik de plant kreeg viel me de prachtige bladstand op. De groeikracht van deze kloon, die vanaf nu Borinda papyrifera (Stapleton 1046) heet is, enorm. Net als bij Yunnan 2 (Borinda albocerea) zijn de jonge halmen prachtig blauw berijpt en in de lengte fijn gegroefd. In het voorjaar van 2002 plantte ik mijn eerst vermeerdering uit. Een nieuwe scheut werd al meteen 2 meter hoog. In de loop van het jaar begon ik aan de winterhardheid te twijfelen. Met de winter in zicht hoopte ik op een wonder. Maar het zachte blad leek me niet echt geschikt om vrieskou te verdragen.
Tijdens de eerste vorstperiode was er een harde uitdrogende wind. Daarna zakte de temperatuur in januari tot ongeveer - 12° C en dit was duidelijk te veel voor Borinda papyrifera (Stapleton 1046) . Mijn zoektocht naar een dikke niet woekerende winterharde bamboe voor ons klimaat is nog niet voorbij. In de tuin van Chris Stapleton is Borinda papyrifera (Stapleton 1046) nu bijna 4 meter hoog. Deze tuin ligt ongeveer 50 km ten noorden van Londen en daar was dit jaar de minimum temperatuur - 5° C. Samen met een harde wind was dit geen enkel probleem voor het blad van deze bamboe en ook de blauwe waslaag op de halmen bleef gespaard. De verzamelaars in de mildere streken van Europa hebben er weer een geweldige bamboe bij.
Borinda muliensis (Fargesia Sichuan 987)
Ook het weelderige zachte blad van deze soort is niet opgewassen tegen strenge winters. Maar Borinda muliensis heeft in Zuid Duitsland al temperaturen van - 18° C overleefd. Door net als de omringende loofbomen bij de eerste vorst het blad te laten vallen beschermt de plant zich tegen uitdroging. Deze strategie maakt een geheel nieuw type bamboe geschikt voor ons klimaat. In de winter is het een dorre struik met hooguit een paar halfgroene blaadjes. Maar in het groeiseizoen is het uitbundige loof van Borinda muliensis het meest te vergelijken met vorstgevoelige Drepanostachyum en Himalayacalamus. Dit zijn niet winterharde soorten uit de Himalaya en kunnen alleen toegepast worden in gebieden met een mild zeeklimaat zoals Zuid Engeland en Ierland.
Mijn plant is nu ruim 2 meter hoog en ik denk dat deze bamboe zeker 4 meter hoog kan worden. De halmen zijn in verhouding tot de hoogte vrij dik. De beste groeiplaats is in de schaduw of halfschaduw op rijke vochthoudende grond.
Borinda muliensis ( Fargesia Sichuan 987) is in 1992 als zaad op 3690 m. hoogte verzameld op de Muli Co Kangwuliangzhi pas in Sichuan. Tussen 1993 en1997 zijn er zaad en zaailingen aan zeker 10 botanische tuinen en verzamelingen verstuurd. Naar mijn weten is hiervan later niets meer vernomen. Door het verlies van het blad in de winter zal men veelal gedacht hebben dat deze bamboe niet winterhard zou zijn. Hoe vaak zullen de kale halmen ten onrechte tot de grond terug gesnoeid zijn? Mijn plant komt van Mike Bell en pas nu, na ruim 10 jaar, ontdekken we de nieuwe mogelijkheden van deze bamboe.
Borinda frigidorum (KR 4059) (Fargesia frigida)
Borinda frigidorum (KR 4059) is nog een nieuweling met een geheel eigen karakter. Net als Borinda muliensis is ook deze soort bladverliezend. Waarschijnlijk is ook de winterhardheid gelijk. Het fijne blad lijkt wel wat op Fargesia sp. Jiuzhaigou of op Fargesia crassinoda. Borinda frigidorum (KR 4059) is door Keith Rushforth in 1996 op 3600 m hoogte verzameld op de Cang Shan bij Dali (Yunnan) . Deze kloon is sterk groeiend en kan tot ruim 3 meter hoog worden. Er is ook nog een kloon, Borinda frigidorum (Stapleton 1048), in omloop die veel lager blijft. In 'A Compendium of Chinese Bamboo' staat deze soort beschreven als Fargesia frigida. Volgens Chris Stapleton betekent frigida 'koud'. Het is niet erg aannemelijk dat het op de groeiplaats in de zomer ook koud is. Ook deze bamboe is door Chris bij de Borinda's ingedeeld en heet vanaf nu Borinda frigidorum, wat 'uit een koude plaats' betekent.
Fargesia yulongshanensis (Linder)
Wanneer we uitgaan van de beschrijving in 'A Compendium of Chinese Bamboo' dan hebben we met Fargesia yulongshanensis nog een reus onder de niet woekerende bamboes binnen handbereik. De plant zou tussen 5 en 7 meter hoog kunnen worden en de halmen zouden een doorsnede van 3 centimeter kunnen krijgen.
Eind jaren 90 is deze soort door Rob Linder, de huidige president van de Zwitserse afdeling van de European Bamboo Society, bij Lijiang in de Chinese provincie Yunnan verzameld. Fargesia yulongshanensis schijnt daar tot de onwaarschijnlijke hoogte van 4200 meter voor te komen. In zo'n zuidelijk gelegen provincie als Yunnan zegt dit nog niet alles over de winterhardheid. Misschien is Mike Bell hierdoor op een dwaalspoor gebracht en gaf hij in zijn boek 'Bamboe' aan, een winterhardheid van - 29° C te verwachten. Zelf ben ik al blij om te horen dat deze soort in zuid Duitsland -18° C heeft overleefd. Mijn plant staat er na deze winter met -12° C prachtig bij. Na drie groei-jaren zijn de hoogste halmen nu ruim twee en een halve meter maar lijkt deze kloon, Fargesia yulongshanensis (Linder), de 7 meter niet te gaan halen. De jonge halmen hebben een blauwachtige waas en verkleuren in de zon naar purperrood. Deze bamboe is als soort gemakkelijk te herkennen aan een ring van donkere haren rondom de knopen van de halm. De elegante, open stand van het leerachtige vrij kleine blad maakt van deze nieuwe Fargesia een opvallende verschijning.
Jos van der Palen 
|
 |
Bamboe: nieuwe introducties, nieuwe mogelijkheden.
Zo'n 15 jaar geleden was het op naam brengen van bamboe vrij eenvoudig. Vermeerderd uit een moederplant waren Pseudosasa japonica, Fargesia murieliae en Phyllostachys nigra in die tijd verspreid onder de eerste kwekers en verzamelaars. Toen was alles overzichtelijk. We wisten precies waaraan we deze soorten konden herkennen en er werd een begin gemaakt om nieuwe introducties in kaart te brengen. Uiteindelijk, dachten we, moest er een overzichtelijk raamwerk te vinden zijn, waarin alle soorten binnen de bamboefamilie helder en duidelijk op hun plaats konden vallen.
Maar toen we door introducties uit China en Japan veel nieuwe soorten leerden kennen bleek hier weinig van terecht te komen. Door de open deuren naar China zijn er veel in het wild verzamelde soorten naar het westen gekomen. Deze hebben zeker niet bijgedragen tot een beter overzicht. Ondanks de vele precieze soortbeschrijvingen die er van de soorten bestaan, vallen er steeds meer bamboes buiten de boot.
Het duidelijkst is deze beperking van een nauwgezette soortbeschrijving misschien wel te zien bij de nakomelingen van de eens zo vertrouwde Fargesia murieliae. Eerst wisten we waar we bij het determineren van deze soort precies op moesten letten. Nu varieert de hoogte van de nieuwe generatie van 50 cm tot misschien wel 5 meter. Er zijn planten zonder de typisch bemeelde halmen van de moederplant. Een roodachtige en een groene halmkleur komen voor. Er zijn schaduwvormen maar ook selecties die goed in de zon kunnen. Als we niet wisten waar ze vandaan kwamen dan zouden we hieruit met gemak 4 of 5 nieuwe 'soorten' kunnen selecteren. Op deze manier zijn er in de bamboewereld heel wat soorten benoemd die eigenlijk deze status niet verdienen. En elke botanicus kan zonder veel moeite zijn naam verbinden aan de ontdekking van zijn nieuwe soort. Eigenlijk zouden we, net als bij de Rododendrons, terug moeten naar een veel minder gekaderde indeling. Er zou veel meer in groepen en typen gedacht moeten worden om de bamboes in te delen. Wanneer er in de toekomst wat meer bekend is over de verwantschappen op DNA niveau kan hier misschien een begin gemaakt worden.
Het is te verwachten dat er in het enorme in het wild groeiende reservoir van bijvoorbeeld de soort Phyllostachys glauca reuzen en dwergvormen voorkomen. Er zullen opgaande en doorhangende typen zijn. Sommige zullen zeer winterhard zijn terwijl anderen misschien nauwelijks vorst zullen verdragen. Als alle wilde soorten deze variatie in zich dragen en onze kant opkomen dan moeten we het huidige determinatiesysteem wel overboord gooien.
In praktijk zijn er in het verleden ook in China heel wat in het wild gevonden superieure selecties in cultuur gebracht voor consumptie en bouwmateriaal. Na een bloeiperiode is er in de zaailingen geselecteerd en deze kregen weer namen en in onze tijd vaak ten onrechte een soortnaam.
Nog moeilijker maken het ons de hybriden. Kruisingen tussen verschillende soorten komen in het wild vaker voor dan men zou denken. Een aantal bamboes zoals Hibanobambusa tranquillans en Semiarundinaria zijn als zodanig al ontmaskerd. Veel anderen hebben nog steeds de status van een soort maar zelfs 'Sasaella' wordt door de franse botanicus Demoly voor een hybride aangezien. In het wild kunnen deze steriele hybriden door een nieuwe combinatie van goede eigenschappen van twee verschillende soorten zich vaak sterk manifesteren. Soms zelfs beter dan de moederplanten. Deze kunnen lang veel plaats innemen zonder ooit door nakomelingen een echte bijdrage te leveren aan de lijn van de evolutie. Misschien zijn de verschillen in bloeiperioden voor een deel ook wel bedoeld om het ontstaan van deze "lastposten" zoveel mogelijk te voorkomen. Voor ons kunnen deze bamboes in elk geval wel interessant zijn.
Steeds meer ingevoerde bamboes moeten nu wel worden aangeduid met sp. of species omdat ze niet onder te brengen zijn. Om te voorkomen dat we uiteindelijk te veel species krijgen moet er wel iets gebeuren. Semiarundinaria sp. Korea gaat al zo lang als ik met bamboe bezig ben met deze omschrijving door het leven. Ook Arundinaria fangiana oftewel Tung Chuan 2 moet het nog steeds met deze geïmproviseerde naam doen en intussen zijn er vele anderen bijgekomen.
Fargesia sp.
Tussen de vele nieuwe bamboes die ons hier bereiken zijn er soms soorten die meteen opvallen. Planten die direct je aandacht trekken en pas langzaam hun geheimen bloot geven. Eén bamboe slaagde hierin al meteen.
In het voorjaar van 1997 kwam er weer een kapotte doos bij mij op de kwekerij aan met in het wild verzamelde bamboes. Grote kluiten met vrij dikke afgezaagde halmen namen een gedeelte van de ruimte in beslag. Sommige halmen hadden een diameter van meer dan 2 cm. Op de etiketten stond Fargesia scabrida. Collega Hans Prins en ik hebben meteen de soortbeschrijving van Fargesia scabrida opgezocht maar alleen al het formaat halmen leek helemaal niet bij deze soort te passen. Of dit moest toevallig een reus onder de Fargesia scabrida's geweest zijn. Volgens onze verzamelaar in China waren deze planten gevonden op 2700 meter hoogte in Pingwu in noord-Sichuan. Een plek waar je in elk geval wel een redelijke winterhardheid kunt verwachten.
Vanuit de basis van de halmen ontwikkelden zich het eerste jaar langzaam kleine scheutjes waaraan zich smalle sierlijke blaadjes ontwikkelden. Het duurde een heel groeiseizoen voor de planten echt aangeslagen waren maar in het volgende voorjaar ontwikkelden zich al vroeg behoorlijk forse scheuten. Een plant ging naar buiten en in de nazomer ontwikkelden zich voor de tweede keer scheuten die zich ook al wat vertakten. Toen viel meteen het sterke kleurcontrast op van de oranjebruine schutbladeren met de jonge purperen halmen. De winter was met 12 graden vorst niet echt koud. De plant had hier niets van te lijden. De hierop volgende winters waren bij mij niet kouder maar in zuid Duitsland heeft deze bamboe op 600 m. hoogte zonder veel schade - 18 ?C doorstaan. Bij Max Riedelsheimer was de winter van 2000/2001 met - 21 ?C te veel voor een nog jonge plant. Ik schat dat de winterhardheid te vergelijken is met de kleinbladige Fargesia robusta. Met Fargesia robusta heeft deze bamboe het vroege uitlopen van de nieuwe scheuten gemeen. En als we toch zouden besluiten bamboes in groepen te verdelen dan zouden ze zeker bij elkaar horen. Een belangrijk verschil met Fargesia robusta is het lange smalle blad en een prachtige sierlijke bladstand. Na ongeveer drie groei-jaren is de grens van vier meter bijna bereikt. Als we uitgaan van de te bereiken twee centimeter dikke halmen dan wordt dit een voor een Fargesia imposante reus met misschien wel ooit een naam.
Fargesia sp.Jiuzhaigou.
De laatste jaren zijn er enkele belangrijke nieuwe introducties van Fargesia nitida en verwante soorten in Europa geweest. De opvallendste en misschien wel mooiste vorm werd rond 1986 door de Duitse apotheker Stephan Wagner op 3000 m. hoogte als zaailing uit het Jiuzhaigou-park (Gartenpraxis 3/1999) in noord-Sichuan mee naar huis genomen. Door de Chinezen was al melding gemaakt dat Fargesia nitida in dit gebied bloeide, maar de meegebrachte plant paste niet helemaal binnen de soortbeschrijving. Wanneer we echter uitgaan van een grote natuurlijke variatie binnen de soort en daardoor het kader iets ruimer nemen, dan behoort deze bamboe bij de groep van Fargesia nitida. Intussen worden naast de geïmproviseerde naam Fargesia sp. Jiuzhaigou 1 ook Fargesia nitida subspecies 'Jiuzhaigou' en Fargesia nitida aff. 'Jiuzhaigou' gebruikt. Later bleek, dat de heer Wagner meerdere zaailingen had meegebracht, die hij naast elkaar tot een plant liet uitgroeien. Fargesia sp. Jiuzhaigou 1 is de eerste en meest verspreide kloon die uit één vitaal groeiend deel van deze verzamelplant vermeerderd is. Een belangrijk verschil met Fargesia nitida is het schutblad dat al binnen een jaar afvalt. De zo vrij gekomen diepgroene, nauwelijks bemeelde halmen kunnen in de voorjaarszon naar dieprood verkleuren en in de zomerzon naar oranjegeel. Het kleine sierlijke blad lijkt eerder bij een vorstgevoelige Himalaya bamboe te horen, maar is goed tot zeer winterhard. Vaak laat het wintergroene aspect van het blad het onder invloed van zon, vorst en wind het wat afweten. De 2 tot 3 meter hoge halmen zijn in vergelijking met de meeste fargesia's vrij opgaand. Wanneer de bodem niet te droog is verdraagt deze bamboe zon. Ook de bloei is zeker nog een mensenleven ver weg. Deze bamboe bewijst dat het spectrum van mogelijkheden en vernieuwingen binnen de groep Fargesia nitida nog lang niet is uitgeput. Uit het zelfde park is in die tijd door de Fransman M. Laferrere nog een zaailing meegenomen: Fargesia sp. Jiuzhaigou 2. Voor zover we nu kunnen waarnemen missen de halmen de diepe roodverkleuring in de zon en staan ze wat verder uit elkaar. Fargesia sp. Jiuzhaigou 3 tot 10 zijn zaailingen die eind jaren '80 door R. Willumeit uit deze streek zijn meegenomen, Deze laten nog meer van de variatie binnen de soort zien. Een door een Zwitser meegebrachte plant, Fargesia jiuzhaigou 'Genf' is een krachtige groeier en heeft ook een goede roodverkleuring.
Fargesia 'Rufa' (Gansu 95 - 1)
In het voorjaar van 1995 kreeg ik een fax van de botanische tuin van Shanghai of er interesse was voor de volgende bamboes. Een medewerker had in het zuiden van de Chinese provincie Gansu twee bamboes verzameld en meegenomen. De verzamelplaats lag tussen 1800 en 2500 meter hoogte ( 34° 20 noorderbreedte, 106° 00 oosterlengte). De gemiddelde jaartemperatuur was 8° C., het winterminimum - 16.8° C. en het zomermaximum 29.6° C.
We besloten ze voorlopig Gansu 95 - 1 en Gansu - 2 te noemen.
De jonge planten van Gansu 95 - 1 vielen al snel op door een enorme groeikracht. In de eerste winter werd duidelijk dat het blad zich, anders als bij Fargesia murieliae en Fargesia nitida, bij droogte, vorst en zon niet oprolde. Zelfs van een gedeeltelijke bladafstoting vlak voor de winter, zoals dat bij veel Fargesia's gebruikelijk is, was nauwelijks sprake. Deze bamboe had geen enkele moeite met de strenge winter van 96/97 (- 19?C) en het sierlijke blad bleef intens groen.
Alleen lange zware vorstperioden met droge continentale wind worden door deze bamboe minder goed verdragen dan door de bladrollende types.
Al in april komen de nieuwe scheuten boven de grond, eigenlijk te vroeg voor de nachtvorstgevoelige jonge scheuten. De eindhoogte ligt tussen 2 en 3 meter. De zwaar bebladerde takken hangen sierlijk door. Nieuwe halmen vormen zich telkens 5 tot 15 cm van de moederplant zodat het halmoppervlak na 5 groei-jaren een doorsnee van anderhalve meter kan bereiken en de gehele plant dan al meer dan drie meter breed is. Deze bamboe neemt in vergelijking met Fargesia murieliae zeker 2 tot 3 maal zo snel ruimte in. Eigenlijk zou deze nieuwe Fargesia het best tot zijn recht komen als oplichtende accentplant in parken en ruime tuinen. Op zulke plaatsen kan het krachtig groene beweeglijke blad en het wolkige silhouet een dynamisch contrast vormen met bijvoorbeeld de statische diepgroene Rododendrons, laurierkers of taxus.
De benaming
De Chinezen die de planten opstuurden gaven als mogelijke naam Fargesia spathacea. Deze benaming was eerder al eens ten onrechte aan Fargesia murieliae en later aan Fargesia nitida gegeven en paste ook deze keer niet.
In zuid Gansu groeien maar enkele bamboesoorten: Yushania confusa werd al snel uitgesloten en Fargesia dracocephala kenden we al. Toen kwam Fargesia rufa naar voren. De visuele gelijkenis met de twee foto's in het belangrijkste Chinese bamboeboek "A Compendium of Chinese Bamboo" en ook de groeiplaats en de planthoogte wezen sterk in die richting. Vanaf die tijd ging deze goed in het gehoor liggende naam door een snelle verspreiding van deze bamboe onder kwekers en bamboeliefhebbers een eigen leven leiden. Intussen zijn er toch weer twijfels ontstaan over de benaming. Bij meer nauwkeurige bestudering combineert deze bamboe zowel eigenschappen van Fargesia dracocephala als van Fargesia rufa, beide inheems in hetzelfde gebied. De in het wild groeiende bamboes laten zich nu eenmaal niet zo snel indelen in het door mensen gemaakte kader van de soorten.
Mijn voorstel is om deze bamboe waarvan de naam Rufa al zo is ingeburgerd voorlopig Fargesia 'Rufa' te noemen. Mocht er in de toekomst duidelijkheid en overeenstemming over de benaming zijn dan kan de soortnaam er eenvoudig tussen gevoegd worden.
Gansu 2 bleek een uiterst sierlijke dicht bebladerde schaduwvorm van Fargesia nitida te zijn die niet veel hoger dan twee meter wordt.
Phyllostachys parvifolia en andere reuzen.
Hoe belangrijk zijn de introducties van nieuwe soorten bamboe in deze tijden van overvloed eigenlijk ? Bij Fargesia's kennen we wat betreft de variatie misschien nog maar het topje van de ijsberg. Als we kijken naar het indrukwekkende aantal verkrijgbare Phyllostachys-soorten en variëteiten zou je denken dat de cirkel van mogelijkheden binnen deze groep wel ongeveer rond moet zijn. Veel nieuwe soorten voegen nog wel wat variatie toe op het bekende assortiment maar zijn niet winterharder dan Phyllostachys aureosulcata, worden niet hoger of dikker als Phyllostachys vivax en zijn niet kleuriger dan de vormen van deze twee soorten. De meeste lijken wel ergens op de soorten die er al waren. Maar toch zijn er enkele uitzonderingen. Soorten die mogelijk in de toekomst voor een echte verbreding en verbetering van het bestaande assortiment kunnen zorgen.
Phyllostachys kwangsiensis
Phyllostachys kwangsiensis zou inheems zijn in het warme Taiwan. Daarom werd er niet veel van de vorstbestendigheid verwacht en is er weinig moeite gedaan om plantmateriaal hier te krijgen en uit te proberen. Toch is deze bamboe buiten de verwachting goed tot zeer winterhard. Het is best mogelijk dat Ph. kwangsiensis ooit uit een veel kouder gebied in China op dit eiland is ingevoerd. Nog bijzonderder is echter de grote gelijkenis met Ph. pubescens. Door de beharing van de jonge halmen en ook door de meeste andere kenmerken zou je gaan denken dat Ph. kwangsiensis gewoon een winterharde vorm is van de in ons klimaat zo zwak groeiende reus. Dit zou betekenen dat er eindelijk een "Pubescens" is, die genoegen neemt met koelere zomers.
Deze bamboe moet zich natuurlijk nog op veel punten bewijzen maar prikkelt als mogelijk alternatief voor de reus uit Prafrance wel de fantasie.
Verwarring bij Phyllostachys vivax.
Een bamboe, die waarschijnlijk zeldzamer is dan we denken, is de groene vorm van Phyllostachys vivax. Zo'n 6 of 7 jaar geleden werd deze soort in grote aantallen uit China ingevoerd. Dat dachten de kwekers althans. Intussen is duidelijk geworden dat onder de naam Ph. vivax wel veel nieuwe soorten hier terecht zijn gekomen maar dat er weinig of misschien wel geen Ph. vivax bij zat. Een soort was bij deze importen steeds ruim vertegenwoordigd en kreeg noodgedwongen van mij de geïmproviseerde naam Shanghai 2. Deze bamboe leek in groeikracht wel op Ph. vivax. Maar de bladeren waren kleiner en minder hangend. De vroege gelige scheuten wezen in de richting van Ph. dulcis. Een nauwkeurige vergelijking met foto's van de dulcis-scheuten in "A Compendium of Chinese Bamboo" en andere voorbeelden haalden de grootste twijfel weg. De laatste strenge winter werd met - 19 graden vorst goed doorstaan. Dit in tegenstelling tot de echte Ph. vivax. Het kon niet anders of dit moest Ph. dulcis zijn maar dan de echte, de Ph. dulcis die ook de winterkou van Beijing kon overleven. De plant die als zodanig in Europa vanuit de USA in omloop is gebracht kan dus niet deze soort zijn en moet op zijn beurt weer bij het rijtje Phyllostachys sp. oftewel bamboes zonder naam gevoegd worden. Ook de nauw verwante en misschien nog indrukwekkendere soort zonder naam: Shanghai 3, hier ingevoerd als Ph. propinqua, behoort tot de beste hoge, dikke en goed winterharde bamboes. De diepgroene jonge halmen hebben korte halmsegmenten aan de basis en de nieuwe scheuten zijn roze rood en gevlekt. Hoewel de identificatie richting Ph. iridescens gaat lijkt het me beter de voorlopige naam Shanghai 3 te blijven aanhouden.
Nieuwe variatie.
Een belangrijke nieuwe stabiele variëteit van Phyllostachys vivax is als mutatie ontstaan uit een in de war geraakte Ph. vivax 'Aureocaulis' . Ongeveer tegelijkertijd op de kwekerij van Hans Prins en bij mij. En wie weet tot nu toe (onontdekt) ook nog ergens anders. Net als bij Ph. aureosulcata 'Spectabilis' en Ph. bambusoides 'Castillonis' is de afgeplatte kant (sulcus) groen en de rest geel. Eigenlijk is het de omgekeerde vorm van Ph. vivax 'Huanwenzhu'. Vandaar de veel te lange voorlopige naam Ph. vivax 'Huanwenzhu-inversa'. Omdat deze vorm uit de bestaande Ph. vivax 'Aureocaulis' is ontstaan, mogen we vanzelfsprekend uitgaan van een gelijke winterhardheid.
Phyllostachys parvifolia
Een nieuwere Phyllostachys-soort intrigeert me al enkele jaren. Door de groeikracht, het uiterlijk en door een geweldige winterhardheid, Phyllostachys parvifolia. Het is onvoorstelbaar dat deze bamboe pas nu (mondjesmaat) verkrijgbaar is. Jaren geleden is deze bamboe al eens uit China in Europa ingevoerd maar is hier merkwaardig genoeg nooit in het circuit van verzamelaars en kwekerijen terecht gekomen. Wel heeft er vroeger een kleinbladige Ph. nuda lange tijd ten onrechte met deze naam kunnen pronken.
De naam Parvifolia duidt op het kleine blad en hiermee steelt deze bamboe de show. De fijne structuur van de bladeren vormt een wolkig geheel. De nieuwe scheuten zijn gemakkelijk te herkennen. Als lange gladde speren komen deze eind juni/begin juli uit de grond. Eerst onder een wat schuine hoek maar wanneer ze wat hoger zijn, staan ze uiteindelijk redelijk recht en stevig. De halmen hebben net als Ph. nuda onder de knopen een opvallende wit bepoederde ring. Op een afstand lijkt deze soort wel wat op Ph. nigra 'Henonis' maar de halmen zijn in verhouding tot de hoogte sneller dik en het blad is nog kleiner. De laatste koude winter van 96/97 kreeg met - 19 graden geen vat op een jonge halm van mijn toen nog kleine plant. Het blad bleef onberispelijk groen. Dit in groot kontrast met het bruin van de meeste omringende bamboes. Een jonge Ph. parvifolia in de tuin van Max Riedelsheimer in Stockdorf bij München had in de winter van 1999/2000 nauwelijks bladschade, minder dan bijvoorbeeld Ph. aureosulcata en Ph. bissetii. In een korte heftige vorstperiode daalden daar de minima tot - 20 graden. Intussen is mijn plant na 4 groei-jaren ruim 5 meter hoog. De groei is wat minder explosief dan bij bijvoorbeeld Ph. vivax maar de halmwand is een stuk dikker en daardoor steviger.
Dromen
In Engeland is Ph. parvifolia al eerder de Ph. pubescens voor het noorden genoemd. Hier werd de visuele gelijkenis van het fijne blad van beide soorten bedoeld. De kleinbladige Ph. parvifolia en de behaarde Ph. kwangsiensis kunnen mogelijk samen iets van de magie van de meest tot de verbeelding sprekende reuzenbamboe, Ph. pubescens, naar onze streken toe halen.
Jos van der Palen 
|
 |
BAMBOE
Groen in de winter
Net als bij palmen denkt men bij bamboe al snel aan warme verre oorden. Veel mensen zijn daarom verrast wanneer ze hartje winter oog in oog staan met metershoge groene halmen, die zich niets van vorst of sneeuw lijken aan te trekken. Recentelijk ingevoerde bamboesoorten hebben hun waarde als groenblijver inmiddels bewezen.
Geschiedenis
Vóór de ijstijden behoorde bamboe tot de vegetatie van Europa. De oost-west lopende bergruggen van de Alpen en de Pyreneeën en ook de Middellandse Zee boden deze groenblijvende reuzengrassen geen uitweg om aan het oprukkende landijs te ontsnappen. In China gaven de noord-zuid lopende dalen wel doorgang aan veel soorten bamboe om tijdelijk naar het warme zuiden te migreren. Sasa kurilensis heeft op deze wijze zelfs Zuidoost Rusland weten te bereiken.
Langzaam maar zeker is bamboe met zijn opmars in onze tuinen begonnen. Het is nauwelijks voor te stellen dat deze opvallende plantengroep met zoveel toepassingsmogelijkheden zolang aan onze aandacht heeft weten te ontsnappen. De grootbladige Pseudosasa japonica was vroeger nog wel eens aan te treffen op oude landgoederen en ook de fijnbladige zeker bruikbare soorten Fargesia (Sinarundinaria) nitida en murieliae hebben hun weg via Denemarken en Zweden al zo'n 20-30 jaar geleden naar onze streken gevonden. Maar tot ongeveer tien jaar geleden waren dit vrijwel de enige soorten die men hier kon aantreffen.
Bladhoudend
Een van de belangrijkste eigenschappen van bamboe is het behoud van groen blad in de winter. Het sierlijk ruisende papierdunne blad geeft aan een tuin een geheel andere sfeer dan de dikke stugge bladeren van bijvoorbeeld Rododendron of hulst. En dit zo kwetsbaar lijkende loof overleeft bij een aantal soorten met gemak temperaturen van - 15 tot - 25°C. In de barre winter van 1984-85 plantte ik een jonge Fargesia nitida, net voor de tweede vorstperiode. Onbeschermd heeft deze plant de Elfstedentocht met temperaturen tot -22°C overleefd, en bij de dooi ontrolden de bladeren zich weer frisgroen en onbeschadigd. Om lage temperaturen te kunnen overleven transporteert bamboe het celvocht buiten de cellen zodat deze door bevriezing en uitzetting niet beschadigd worden. De onderling met elkaar verbonden en parallel lopende bladnerven voeren het vocht af en zorgen bij dooi ook weer voor herstel van de vochthuishouding. Vooral bij Fargesia nitida kan bij vorst het opgerolde blad er dof en levenloos uitzien. Bij bladverlies na een zeer strenge winter lopen de takken meestal in het voorjaar weer uit en minder winterharde soorten zullen zich bij verlies van het bovengrondse deel vanuit de wortels weer herstellen. Het bedekken van de voet met bladeren of stro verhoogt de winterhardheid.
De bladwissel verschilt per soort. Na de vorming van het nieuwe blad stoot Phyllostachys nigra in juli een deel van zijn oude loof af. In september volgt er nog een korte rui.
Winterhardheid
in het Oost-Duitse Saxdorf werd enkele jaren geleden in een kerktuin een fors ontwikkelde bamboe ontdekt. Ondanks de strenge oostelijke winters met temperaturen die regelmatig tot - 30°C daalden, leek deze plant zich hier goed thuis te voelen. Het bleek om Pleioblastus simonii te gaan, een soort die in de regel al bij - 15°C bladschade oploopt. Met vermoedde een introductie van een meer winterharde vorm. Maar stekken van deze plant leverden elders toch weer de bekende winterschade op. Deze bamboe stond op een voor hem ideale plaats, beschut tegen de wind en de winterzon. Daarbij kon hij in het warmere landklimaat optimaal afharden. Zo werden de voor deze plant eigenlijk te lage temperaturen toch goed verdragen.
Winterhardheid is moeilijk in cijfers uit te drukken. Ze geven ongeveer aan wat en bepaalde soort aankan.
Op een onbeschermde standplaats waar vooral wind in combinatie met vorst en zon vrij spel hebben zal zelfs de sterkste bamboe niet op zijn mooist de winter doorkomen. En ook zal er na een 'elfstedenwinter' nauwelijks sprake zijn van mooie groene bladeren. Maar bij een goed gekozen standplaats zijn er tegenwoordig heel wat soorten die met hun heldergroene loof de winter voor een moment doen vergeten.
Groeitypen en soorten
Fargesia (Sinarundinaria, Thamnocalamus)
Dit type bamboe heeft zijn voornaamste verspreidingsgebied hoog in de bergen van China. De hier bekende soorten hebben kleine bladeren en dunne rietachtige stengels. Ze woekeren niet en zijn zeer winterhard. Voor kleine tuinen zijn ze de ideale keus. In de herfst wordt 2/3 van het blad afgestoten, maar het resterende deel is tegen de strengste vorst opgewassen. Op plaatsen met veel wind zoals aan de kust gaan ze meestal toch wat gehavend het voorjaar in.
Fargesia murieliae is de meest bekende soort. De wit bemeelde groene halmen hangen wat door onder de last van vele helgroene bladeren. Deze plant wordt 2 à 4 meter hoog net zoals Fargesia nitida. Daarvan steken de purperen eenjarige stengels boven de oudere bebladerde halmen uit en krijgen het volgende jaar pas blad, De sierlijke variëteit 'Nymphenburg' hangt wat meer door en het smallere blad reageert nog sterker dan de andere soorten door zich bij wind of direct zonlicht meteen op te rollen.
Phyllostachys
Onder deze groep vallen de meest tot de verbeelding sprekende hogere soorten met dikke halmen. De winterhardheid en wintergroenheid varieert van matig tot zeer goed. De meeste hebben nogal wat ruimte nodig of er moeten maatregelen genomen worden tegen de ondergrondse uitlopers.
De stugge stengels van Phyllostachys aurea blijven in ons klimaat meestal groen. Bij volle zon zullen ze in de loop der jaren geel verkleuren. Het blad loopt nogal snel winterschade op en als wintergroene bamboe komt hij alleen tot zijn recht bij zachte winters en op beschutte plaatsen. Hij wordt in ons klimaat meestal niet hoger dan 5 meter.
Phyllostachys aureosulcata heeft olijfgroene stengels met een eigele tekening op de afgeplatte kant (de sulcus). Op een tegen wind beschutte plaats komt deze soort gemakkelijk met al het blad de winter door en zelfs na de meest extreme vorstperiode zullen de kaal geworden takken meestal weer uitlopen.
De variëteiten 'Spectabilis' en 'Aureocaulis' hebben dezelfde eigenschappen. De hoogte varieert van 4 tot 7 meter.
Phyllostachys bissetii is de beste wintergroene bamboe. Het diepgroene blad komt met wat beschutting bijna de perfect de winter door. Zelfs bij - 20°C in Noord-Duitsland was er nauwelijks sprake van bladschade en na een extreme vorstperiode waarbij de temperaturen tot -25°C daalden liepen de takken weer uit. De maximale hoogte ligt op ongeveer 7 meter. De jonge groene stengels van Phyllostachys nigra kleuren in het tweede jaar naar purperzwart. De kleine glanzende bladeren hebben op een beschutte plaats geen moeite met een doorsnee winter, maar na langdurige vorstperioden kunnen ze indrogen. Deze 'lakbamboe' wordt in ons klimaat niet hoger dan 5-6 meter terwijl de bruingevlekte en de groene vorm, respectievelijk 'Boryana' en 'Henonis', op een ideale plaats wel 10 meter kunnen halen.
Phyllostachys nuda overleeft in de VS de continentale winters met temperaturen tot -25°C en wordt daar met een maximale hoogte van 10 meter als de sterkste Phyllostachys beschouwd.
Phyllostachys propinqua en Phyllostachys vivax zijn twee wintergroene soorten, met in verhouding dikke halmen en een maximale hoogte van 8 à 10 meter. Door hun vergelijkbare verschijning zijn het ideale vervangers gebleken voor de bij ons maar matig winterhard gebleken Phyllostachys bambusoides.
Semiarundinaria fastuosa wordt verondersteld een hybride te zijn tussen een Phyllostachys en een Pleioblastus. Het blad aan de statige halmen heeft geen moeite met normale wintertemperaturen.
Indocalamus, Pleioblastus, Sasa en Sasaella
Een aantal van deze meestal wat lager blijvende maar sterk woekerende soorten is wat het blad betreft gevoelig voor vorst. Vooral bij 'Pleioblastus' komen soorten voor die er in de loop van de winter gehavend uit kunnen gaan zien. Enkele soorten zijn om hun mooie blad in de winter zeker aan te raden.
Sasa kurilensis is de meest noordelijk groeiende bamboe. Het brede, iets gewelfde glanzende blad heeft goede winterharde eigenschappen.
Met een hoogte van 2 tot 3 meter is Sasa palmata met zijn bladeren die aan palmen doen denken een enorme blikvanger in de winter. De grote uitbreidingsdrang maakt deze bamboe echter minder geschikt voor kleine tuinen. Het blad houdt zich het best op een beschutte plaats in de schaduw. Sasa veitchii lijkt op de vorige soort, maar blijft wat kleiner. De bladranden verdrogen in de herfst waardoor een contrastrijke witte rand ontstaat. Sasaella masamuneana 'Albo-striata' wordt vaak verward met Hibanobambusa (verderop genoemd). Het is een van de beste wintergroene bonte grootbladige soorten die niet hoger wordt dan 150 cm. Indocalamus tesselatus is de bamboe met de grootste bladeren. Ze kunnen wel 50 cm lang worden. Deze bamboe is een opvallende en sterke groenblijver die van schaduw houdt.
Pseudosasa, Hibanobambusa
De twee hierna genoemde grootbladige soorten zijn niet echt geschikt voor de volle zon.
Pseudosasa japonica is al meer dan 100 jaar thuis in Nederland. Op een beschutte plaats overleeft het blad nagenoeg iedere winter. Deze bamboe met zijn 3 tot 5 meter hoge halmen is zeer geschikt voor toepassing als haag. De bamboe met de langste naam is Hibanobambusa tranquilans f.' Shiroshima' De grote geel-wit-groen gestreepte bladeren zijn wat gevoeliger voor koude, maar op een gunstige standplaats wordt hij een echte blikvanger. Maatregelen tegen de enorme uitbreidingsdrang zijn gewenst.
Jos van der Palen 
|
 |
Fargesia nitida bloeit !!!
10 Vragen over (bloeiende) bamboe
Een van de bekendste bamboes is Fargesia nitida. Dit is een sierlijke wintergroene plant die, in tegenstelling tot diverse andere bamboes, niet woekert. Een uitstekende keus voor de tuin, zou je denken. Deskundigen voorspellen echter dat Fargesia nitida binnenkort op grote schaal gaat bloeien. En een bloeiende bamboe gaat (meestal) dood. Wat nu? Tien vragen aan bamboekenner Jos van der Palen. |
1 Hoe komt het dat alle exemplaren van een bamboesoort min of meer tegelijk bloeien?
Dat weten we niet. Misschien hebben bamboes een soort ingebouwde klok. Voor panda's is het in ieder geval een ramp. Ze eten voornamelijk de bamboesoort Fargesia, die in China flinke oppervlakten beslaat. Toen tien jaar geleden F. murieliae massaal bloeide, had dat een hongersnood onder deze dieren tot gevolg. Nu de bloei van Fargesia nitida is begonnen, zullen we de komende jaren zeker weer verhalen over voedselschaarste horen.
2 Waarom gaat bloeiende bamboe dood?
Niet alle bamboes sterven na de bloei, maar Fargesia wel. Dat komt omdat deze soort hele korte, ondergrondse uitlopers maakt, waarin maar weinig reservevoedsel kan worden opgeslagen. Als de plant bloeit en daarna zaad vormt, raakt deze voedselvoorraad snel uitgeput: er is geen energie meer om nieuwe scheuten te maken. Voor bamboesoorten met lange wortelstokken, bijvoorbeeld Pseudosasa, geldt dit niet. Na het wegsnoeien van de bloeiende halmen heeft de plant nog energie genoeg over voor het vormen van nieuwe scheuten. |
 |
3 Dus als een Fargesia begint te bloeien, kun je niets meer doen?
Nee. Terugsnoeien van een bloeiende Fargesia helpt niet. Dat hebben we een aantal jaren terug geleerd van de bloei bij Fargesia murieliae. Net als F. murieliae vormt F. nitida kleine grasachtige aren, daarna zaad en vervolgens sterft de plant af. Het zaad kun je echter weer zaaien. Kies wel de sterkste zaailingen uit, lang niet elke zaailing is mooi en gezond! |
 |
4 Hoe vaak bloeit bamboe?
Fargesia's bloeien om de 80 tot 120 jaar (of meer). De bekendste Fargesia-soort, F. murieliae, werd in 1907 door de plantenjager Ernest Wilson vanuit China naar Europa meegenomen, waar hij intensief werd vermeerderd. Tussen 1990 en 2000 begon F. murieliae in China en in alle tuinen in Europa en de Verenigde Staten te bloeien, waarna ze afstierven. Van F. nitida zijn bijna alle vormen, waaronder ’Eisenach’, ’Wakehurst’ en ’Nymphenburg’, ontstaan uit zaad dat de plantenjager Berezovski in Zuid-Gansu in China verzamelde tijdens de bloeiperiode van 1886. Nu, bijna 120 jaar later, is het dus de beurt aan Fargesia nitida om te gaan bloeien.
5 Niet alleen Fargesia nitida, maar ook alle variëteiten ervan gaan in de komende tijd bloeien?
Ja. Alle variëteiten, inclusief de bekendere Fargesia nitida ’Anceps’, ’Eisenach’ en 'Nymphenburg’. Daarom is het raadzaam ze niet meer te kopen. |
6 Welke bamboesoorten kun je nog wel met een gerust hart aanschaffen?
Er is een nieuwe generatie zaailingen van F. murieliae, die dus pas over zo'n honderd jaar gaat bloeien. F. murieliae is zeer winterhard en heeft lichtgroen blad. Goed verkrijgbare variëteiten zijn ’Jumbo’ en 'Bimbo'. ’Jumbo’ (tot 3 meter hoog) heeft vrij smal blad. Deze bamboe staat het beste op een plek in de halfschaduw maar verdraagt op rijke, vochthoudende grond ook wat zon. Het is een goede soort voor wintergroene hagen in halfschaduw. ‘Bimbo’ heeft fijn blad en een opgaande groeiwijze. Deze kleinste niet-woekerende bamboe wordt niet veel hoger dan 1 tot 1,5 meter.Dan is er nog Fargesia denudata ’Lancaster’, die nog niet zo lang geleden door Roy Lancaster als zaailing uit China mee gebracht. Deze bamboe lijkt op Fargesia murieliae,heeft glanzende bladeren en wijd overhangende takken.Hij wordt 3 meter hoog en is goed winterhard.Fargesia robusta zou 30 jaar geleden in China gebloeid hebben. Als we hier van uitgaan heeft deze soort nog heel wat jaren zonder bloei te gaan. |
7 Welke bamboe is de beste keuze als vervanger voor Fargesia nitida?
Zonder twijfel is dat Fargesia sp. Jiuzhaigou 1, in de handel ook wel Fargesia ssp. Jiu of rode bamboe genoemd. Deze bamboe zal de eerste 80 tot 100 jaar niet bloeien omdat de plant niet zo lang geleden als zaailing verzameld is, in het natuurpark Jiuzhaigou.Deze bamboe lijkt sterk op Fargesia nitida. Bij beide rolt het dunne blad zich bij vorst, zon en droogte op. Ook de grote winterhardheid (tot - 25 °C) is vergelijkbaar. Een belangrijk verschil vormen de schutbladen op de halmen. Bij Fargesia nitida blijven deze soms jaren zitten en geven de plant op den duur een wat slordig en rietachtig uiterlijk. Maar bij Fargesia sp. Jiuzhaigou 1 vallen alle schutbladen van de nieuwe halmen binnen een jaar af. Hierdoor komen de kleurige stengels vrij.
8 Vanwaar de naam ’rode bamboe’ ?
De naam ‘rode bamboe’ zorgt soms voor misverstanden, omdat de stengels niet het hele jaar deze kleur hebben. De typische roodverkleuring is het sterkst in de zon, in het voorjaar. In de loop van de zomer kleuren de stengels meer oranjegeel en in de nazomer vormen zich daartussen de nieuwe, diepgroene halmen.
|
 |
9 Is ’Jiuzhaigou’ geschikt als haag?
Fargesia sp. Jiuzhaigou 1 wordt 2 tot 3 meter hoog. Het is een uitstekende haagplant die op humusrijke, vochthoudende grond de zon goed verdraagt Er zijn trouwens ook enkele nieuwe selecties.Fargesia sp. Jiuzhaigou ‘Genf’ wordt ruim 4 meter hoog en verkleurt in het voorjaar naar intens rood. Zeker zo hoog wordt Fargesia sp. Jiuzhaigou Willumeit 9. De dikkere, wat doorhangende halmen kunnen van rood doorkleuren naar donker purper. Het is een prima vervanger voor Fargesia nitida ‘Nympenburg’.
10 Bamboes lijken erg op elkaar, hoe weet je dat je de juiste soort koopt?
Voor iemand die niet dagelijks met bamboe omgaat, is het bijna onmogelijk om bijvoorbeeld Fargesia sp. Jiu te onderscheiden van Fargesia nitida. Zie je kleine, grasachtige aren of rood verkleurde verdikkingen aan het einde van de takken, dan is de bloei begonnen en betreft het een Fargesia nitida of een ’oude’ Fargesia murieliae. Helaas worden er nog steeds planten van de oude generatie van Fargesia murieliae verkocht, vaak voorzien van een ‘nieuwe generatie naam’. Waarschijnlijk zijn er bij het vermeerderen groeihormonen gebruikt, waardoor het bloeitijdstip voor enige tijd is uitgesteld. Koop bamboe daarom bij voorkeur bij een gespecialiseerde kwekerij of vraag een ’niet-bloei garantie’.
Jos van der Palen
Dit artikel is eerder in Groei & Bloei (maart 2005) gepubliceerd.  |
|
 |
Fargesia denudata
Tijdens een expeditie in China in 1986 zag de plantenexpert Roy Lancaster hoog in het Min-Shan gebergte een bamboe in bloei. Hij nam 2 zaailingen mee naar Engeland. Pas een jaar eerder was deze bamboe door de Chinese Professor Yi Tong-Pei beschreven en van een naam voorzien: Fargesia denudata.
Een plantdeel werd in 1990 door Roy Lancaster als geschenk aan het Arboretum van Kalmthout in België gegeven. In GP 8/ 1993 heeft Max Riedelsheimer deze bamboe al aangekondigd in het artikel “Neuer Gartenbambus”. Pas de laatste jaren is deze elegante niet woekerende bamboe beter verkrijgbaar. Een bloeiperiode die momenteel bij Fargesia nitida en al zijn variëteiten voor massaal afsterven zorgt, is bij Fargesia denudata in de eerste 70-80 jaar niet te verwachten. (zie: GP 9/2000 en 6/2004 ) (** Note: Wanneer we er van uitgaan dat eventuele meristeem vermeerdering in de toekomst niet de oorzaak van een voortijdige bloei hoeft te zijn.) Dat maakt deze karaktervolle “nieuwe generatie” bamboe interessant. Zeker nu we binnenkort afscheid moeten nemen van Fargesia nitida en al zijn vormen. (** Note: Bij de volgende cultivars heb ik bloei gezien: Fargesia nitida (de soort van de handel), “Chiennevieres”, “Eisenach”, “McClure”, “Nymphenburg” en “Weihenstephan”) |
Fargesia denudata (Lancaster I) |
De soort Fargesia denudata komt voor in een groot gebied in noordwestelijk China in de provincies Sichuan, Gansu en Shaanxii. Op hoogten tussen 2500 en 3400 meter kan deze bamboe als ondergroei van coniferen en bladverliezende bomen een dichte vegetatie vormen. Fargesia denudata behoort tot de belangrijkste soorten waarmee de reuzenpanda’s zich voeden. Net als Fargesia murieliae, Fargesia sp. jiuzhaigou en Fargesia nitida behoort deze bamboe tot de soorten die het blad bij vorst, droge lucht en sterke zon oprollen. Maar bij Fargesia denudata is deze reflex minder sterk. Daardoor oogt Fargesia denudata in het vroege voorjaar groener dan bijvoorbeeld Fargesia sp.jiuzhaigou of Fargesia nitida. In november wordt een deel van het blad geel en valt af. Wat er overblijft zorgt in een gemiddelde winter voor een uitbundig groene struik. Deze bamboe overleeft temperaturen tussen – 20 en – 25°C. De strenge nawinter van begin maart 2005 werd door de bladrollende Fargesia’s, inclusief Fargesia denudata, het beste van alle bamboesoorten doorstaan. De ideale groeiplaats is halfschaduw tot schaduw maar zon wordt goed verdragen wanneer de wortels in de schaduw staan.
Fargesia denudata (Lancaster I)
Er zijn een aantal klonen in Europa ingevoerd waarvan ik er 4 ken. Het meest bekend en het meest vermeerderd is de plant die ook in het Arboretum van Kalmthout in België staat. Deze Fargesia denudata (Lancaster I) is begin jaren 90 in kleine aantallen vermeerderd door de kwekerijen Simon en Willumeit. Mijn plant is na ongeveer 12 jaren nog geen 3 meter hoog. Het halmoppervlak is nauwelijks 1 m. De dicht op elkaar staande halmen nemen aan de voet weinig plaats in. De lange, in sierlijke bogen naar buiten hangende halmen vragen wel wat ruimte. Jonge scheuten vertakken zich al in het eerste jaar. De zijtakken zijn kort zodat de halmen op groene, gebogen cilinders lijken. Het kleine blad is glanzend en heeft lichte welvingen. Beplantingen met Fargesia denudata (Lancaster I) brengen dynamiek en leven in tuin en landschap.
Fargesia denudata (Lancaster 2)
Dit is de andere zaailing die Roy Lancaster had meegebracht. Deze plant is pas de laatste jaren in omloop. Na 4 jaren in mijn tuin lijkt deze bamboe iets groeikrachtiger dan Lancaster 1 maar de verschillen zijn klein.
In de herfst van 1997 lieten wij (** Kwekerij De Groene Prins en Bamboekwekerij Kimmei) opnieuw Fargesia denudata verzamelen. Als groeiplaats werd aangegeven: Xian 2500 m. hoogte. Twee duidelijk verschillende klonen kwamen naar Holland. Deze planten zijn intussen uitgegroeid zodat we ze kunnen vergelijken. Beide zorgen voor een verbreding van het Fargesia denudata-sortiment.
Fargesia denudata (Xian 1)
Dit is de minst groeikrachtige maar ook de sierlijkste van de twee bamboes uit Xian. Het glanzende blad is langer en smaller dan bij de andere klonen. De jonge scheuten zijn wit bemeeld. De zijtakken aan het einde van de halm verkleuren in de herfstzon naar wijnrood. Waarschijnlijk wordt deze bamboe hoger dan Fargesia denudata “Lancaster I”
Fargesia denudata (Xian 2)
Xian 2 is de krachtigste en vitaalste groeier. Na 6 groei-jaren in mijn tuin overtreft deze kloon Fargesia denudata (Lancaster I) in hoogte en breedte. Deze bamboe wordt tussen 3 en 4 meter hoog. Het glanzende korte blad is niet of nauwelijks gewelfd. Jonge scheuten zijn weinig bemeeld.
Jos van der Palen 
|
|
 |
Bamboe als haag of afscheiding.
Hogere soorten. Phyllostachys, Pseudosasa en Semiarundinaria.
In de gebieden met zachte winters kunnen een aantal goed winterharde Phyllostachys-soorten als hoge wintergroene haag gebruikt worden. In koude streken neemt men met het planten van deze soorten altijd een risico. De strenge nawinter in de eerste week van maart 2005 heeft weer eens bewezen dat deze soorten in de koudste gebieden van Nederland niet altijd betrouwbaar winterhard zijn.
|
De gele garage van de buurman.
Stel: de buurman heeft een nieuwe garage met een gele muur van 3,5 meter hoog gebouwd en u kiest voor bamboe om deze aan het zich te onttrekken. In zo’n situatie kan men het beste een keuze maken uit enkele niet woekerende hogere Fargesia-soorten. Maar als er op het dak van dezelfde garage ook nog een enorm balkon komt waar de familie van diezelfde buurman zich regelmatig installeert dan kan men alleen kiezen voor hogere bamboe. Hiervoor zijn een aantal Phyllostachys-soorten te gebruiken. Deze bamboes kunnen snel 5 meter of hoger worden en ze zijn dicht bebladerd. Zo’n aanplant zorgt ervoor dat u zomer en winter niets meer van de garage en de buurman hoeft te zien |
 |
Hagen van hogere soorten.
Hogere hagen kunnen gemaakt worden van de meest winterharde en snel groeiende opgaande soorten van Phyllostachys, Semiarundinaria fastuosa en Pseudosasa japonica zijn wat vorstgevoeliger maar kunnen ook gebruikt worden in mildere gebieden. Afhankelijk van de soort kan een hoogte van 5 tot 8 meter bereikt worden. Bamboes van dit formaat woekeren altijd en kunnen soms lange ondergrondse uitlopers maken, deze grotere uitbreidingsdrang vraagt om maatregelen. Bij weinig ruimte is het gebruik van wortelbegrenzer (rhizoombarrière) aan te raden, waarbij de afmetingen van de groeiplaats door het ingraven van dit materiaal van te voren bepaald worden. Er moet zeker van een minimale breedte ongeveer 1 meter worden uitgegaan maar meer ruimte is beter. Een jaarlijkse snoeibeurt waarbij de meer dan drie jaar oude en lelijke halmen wegknipt worden houdt de groei van de plant in het gareel en verjongt de haag. De bodem moet humusrijk zijn of gemaakt worden. Voor de Phyllostachys-soorten is een zonnige of licht beschaduwde standplaats het beste. Semiarundinaria verdraagt ook halfschaduw en Pseudosasa zelfs diepe schaduw.
Planten en onderhoud.
De keuze tussen uitdunnen of laten groeien heeft natuurlijk alles te maken met onze doeleinden en ook de ruimte die we hebben. Moet een lelijk gebouw of lelijke buurman weggewerkt worden dan kunnen de bossages niet dicht en hoog genoeg zijn. Wanneer we daarentegen de halmen willen zien dan moet er gesnoeid worden. Een aantal grondregels zijn dan erg handig om te weten. We moeten eerst goed weten hoe bamboe groeit. Een boom wordt elk jaar aan de top hoger en door nieuwe jaarringen dikker. Maar bamboe wordt groter door de nieuwe halmen, die elk jaar binnen een paar maanden uitgroeien en weer hoger en dikker zijn dan de halmen van het voorafgaande jaar. Vandaar dat verjongingssnoei zo nodig is
Het aanplanten en uitdunnen van een Phyllostachys-haag of -bos.
Wanneer de bamboe van onze keuze op een ruime, humusrijke plek is uitgeplant, mag deze gedurende enkele jaren gewoon zijn gang gaan. Alle halmen dragen in dit stadium bij tot een sterk en uitgebreid wortelstelsel, maar de scheve en oude exemplaren mogen tussendoor altijd weggesnoeid worden. Na een paar jaar zullen de nieuwe stengels, al naar gelang de soort en standplaats, al gauw zo'n 4 tot 6 meter hoogte bereikt hebben. Dan, in de late herfst of het vroege voorjaar, is het tijd voor een grotere snoeibeurt. Een deel van de halmen die drie jaar of ouder zijn moet bij de grond afgesnoeid worden. Meestal zijn deze dunner en hangen meer door. Snoei wordt het hele jaar door goed verdragen. Bij volgroeide bestanden mag elke herfst 40 tot 70 % van de (oude en lelijke) halmen verwijderd worden.
Een tweede snoei volgt in het voorjaar wanneer de nieuwe spruiten ruim een 1/2 meter hoog staan. In dit stadium kunnen we zien waar de nieuwe halmen staan en hoe dik ze zijn. De dunste scheuten mogen dan al tot de grond teruggeknipt worden. Hetzelfde gebeurt met de aanwas die op een verkeerde plaats boven de grond komt; dus te dicht bij andere halmen of te veel aan de rand. Dit snoeipatroon moet elk jaar herhaald worden. Al naar gelang de openheid, die men bereiken wil, kan soms wel 40 % van de jonge scheuten weggesnoeid moeten worden. Bij soorten met dikke halmen volstaat meestal minder uitdunning. Veel soorten produceren in augustus, september en oktober nog dunne en vaak schuine halmen. Over het algemeen draagt deze nagroei niet echt meer iets bij aan de evenwichtige ontwikkeling van de plant en kan beter verwijderd worden. Pseudosasa japonica en Semiarundinaria fastuosa groeien van nature veel compacter dan Phyllostachys. Door om de 2 of 3 jaar rigoureus de helft van de halmen (de oudere en lelijke exemplaren) weg te snoeien worden deze soorten verjongd maar blijft het groeikarakter toch behouden.
Een open oosterse groeiwijze.
Door snoei kan men bepalen of een aanplant tot de grond bebladerd is of open waardoor de halmen zichtbaar worden. Kiest men voor de laatste optie dan moeten de onderste zijtakken van de halmen weggesnoeid worden. Bij jonge halmen waarvan het schutblad juist is afgevallen zijn de zachte zijtakken gemakkelijk met de hand af te breken. Door eerst een knikje naar beneden te geven en dan naar boven te trekken wordt voorkomen, dat er per ongeluk een deel van de halm wordt meegenomen. Deze snoei heeft optisch het beste effect wanneer niet meer dan 1/4 deel van de halm wordt vrijgemaakt. Hierdoor krijgt het licht de ruimte en wordt ondergroei mogelijk gemaakt. Ook de kleuren en het krachtige lijnenspel van de halmen worden zichtbaar gemaakt.
Harmonie tussen wortels en halmen.
Dit is een veelgestelde vraag: Is het mogelijk een woekerende hoge bamboe op een of twee afgebakende vierkante meters te houden? Niet wanneer men de maximale hoogte verwacht maar wel met inachtneming van het hierboven beschreven onderhoud en met het gebruik van de wortelbegrenzer. De eerste paar jaren zal een woekerende hoge bamboe wel genoegen nemen met zo'n begrensde plek, maar zonder snoei vraagt het om problemen . Op een klein oppervlak kunnen uiteindelijk geen honderd halmen staan. Te veel halmen kunnen het wortelstelsel activeren om pogingen te ondernemen om buiten de barrière op zoek te gaan naar genoeg water en voedsel. Dan is zelfs een wortelbegrenzer van 85 cm diep niet voldoende. Net als in een bloempot moet het groen boven de grond in evenwicht zijn met de wortels.
Wortelbegrenzer (rhizoombarrière)
De wortelbegrenzer dient om de wortels binnen het afgebakende gebied te houden en om te voorkomen dat de wortelstokken (rhizomen) zich uitbreiden naar plaatsen waar ze niet gewenst zijn. De wortelbegrenzer die voldoet en die door een aantal kwekerijen geleverd wordt is gemaakt van HDPE, een taaie, duurzame polyethyleen folie van één (soms twee) millimeter dik die ondoordringbaar is voor de wortelstokken. De breedte kan 50 of 55 centimeter zijn, wat meestal voldoende is, of 60 tot 85 centimeter voor extra zekerheid of voor enkele dieper wortelende bamboes zoals Bashania, Semiarundinaria en enkele hoge Pleioblastus-soorten.
De vorm van het plantvak en de oppervlakte
Men dient vooraf de vorm van het af te bakenen gedeelte te bepalen waarbinnen de bamboe kan uitgroeien. De plant kan zich na plaatsing van de folie alleen nog binnen dit vak ontwikkelen en dus is het van belang dat het oppervlak niet te klein is voor de geplaatste bamboe. Het minimale oppervlak voor een lage bamboe is twee vierkante meter, voor middelhoge 2 tot 3 en voor hoge bamboes 4 m². Voor de echte reuzenbamboes is 5 tot 10 m² echt het minimum.
De vorm van het plantvak is niet belangrijk, mits deze niet te smal gemaakt wordt (minstens een meter breed voor de grote soorten). Besef wel dat hoe langwerpiger het plantvak is, hoe meer folie nodig is voor eenzelfde oppervlakte.
Het ingraven
Dit is een lastig karwei, maar het is belangrijk dat het goed gebeurt om onaangename verrassingen te voorkomen. Om zeker te zijn dat de wortelstokken binnen de folie blijven moet deze folie helemaal rondom de plant worden ingegraven, waarbij de uiteinden worden omgevouwen (met een hamer) en in elkaar gehaakt. Deze verbinding kan worden vastgezet met bijvoorbeeld boutjes, popnagels of een plankje en spijkers. Er zijn soms andere systemen met metalen strips in de handel. De rand van de folie moet 2 à 3 centimeter boven de grond uitsteken. Pas op dat bij het ingraven de folie niet wordt beschadigd door scherp gereedschap.
Regelmatig controleren
Omdat de folie een stukje boven de grond uit steekt is het gemakkelijker te zien als de wortelstokken over de rand gaan (de meeste bamboes wortelen erg ondiep).
Dit is belangrijk! : Controleer minstens twee keer per jaar of de rhizomen niet over de folierand groeien. Als dit gebeurt, knip dan de uitloper af en graaf het ontsnapte deel uit, indien nodig. Na drie jaren groei is jaarlijkse selectieve snoei belangrijk. Elk jaar in de herfst mag 1/3 tot de helft van de oude en kromme halmen weggesnoeid worden om het evenwicht tussen het boven- en ondergrondse deel van de plant te bewaren.
Door lokale factoren of onjuiste toepassing is het nooit helemaal uit te sluiten dat een bamboe alsnog ontsnapt.
De bloei.
De grootbladige Pseudosasa japonica heeft in de jaren 80 intensief gebloeid. In tegenstelling tot de polvormende Fargesia kunnen woekerende bamboesoorten de bloei overleven omdat er in de lange uitlopers van het wortelstelsel veel reservevoedsel wordt opgeslagen. Daarom werd destijds bij Pseudosasa japonica door terugsnoei van de bloeiwijze de groei van nieuwe halmen gestimuleerd, waardoor de bloei uiteindelijk verdween. Deze bamboe heeft zich volledig hersteld. Hetzelfde herstel zagen we terug bij Phyllostachys flexuosa die in de jaren 90 door een totale bloei tijdelijk bovengronds afstierf. Bij Phyllostachys aureosulcata en de variëteiten “Aureocaulis” en “Spectabilis” worden er soms bloeiende takken gevonden. Dit soort bloei wordt ook wel sporadische bloei genoemd maar hoeft zeker geen aanzet te zijn voor een totale bloei van de soort. Bij sporadische bloei verliest Phyllostachys nauwelijks aan groeikracht. Na een totale bloei moet de plant in elk geval weer helemaal opnieuw beginnen. Hoewel we weten dat Phyllostachys-soorten een bloeicyclus tussen 40 en 80 jaar hebben is er (buiten Pseudosasa japonica) bij de hier beschreven soorten niet veel over een komende bloei te zeggen. Bij Phyllostachys kan dus omtrent de bloei meestal niets gegarandeerd worden. |
De soorten.
De groeihoogte van de hier beschreven hogere soorten ligt tussen 4 en 8 meter.
Phyllostachys aureosulcata behoort tot de beste en meest winterharde soorten voor een haag. De opgaande olijfgroene halmen hebben een gele streep op de platte kant van de halmen. Sommige stengels hebben een opvallende bocht aan de basis. De halmen staan vrij ver uit elkaar zodat het groeikarakter open is. Deze soort kan 5 tot 8 meter hoog worden.
Phyllostachys aureosulcata 'Aureocaulis' is de helemaal gele variant met de zelfde eigenschappen. De okergele halmen maken een schitterend kleurcontrast met het diepgroene loof.
Phyllostachys aureosulcata 'Spectabilis' heeft ook gele halmen maar hebben om en om een groene streep op de platte halmkant. |
 |
Phyllostachys bissetii heeft diepgroene naar geelgroen verkleurende halmen en weelderig donkergroen loof. Deze belangrijke bamboe heeft de reputatie de meest winterharde Phyllostachys te zijn en is daarom een veel betere keuze dan de veelgebruikte vorstgevoelige Phyllostachys aurea. De halmen worden tussen 6 en 7 meter hoog. Doordat de halmen dicht op elkaar staan is deze soort als haag geschikt voor open locaties en koudere streken. Phyllostachys humilis is een opgaande soort met smalle glanzende bladeren en dunnere groene halmen. Deze bamboe wordt meestal niet hoger dan 5 meter en is goed tot zeer winterhard. Phyllostachys humilis is te gebruiken op plaatsen waar de andere Phyllostachys-soorten te hoog worden en Fargesia’s te laag blijven. Phyllostachys atrovaginata en Phyllostachys parvifolia combineren hoogte met een grote winterhardheid en kunnen 6 tot 9 meter hoog worden. Beide zijn moeilijk te vermeerderen en daardoor nog slecht verkrijgbaar. Visueel lijken ze met hun dikke halmen en kleine bladeren op elkaar. Phyllostachys atrovaginata groeit statig rechtop en Phyllostachys parvifolia die door de Duitse bamboevereniging tot “Bamboe van het jaar 2006” verkozen is groeit wat losser en minder rechtop. Pseudosasa japonica is de bekendste grootbladige hogere soort met stugge opgaande halmen en sierlijk spits toelopend blad. De hoogte ligt tussen 3 en 5 meter. Deze bamboe is redelijk winterhard maar kan in strenge winters terugvriezen. Op beschutte plaatsen in zon en schaduw is dit een goede bamboe voor hagen. Pseudosasa japonica “Tsutsumiana” is iets beter winterhard en blijft met 2 tot 3 meter lager.
Semiarundinaria fastuosa is een bamboe met stug opgaande halmen, korte zijtakken en vrij groot blad. Het groeisilhouet is zuilvormig. Woekert weinig maar kan soms een enorme uitloper maken. De halmen verkleuren in de zon naar purper. Deze soort kan tot 8 meter hoog worden en is redelijk winterhard. Semiarundinaria viridis is iets beter winterhard, heeft diepgroene halmen en kleiner blad. Voor zon tot schaduw.
Andere keuzen.
Uit het grote assortiment van met name Phyllostachys zijn natuurlijk nog veel andere keuzes te maken,maar de verkrijgbaarheid daarvan is minder en de lijst wordt te lang. Opgaand, sterk en mooi zijn bijvoorbeeld Phyllostachys decora, Phyllostachys nuda en Phyllostachys rubromarginata. Wie toch wat wil gokken kan de imponerende reus Phyllostachys vivax “Aureocaulis” kiezen. Zo’n gok is in elk geval minder gewaagd dan de veel aangeprezen vorstgevoelige Phyllostachys aurea.
Jos van der Palen 
|
|
 |
Het kiezen van bamboe voor de tuin
De dagelijkse praktijk.
Er zijn veel redenen te bedenken om bamboe in een tuin toe te passen. Bamboe is groen in de winter, ruist in de wind, geeft privacy en een exotische “verre landen“ sfeer. De impulsieve stap om over te gaan tot de aanschaf van bamboe is snel gemaakt. Pas daarna komen meestal de vragen: Welke soort bamboe heb ik en past deze wel in mijn tuin, waarom groeit ie zo en wat moet ik doen aan onderhoud? Eigenlijk moeten deze vragen worden gesteld vóór de aanschaf. Dan kunnen de juiste beslissingen betreffende soortkeuze en groeiplaats nog genomen worden waardoor de beplanting met bamboe meer kans van slagen heeft. |
 |
De wens en de keuze.
Het huidige assortiment bamboe is groot. Hoe kiezen we hieruit de soort die we wensen en hoe kiezen we de juiste plaats hiervoor? We moeten in elk geval verschillende factoren zorgvuldig tegen elkaar afwegen, zoals de beschikbare ruimte in de tuin en de gewenste hoogte en groeivorm van de plant (overhangend en los tot stijf rechtop).
U wenst het volgende: Een compacte, opgaande bamboehaag die zonbestendig is, meer dan 3 meter hoog kan worden en niet woekert. U woont in het Rijndal.
Na wat zoeken en vergelijken zou u mogelijk bij Fargesia robusta terecht kunnen komen. Maar de verschillen in uiterlijk, groeivorm en winterhardheid tussen de vele variëteiten van deze bamboe zijn zo groot dat elke keuze tot een ander resultaat leidt. Fargesia robusta “Wolong” groeit uit tot een open, breed uithangende beplanting met grote bladeren. Er is veel kans dat deze vorm door zijn beperkte winterhardheid terugvriest. |
Eenzelfde aanplant met Fargesia robusta “Pingwu” resulteert in een brede, los uithangende haag. Omdat deze vorm in de herfst nogal wat blad afstoot is het winterbeeld niet altijd even mooi. Fargesia robusta “Campbell” levert een dichte, compacte, opgaande haag met kleine bladeren op. Wanneer de winters niet extreem koud zijn is dit de beste groenblijver, ook in de zon. Met deze bamboe zou u het dichtst bij uw wensen komen.
Maar is een hoogte van 2 meter+ voldoende en mag de aanplant er ruim, weelderig en los uitzien dan zou Fargesia “Rufa” (tegenwoordig Fargesia dracocephala “Rufa”) ook goed voldoen. Deze prachtig wintergroene en goed winterharde bamboe hangt wel over maar op ruimere plekken komt hij goed tot zijn recht.In uw tuin in Műnchen hebt u 10 jaar geleden uw in bloei geraakte Fargesia murieliae vervangen door een beplanting met Fargesia nitida. Deze bamboe staat nu in bloei. Toch wilt u weer een bamboe met dezelfde uitstraling maar deze keer met de zekerheid dat die voorlopig niet bloeit. Dan kunt u kiezen tussen de zaailingen van Fargesia murieliae, Fargesia denudata en Fargesia sp. jiuzhaigou.
Maar ook bij Fargesia murieliae is een keuze niet gemakkelijk door de grote diversiteit van de variëteiten geeft elke keus een ander eindresultaat. Wanneer er bijvoorbeeld op een zonnige locatie met koude winters een losse, opgaande beplanting verlangd wordt dan zouden veel variëteiten van |
 |
Fargesia murieliae door hun doorhangende karakter behoorlijk kunnen teleurstellen. Hier zijn Fargesia murieliae “Standing Stone” of “Vampire” veel beter op hun plaats.
Wil men in de schaduw een wintergroene haag aanplanten die lager blijft dan 2 meter dan heeft men de keuze uit de variëteiten “Bimbo” en “Lava”. Mag de bamboe niet te los groeien dan is “Bimbo” de beste keuze. Waar de groeiplek voor “Bimbo” te zonnig is kan juist “Lava” het wel naar zijn zin hebben. Pas op voor “oude generatie” Fargesia murieliae, die onder verschillende namen steeds opnieuw in omloop wordt gebracht!!! |
 |
Fargesia sp. jiuzhaigou 1 groeit het meest compact en is ook het meest opgaand en is voor een hoogte tussen 2 en 3 meter de beste keuze. Fargesia sp. jiuzhaigou Willumeit 4 is de kleurrijkste vorm en Fargesia sp. jiuzhaigou Willumeit 9 is de meest groeikrachtige. De laatste wordt met 4 meter+ het hoogst maar heeft ook meer ruimte om te groeien nodig.
De verschillende variëteiten van Fargesia robusta, Fargesia murieliae en ook Fargesia sp. jiuzhaigou kunnen dus in hoogte, groeikracht, groeivorm, zonbestendigheid en soms winterhardheid enorm verschillen en behoren daarom met zorg te worden gekozen. |
Deze factoren moeten tegen elkaar worden afgewogen om die soorten te kiezen die mogelijk zijn en die dan ook nog aan uw wensen voldoen. Omstandigheden zoals klimaat, bodem, zon of schaduw beperken of vergroten deze keuzemogelijkheden.
Beplantingen die hoger moeten worden dan 4 meter zijn in de regel woekerende soorten waarbij wortelbegrenzer gebruikt |
moeten worden Uit het grote Phyllostachys assortiment moeten net als bij de Fargesia’s de meest geschikte kandidaten gekozen worden. Voor een 5 tot 7 meter hoge opgaande beplanting in koudere streken zijn bijvoorbeeld Phyllostachys aureosulcata + variëteiten heel geschikt. Nog hoger worden daar de moeilijker verkrijgbare Phyllostachys parvifolia en Phyllostachys atrovaginata. In gebieden met een milder klimaat kunnen meer soorten zoals Pseudosasa japonica, Semiarundinaria fastuosa en Semiarundinaria viridis gebruikt worden. Voor een dichtere bosschage zijn Phyllostachys bissetii en Phyllostachys humilis meer geschikt.
Phyllostachys-soorten omvatten een uitgebreide verzameling aan hogere bamboes. Voor de avonturiers onder ons zijn er binnen deze kleurrijke groep nog heel wat spannende toepassingsmogelijkheden te ontdekken.
Komt u er niet uit dan is de hulp van een in bamboe gespecialiseerd bedrijf de beste optie. Zij kunnen u de juiste soort voor de juiste plaats aanbevelen, en mogelijk kunnen zij ook de soorten van uw keuze in een demonstratietuin aanwijzen. |
De naamgeving
De naamgeving van bamboesoorten is verwarrend. Een naam is een aan regels gebonden hulpmiddel om het onderscheid tussen de soorten en variëteiten gemakkelijker te maken. Bij elke soortnaam hoort een meestal variabele verzameling bamboes die omschreven belangrijke eigenschappen delen. Een variëteitnaam hoort bij één individu van de soort die zich door bepaalde kenmerken onderscheidt. Nieuw geïmporteerde bamboes krijgen, wanneer de soortnaam niet zo zeker is een nummer zoals Fargesia KR 8287 of een geïmproviseerde naam zoals Yunnan 1 of 2, Fargesia sp. scabrida (zie GP 2/2005) of Fargesia “Rufa” (zie GP 2/2001) Meestal laten de botanici jaren op zich wachten voor ze zich met deze planten bemoeien.
Fargesia “Rufa” is door de engelse bamboespecialist Chris Stapleton recent als de echte Fargesia dracocephala geïdentificeerd en heet nu dus Fargesia dracocephala “Rufa”. Het zal zeker nog een hele tijd duren voordat deze naam echt ingeburgerd is, vooral omdat de nu gebruikte naam Fargesia “Rufa” goed in de mond ligt. Fargesia dracocephala, een voor onze tuinen niet zo belangrijke soort kreeg van Chris Stapleton de nieuwe naam Fargesia apicirubens. Onduidelijk is waarop deze “status van een nieuwe soort” eigenlijk gebaseerd is. |
 |
omkomen in de variaties van de nieuwe generatie (en helaas nog steeds oude generatie met nieuwe namen) van Fargesia murieliae. Wellicht zitten er variëteiten bij die echt de moeite waard zijn maar de meeste zijn kleine variaties op hetzelfde thema. Fargesia murieliae “Standing Stone” is zo’n goede selectie waar niet ten onrechte kwekersrecht op is aangevraagd. Er zou een proeftuin moeten komen waar alle aangeboden variaties van Fargesia murieliae en binnenkort ook de geselecteerde zaailingen van Fargesia nitida een plaats krijgen. Zo’n tuin kan een licht werpen op verborgen nieuwe eigenschappen van onze belangrijkste tuinbamboes.
Sommige bamboes zijn als soort uit China ingevoerd maar krijgen in de handel toch variëteitnamen toegevoegd waardoor het lijkt of het gaat om nieuwe typen. In de V.S. is het tegenwoordig de gewoonste zaak van de wereld om achter de bestaande soortnaam nog een fantasienaam te zetten. Daar worden op dit moment bamboes aangeboden met namen als Fargesia jiuzhaigou “Red Panda”, Fargesia robusta “Green Screen”, Fargesia rufa “Green Panda”, Phyllostachys nigra “Black Jade” en Pleioblastus fortunei “Little Zebra”, terwijl het toch echt om de bestaande oude soorten gaat en niet om nieuwe variëteiten. Ook Phyllostachys atrovaginata is in Europa alleen als soort verspreid en zijn er, zover ik weet, geen variëteiten van bekend.
De eerste naam voor de bekende “rode bamboe” uit het Jiuzhaigou-park was Fargesia sp. Jiuzhaigou 1 en niet Fargesia “Sundance” of “Jade”. Het wel of niet toebehoren van deze bamboe bij de Fargesia nitida-groep is een twistpunt maar zolang er over de naamgeving nog zo veel onduidelijk is lijkt het me verstandiger deze naam voorlopig te behouden. Elke zaailing van Fargesia murieliae en Fargesia nitida kan een variëteitnaam krijgen. Elke individu heeft hier in principe recht op maar in praktijk loopt dit natuurlijk al snel uit de hand. En dat zien we nu bij Fargesia murieliae al gebeuren. Er worden misschien wel 100 variëteiten met 100 verschillende namen aangeboden. Veel leveranciers of kwekers proberen hun nieuwe producten met prikkelende en fantasievolle namen zo snel mogelijk aan de man te brengen waardoor we momenteel bijna |
 |
Vermeerderen
De manier van vermeerderen kan ook een grote rol spelen in het uiteindelijke groeiresultaat van een beplanting. Hierdoor is momenteel niet goed te overzien of de groei-eigenschappen van de soorten en variëteiten ook daadwerkelijk aan de jonge planten worden doorgegeven. Vooral bij het vermeerderen in vitro van Phyllostachys soorten lijkt nog niet alles te lopen zoals het moet. Er zijn bestanden bekend van zo vermeerderde soorten Phyllostachys die na 6 groei-jaren nog niet hoger zijn dan twee meter en alleen maar grote bladeren en dunne halmen produceren. Normaal zouden deze planten al minstens 5 meter hoog zijn moeten zijn. Hier is het probleem een trekkende markt en een gebrek aan geduld. |
Groeiproblemen en groeiplaatsen.
Vaak krijgen we na de winter meldingen over bruine en/of dode bamboeplanten. Bij navraag gaat het dan meestal om relatief grote planten die in te kleine potten staan of in cementkuipen zijn ingegraven. Hierdoor ontvangt het wortelstelsel bij regen nauwelijks water waardoor de planten verdrogen. In een droge, winderige periode in de winter blijft het blad verdampen en de wortels kunnen geen vocht meer opnemen. Het is belangrijk te beseffen dat de meeste bamboesoorten van oorsprong in klimaatgebieden groeien met anderhalf tot drie maal meer neerslag dan bij ons.
Te natte groeiplaatsen kunnen ook voor groeistoornissen zorgen. Ook al wordt bamboe vaak in verband gebracht met oeverbeplanting zoals riet, in het water sterft het wortelstelsel af door zuurstofgebrek.
Bekend zijn de verhalen van niet-ingeperkte woekerende bamboes welke te dicht langs de bestrating aangeplant zijn. Vaak zien we dat de bamboewortels beter onder de bestrating groeien dan in de tuingrond. Dit komt doordat condensatie van verdampend bodemvocht zich direct onder het plaveisel verzamelt waardoor het daar tijdens warme droge zomers vochtiger is. De bamboewortels zoeken deze extra warmte en vocht onder de bestrating op. Geef hier extra aandacht aan een wortelbegrenzer. Overigens hangt de mate van woekeren ook samen met het bodemtype. Uit ervaring is gebleken dat potentieel woekerende bamboes op zware kleigronden (rivierklei, komklei) nauwelijks woekeren en zelfs voornamelijk als grote pollen (horsten) groeien. Op zandgrond en vooral op (laag)veengronden verspreiden woekerende soorten zich veel sneller en worden de meeste Fargesia’s hoger. |
 |
Tips voor de tuin.
De planttijd begint wanneer de vorst uit de grond is en kan voor de sterkere soorten doorgaan tot de late herfst. Geef bij late aanplant wat extra winterbescherming met blad of stro. Vóór aanplant moeten de kluiten van containergeteelde bamboes enige tijd worden ondergedompeld in water, maar haal hierbij de wortels nooit te hardhandig uit elkaar.
Geef een bamboe indien mogelijk een tegen de noorden- en oostenwind beschutte plaats in goed doorlatende, humusrijke grond. Voorkom droogte en natte voeten..
Na het planten is overvloedig water geven belangrijk, zeker in een langere droge periode moet dit regelmatig herhaald worden totdat de wortels uit de kluit in de grond gegroeid zijn. Met tussenpozen door en door water geven is beter dan elke dag een klein beetje, de wortels mogen namelijk niet uitdrogen. Eenmaal aangegroeid houdt bamboe op tijd van water maar is dan minder kwetsbaar. Een barrière tegen de uitlopers van woekerende soorten is belangrijk.
Het wegsnoeien van zwakke, dunne en oude stengels bevordert een forsere groei en geeft de ondergroei meer licht. De beste tijd hiervoor is februari/maart. |
Bamboes houden van humusrijke grond. Voor het planten moet de bodem goed voorbereid worden en hiervoor kan eigengemaakte compost, oude paardenmest of gekochte tuincompost gebruikt worden. Zeker als de grond arm is en er toch een reuzenbamboe moet gaan groeien mogen deze meststoffen ruim door de bestaande grond gemengd worden. Later bijmesten gaat het gemakkelijkst met organische meststoffen in korrelvorm. Chemische mestkorrels worden niet aangeraden omdat de groei in korte tijd te veel gejaagd wordt.
|
Verkoopplaatsen
Veel bamboes worden tegenwoordig in grote aantallen aangeboden in warenhuizen en tuincentra. De bamboekennis van het verkopend personeel is maar al te vaak minimaal en men weet zelden wat men verkoopt of waar de planten vandaan komen. Veel vooroordelen over bamboe blijven hierdoor bestaan, ook omdat veel tuincentra nauwelijks geïnteresseerd zijn in de bestrijding van deze vooroordelen, door onvolledige, onjuiste of ontbrekende informatie en verkeerde naamgeving. Nog altijd worden Phyllostachys soorten zonder wortelbegrenzing als niet woekerend aangeboden, waardoor het imago van bamboe benadeeld wordt. De klant verliest daardoor het onderscheid tussen de werkelijk polvormende en woekerende soorten |
 |
Jammer genoeg vindt men op veel verkooppunten nog regelmatig slechte Fargesia murielae cultivars en bloeiende Fargesia nitida.
De praktijk wijst uit dat er op basis van een goed advies en een passende soortkeuze bij de betreffende situatie van de klant zich zelden problemen voordoen. |
Ongedierte
Tot voor kort leek bamboe nauwelijks gevoelig voor ongedierte. Er was soms een bladluizenplaag op Pseudosasa japonica maar die verdween weer snel.
In de laatste decennia zijn er twee soorten bamboemijten, Schizotetranychus celarius en Schizotetranychus nanjingensis [nieuwe naam: Stigmaeopsis] vanuit Zuid-Europa naar noordelijker streken gemigreerd. Ooit zijn ze meegelift met planten die uit China en Japan werden ingevoerd. Aan de onderkant van het blad weven deze mijten hun nesten en binnen deze bescherming doen ze zich tegoed aan de inhoud van de bladcellen. Inmiddels kan iedereen die bamboe transporteert, ruilt of inkoopt ze ongemerkt krijgen. Tot nog toe werden deze nieuwe indringers in balans gehouden door de inheemse roofmijten en andere jagers maar door de warme zomers en lange nazomers lijken ze zich ook hier steeds meer thuis te gaan voelen.
In Oregon aan de westkust van de V.S. was de bamboemijt al langer een probleem. Maar op plaatsen waar de roofmijt Amblyseius fallacis (nieuwe naam: Neoseiulus) is uitgezet zijn daar de bamboemijten na 2 jaar voor bijna 100% verdwenen. Deze goed winterharde en in West Europa voorkomende, als ingeburgerd beschouwde en toegestane roofmijt zou volgens ervaringsdeskundige Brian Spencer van Applied Bio-nomics in British Columbia, Canada, ook in ons klimaat bijzonder effectief moeten zijn zodat hij aanraadt deze soort in te zetten. De eerste veldproeven met de roofmijten Amblyseius fallacis en ook Amblyseius andersoni zijn begonnen. Het komende jaar moet daarvan al het effect te zien zijn en over twee jaar moet het probleem volgens Brian Spencer, op grond van de ervaringen in Oregon, onder controle kunnen zijn.
Ook een soort bloedluis, de wollige dopluis, kan bij sommige bamboes waarvan de schutbladeren stevig aan de stengel blijven zitten voor een achterblijvende groei zorgen. Zoals we nu kunnen zien lijkt deze overlast van voorbijgaande aard.
Voor particulieren en bedrijven worden de hier genoemde biologische bestrijdingsmiddelen o.a. aangeboden door:
Benfried www.benfried.com info@benfried.com
Biobest (www.biobest.be) |
Jos van der Palen (met medewerking van Johan van der Perk) Gartenpraxis Nr. 6/2007  |
|
 |
 |
Bamboe en architectuur.
In onze moderne, strakke stadsarchitectuur kan de keuze van bamboe als beplanting bijzondere resultaten opleveren, want geen andere plant is in staat om zo snel leven te brengen op plaatsen van statische bebouwing en zo’n sterke harmonie met de omgeving te creëren.
Toepassingen in de stad
In de stedelijke gebieden van West-Europa’s mildere streken is bamboe tegenwoordig een vanzelfsprekende verschijning geworden. Vooral tijdens een winterse wandeling in de stad trekt het groen van bamboe meteen de aandacht. Pas dan zie je hoeveel er eigenlijk met deze plantengroep wordt gedaan. Dikwijls dient bamboe als afscheiding om iets aan het zicht te onttrekken of wordt ze als decoratie in potten of bakken gebruikt. Op allerlei manieren wordt van de wintergroene eigenschappen gebruikt gemaakt om er door het jaar heen terrassen, binnenhofjes en saaie bebouwing mee te verlevendigen. Zelfs in kleine uitsparingen wordt er nog een plaats gevonden om een wintergroen gordijn van bladeren te creëren en op beschaduwde, beschutte plekken of op balkons kan bamboe in een stad -waar het gemiddeld enkele graden warmer is- in grotere bakken of potten jarenlang overleven. Vaak zijn de oplossingen inventief, duurzaam en boeiend, maar zeker niet alle toepassingen zijn geslaagd. Want vaak kom je ook de half verdroogde resten van bamboes tegen in te kleine potten die ooit bedoeld waren om er een terras mee te verfraaien of is er een beplanting aan de wandel gegaan.
Groenvoorziening
In verschillende steden wordt er met bamboe als plantsoen- en stadsbeplanting geëxperimenteerd. Gemeentelijke instellingen verantwoordelijk voor de groenvoorziening kunnen zich tegenwoordig beter informeren maar in praktijk komt hier nog weinig van terecht. In een aantal gevallen wordt er een beroep gedaan op professionele ondersteuning en misschien wel daardoor zien we toch meer beplantingen met bamboe die geslaagd zijn. In het centrum van Eindhoven (zuid Nederland) zijn lange stenen bakken gemaakt van ongeveer een meter breed die beneden kontact maken met de volle grond. Hierin moest een beplanting komen die samen met de 80 cm hoge bakken manshoog zou zijn. De geadviseerde Fargesia “Rufa” (= Fargesia dracocephala ‘Rufa’) voldoet op deze plek prima en is wat betreft zonbestendigheid , hoogte, dichtheid, winterhardheid en wintergroen aanzien perfect op zijn plaats. Soms mogen omwonenden meebeslissen in een wijkbeplanting en dan haalt een voorstel met bamboe het bijna nooit. Veel mensen maken elkaar bang door niet onderbouwde verhalen over woekeren en zien in hun angstdromen hun hele wijk in een bamboebos verdwijnen. In deze indianenverhalen zou bamboe zelfs door beton en muren kunnen groeien en dit is iets wat technisch onmogelijk is. Het is dan niet gemakkelijk uit te leggen dat er met behulp van vakkundige voorzorgsmaatregelen en een gepaste soortkeuze juist een vriendelijke en uitnodigende sfeer kan ontstaan. |
 |
Grootschalige projecten
Veel Europese architecten en vormgevers laten zich inspireren door de krachtige beeldtaal van bamboe en dat is ook de reden waarom zij dit reuzengras in openbare ruimten zoals winkelcentra, kantoren en andere gebouwen regelmatig inplannen. Toch komt een aanzienlijk deel van deze plannen niet tot een goed einde. Er wordt te vaak voorbijgegaan aan deskundig advies van een expert en dat is een belangrijke voorwaarde om succes te hebben. In veel projecten met bamboe denkt de betrokken aannemer, architect of hovenier ineens verstand van zaken te hebben. Karrenvrachten verkeerde bamboes worden steeds weer op een onjuiste manier en foute plaatsen uitgeplant. Wat in de USA en veel oosterse landen wel gewoon gerealiseerd kan worden lijkt in Europa vaak te verzanden in de bureaucratie rondom het verdelen van deze projecten.
Onderhoudscontract
Het kan ook anders. In 1980 werd een succesvolle procedure gevolgd bij de beplanting met reuzenbamboe in het IBM gebouw in New York. De Amerikaanse grassenexpert Soderstrom werd aangetrokken en hij adviseerde op die plek de soort Phyllostachys nigra “Henonis”. Ook maakte hij meteen een langtermijn contract voor professioneel onderhoud. Daarin stond onder anderen dat deze soort bamboe op deze plek om de 3 tot 4 jaar vervangen moest worden. De binnensituatie was niet helemaal ideaal voor deze soort en de beplanting zou er daarom op den duur wat minder aantrekkelijk kunnen gaan uitzien. Voor dit doel werden ruim van te voren grote planten in noord Florida opgepot, geworteld en daarna verscheept naar New York. Wanneer men destijds voor een subtropische soort, bijvoorbeeld Bambusa oldhamii, had kunnen kiezen dan zou herbeplanting mogelijk niet nodig geweest zijn maar deze bamboe was in de jaren 80 nog nauwelijks verkrijgbaar. Het aantrekken van een expert en het langtermijn contract zorgden ervoor dat dit project een groot succes werd en dat er ook nu nog bamboe staat. In navolging van dit idee zijn er sindsdien in veel meer stedelijke gebieden van de USA projecten met bamboe als hoofdbeplanting gerealiseerd. |
 |
Een bezoek aan de westkust (USA)
Zomer 2008 bezocht designer, fotograaf en bamboefan Eric Fandel aan de Noord-Amerikaanse westkust twee plaatsen waar bamboe, mensen en gebouwen elkaar treffen. Hier volgen zijn indrukken.
De eerste plaats was het Stanford University Medical Center in Palo Alto in Californië. Dit zeer moderne gebouwencomplex is vormgegeven met veel glas en staal. Een binnenplaats verbindt met trappen, liften en bruggen de twee gebouwen. Van boven en aan de zijkant wordt de sterke zon afgezwakt door een open roestvrij stalen raster. Hierdoor ontstaat een luchtige, licht beschaduwde en verkoelende oase in de omringende zomerhitte. De bamboe (alweer Phyllostachys nigra “Henonis”) groeit in deze buitensituatie veel beter dan in het IBM gebouw en hoeft hier niet om de 3 tot 4 jaar vervangen te worden maar vraagt natuurlijk ook hier professioneel onderhoud. Het dichte gebladerte en de halmen zorgen voor een soort buffer tussen de verschillende delen van dit moderne gebouw en zwakt de rechte lijnen van het vele glas en staal af. Zo wordt er een natuurlijke omgeving gecreëerd voor contact, communicatie, ontspanning en rust.
Het tweede bezoek bracht hij aan de “J.P. Morgan’s West Coast Headquarters” in downtown San Francisco. Dit 1400 vierkante meter grote plein ligt verzonken tussen de 31 verdiepingen hoge kantoren van J.P. Morgan. De bebouwing en inrichting van dit plein werden in 2002 voltooid. De stenen banken en traptreden, de schaduw van de bamboes en esdoorns en ook de zon bij het waterbekken nodigen de bezoekers uit om te gaan zitten en uit te rusten. Het plein is in de middagpauze een geliefd trefpunt voor bankiers geworden. Hier kan men rust vinden maar ook rondkijken en gezien worden. De bamboe begrenst het plein aan een kant en onttrekt een hoge blinde muur aan het zicht. De strakke uitvoering van de stenen elementen, de enorme bamboes (Phyllostachys vivax en Phylostachys nigra), de grote potten met esdoorns en het water stralen samen in het midden van een hoge huizenjungle een grote rust uit. Dit project kreeg twee belangrijke prijzen, namelijk: National American Society of Landscape Architects Design Merit Award, 2003- 7x7 Magazine, Best New Public Space, 2004. Een metalen kunstwerk met roterende cirkels in het midden van het waterbekken werkt wat vervreemdend en past eigenlijk niet in het totaalbeeld. Desondanks is dit plein uniek en de magische atmosfeer van deze plaats laat de drukte van de nabijgelegen Mission Street vergeten. |
 |
De oostkust (USA)
Ook in steden aan de oostkust van de USA zijn er veel voorbeelden met bamboe als hoofdbeplanting te vinden. Chris DeRosa, de eigenaar van “New England Bamboo Company” in Rockport (dichtbij Boston) heeft in o.a. New York en Boston op een aantal ontmoetingsplaatsen, waaronder het oude IBM-gebouw, de beplanting uitgevoerd en de verzorging op zich genomen. In “Avenues of the Americas” in New York is bamboe gebruikt om enkele pleintjes aantrekkelijker en meer uitnodigend te maken voor ontspanning en rust. De stalen zitjes en tafels en massieve muurtjes worden benut om er de lunch te gebruiken. Door een felrode façade waarin grote ovale gaten zijn uitgespaard wordt een lelijke blinde muur aan het zicht onttrokken. Door deze gaten steekt het contrasterende groen van de achter deze wand geplaatste bamboe. Een stukje verder wordt een andere blinde muur effectief weggewerkt door bamboe in bakken. Het formaat van de bakken en de beschutte locatie geeft deze planten met behulp van juiste verzorging een behoorlijk kans om zich lang te handhaven.
Op een andere locatie in Chinatown zorgen felrode, hoge open raamwerken voor contrast met enkele groepen hoge bamboes en geven deze ook ondersteuning. In het Prudential Center in Boston zijn bamboes gebruikt in een binnensituatie. De lichte atriums krijgen met deze beplanting juist die speelsheid en allure die ze nodig hebben. Ook hier is een onderhoudscontract met herbeplanting. Ook bij de volgende twee projecten is Chris DeRosa de adviseur en leverancier. In het atrium van het Goldman Sachs-gebouw in New York zijn net als in het IBM gebouw groepjes bamboe gebruikt om de ontspanningsruimte te verlevendigen maar hier is de beplanting wat lager. En in Washington DC maakt kolossale groep bamboe, (Phyllostachys nigra “Henonis”) indruk op het plein bij het Thurmond R. Marshall gebouw. Deze soort kan alleen in een klimaat met hete zomers zulke proporties bereiken en zou in midden Europa meestal niet de beste keuze zijn. |
 |
Europa
In de bamboetuin van het Parc de la Villette in Parijs (van landschapsarchitect Alexandre Chemetoff) werd al eind jaren tachtig gebruik gemaakt van de spannende combinatie van beweeglijke bamboe met statische architectuur. In de negentiger jaren was deze tuin het veelgeprezen schoolvoorbeeld van moderne toepassing van bamboe. De 6 meter diep verzonken tuin wordt doorsneden met stalen bruggen en buizen. Bij mijn laatste bezoek in het voorjaar van 2008 was de uitstraling door achterstallig onderhoud er erg op achteruit gegaan. Een snoei- en opruimbeurt van misschien 100 manuren onder deskundige leiding zou deze tuin direct kunnen herstellen in zijn oude glorie. |
 |
Voorwaarden
De voorwaarden om projecten waarin bamboe centraal staat te laten slagen komen erg nauw. Er is een gedegen voorbereiding nodig en die zou moeten beginnen met het aantrekken van een deskundige op het gebied van bamboe. Hij kan de soortkeuzes maken, de grond samenstellen en hij kan ook de langtermijn verzorging vorm geven en ruggespraak houden met het onderhoudspersoneel. Het uitbesteden aan derden, hoe goed bedoeld ook, loopt te vaak uit op teleurstellingen. Twee voorbeelden zijn het project met zwarte buitenbamboe (Phyllostachys nigra) in de warme tv studio. Of het niet professioneel aangelegde en onderhouden bamboeproject bij het kantorencomplex van het Flight forum in Eindhoven waar Phyllostachys aureosulcata door een jaarlijkse snoeibeurt met een heggenschaar op een meter hoogte wordt gehouden en waar de uitlopers inmiddels al hun weg hebben gevonden in het asfalt. De voorbeelden uit de Verenigde Staten laten zien dat het ook anders kan. |
 |
Jos van der Palen (met dank aan Eric Fandel en Chris DeRosa) 
Foto 1:Eric Fandel-Stanford University Medical Center in Palo Alto, Kalifornien. Foto 2: Fargesia 'Rufa' Centrum van Eindhoven. Foto 3: Chris DeRosa- Thurmond R. Marshall Building in Washington DC. Foto 4: Chris DeRosa-Prudential Center, Boston, Foto 5: Chris DeRosa- Atrium van het IBM gebouw. Foto 6: Chris DeRosa- Chinatown New York, Foto 7 Chris DeRosa- Avenue of the Americas New York |
|
 |
| New Garden Bamboo’s
Not yet ten years ago any new bamboo was seen as a possible enrichment. At this very moment the available assortment counts hundreds of species. So it’s time to reflect. Therefore we hold our pace to see what our collecting mania has delivered us so far. New possibilities will be given attention as long as they seem an asset. To avoid mentioning a lot of names instantly, we take the Central-European climate with the cold winter of 96/97 in mind, when we had minimum temperatures of 18 to 22 degrees below zero. |
A gordian knot
The major problem with bamboo’s is that the borderlines between the species are often hard to define. As a rule intermediate forms will disappear eventually in the process of specification. But, the evolutionary process of the northern bamboo’s is, like the rhododendrons and eucalyptus, still going on vividly. Many bamboo species tend to intermediate forms along the borders of their distribution range. More than 75 Fargesia species have been given very precise botanical descriptions. New specimens collected in the wild differ most of the time so much from the botanical descriptions that one is hardly able to point out to which species it actually belomgs. A recently introduced Fargesia robusta with large leaves fits more to the botanical description than the specimen we already knew.
A few seedlings, brought in from the nature reserve Jiuzhaigou in northern Sichuan show an obvious relationship with Fargesia nitida, but differ so much from the original description of this species that it is virtually impossible to consider these as real nitida’s Almost any time when this species is collected in its vast distribution range, the specimen involved is surprisingly different from the ones that are already in culture.
In Phyllostachys another problem pops up. As a horticultural and agricultural species for thousands of years hardly any natural location can be found these days. Many bamboo’s that are propagated for their usefulness over and over, were once collected as superior specimens at their natural locations or selected as seedlings after a flowering period. Many of them were later unjustly described as real species. Considering the diversity of the Fargesia murieliae seedlings, the chaos after thousands of years of Phyllostachys culture is not difficult to imagine. But as long as there is no better system of classification we have to make shift with what we have.
Tall and big bamboo’s
Tall and big. Maybe these two words form the moving spring of our obsession. Almost anyone is struck by the magic of the giant culms. Talking about the size of our bamboo’s, we are very much like anglers. Supported by broad arm gestures proportions are pointed out. My first wish was, to stick to the angling business, to grow bamboo’s as tall as fishing rods in my garden. Now I have redefined the limits and many of the culms have outsized the average fishing rod.
The Central-European climate seems not good enough to species like Phyllostachys pubescens and Phyllostachys viridis to reach gigantic dimensions. Also Phyllostachys bambusoides seems to prefer warmer summers and milder winters. Phyllostachys violascens, formerly considered to be a ‘bambusoides’ but at present seeming to belong to ‘preacox’, develops also in less warm summers quickly big culms, but is succeptible to dry winds and low temperatures. Even the two bigger phyllostachys nigra forms ‘Boryana’ and ‘Henonis’ turn out to be not strong enough to withstand long cold winters. Phyllostachys vivax, together with its breathtaking yellow culmed form ‘Aureocaulis’ and the green and yellow ‘Huanwenzu’ , was praised towards heaven by the Chinese for its hardiness, was disappointing after the severe winter of 1996/’97. At less protected locations this bamboo could not cope with the combination of hard wind and severe frost. The yellow culms of ‘Aureocaulis’, if not frozen off, got covered with brown blots. But in area’s where winters don’t strike hard regularly, Phyllostachys vivax remains a most impressing giant by its vigour and big culms.
During the last six years, since China made it possible, plane-loads of bamboo’s were sent to Europe. Sadly enough a lot went already wrong during digging up and packing. In the box, labelled Phyllostachys propinqua, we found at least four different species. The Phyllostachys vivax box caused even more confusion. It was sheer luck that the yellow culm bamboo’s sent together with Phyllostachys vivax ‘Aureocaulis’ were easy to recognise. All this caused a lot of confusion and misunderstanding. A part of the bamboo’s imported as Phyllostachys propinqua appeared to be in flower and not very hardy. We imported this particular species in order to get much material of the ‘Beijing’ or ‘Li Yü Gan’ clone. A variety that was introduced in the late eighties. This robust bamboo of outstanding hardiness had already earned some fame and is by far superior to the specimens that were imported later as Phyllostachys propinqua. In that period a few hardy giants came to Europe, but we are still breaking our minds about their identification. Two of them survived the severe winter of ‘96/’97 without problems and produced in three growing seasons culms of about 4 cm diameter. One of these might be a strong Phyllostachys dulcis, despite the frost sensitive clone from the USA with the same name we knew already. The other bamboo looks very much like a Phyllostachys iridescens without stripes.
A giant that has the power to develop well in cooler areas and colder winters is Phyllostachys parvifolia. This one should not be confused with a small leafed form of Phyllostachys nuda that has been sold under this name. The hardiness of this small leafed bamboo is superior to Phyllostachys vivax, but similar in its vigour. On the list of possible assets to the gallery of giants Phyllostachys prominens should not be absent. This bamboo with prominent protruding nodes shows an enormous vigour and a more than good hardiness. We just have to be on the lookout for the coloured varieties of these species.
Two pretty hardy bamboo’s for a warm location are the similar species Phyllostachys atrovaginata and Phyllostachys virella. Both are not tall growing, but do produce big culms. Both produce a typical incense or ‘sandalwood’ scent when the culms are rubbed. Only the shoots of Phyllostachys virella are of a slightly lighter colour. As to me these are two forms of one and the same species.
A real giant with a total different appearance is Bashania fargesii. Notorious for its expansive nature this hardy, large leafed species is a good one given room to move and sheltered for hard winds.
Within the group of not so tall and big bamboo’s nothing has changed very much. Phyllostachys aurea has proven to be not well suited to the Central-European climate, but both Phyllostachys. aureosulcata and Phyllostachys bissetii are undisputed at the top. These two are closely followed by species like Phyllostachys angusta, Phyllostachys humilis, Phyllostachys decora, Phyllostachys nuda etc. If culm colour and hardiness are the main criteria Phyllostachys bissetii is the best in green and Phyllostachys aureosulcata ‘Spectabilis’ in yellow. The slightly less hardy Phyllostachys arcana ‘Luteosulcata’ is favourite when the culms have to be green with yellow variegation. In black we still have to be satisfied with the not so strong Phyllostachys nigra. Maybe a bit less spectacular, but with its own peculiar appeal Phyllostachys aureosulcata ‘Harbin’ with its grooved culms might be an asset to this group. Six years after its discovery the reversed form, Phyllostachys aureosulcata ‘Harbin-Inversa’ seems to have hardly left the UK. The variegated Phyllostachys aurea that is now in flower and seeming to revert to the green form has found a replacement in the hardier Phyllostachys bambusoides ‘Albovariegata’. Some leaves of this species are even of a coppery colour in the shadow.
A clumping species Neosinocalamus affinis was described by the Chinese as hardy to minus 15º Celsius. When at last a specimen of the cultivar ‘Flavodorivens’ was in the position to prove itself in our climate, this bamboo could withstand a few degrees frost at its best. The high expectations were not proved, possibly due to a mistake by the typist.
Semiarundinaria
Among the stately growing group of Semiarundinaria S. yashadake ‘Kimmei’ with yellow culms and green striping seemed to add something. De green form Semiarundinaria yashadake proved, hand in hand with Semiarundianria viridis, to be one of the hardier species. Sadly enough Semiarundinaria yashadake ‘Kimmei’ turns out to be less frost resistant and belongs probably to the genus Pleioblastus.
Brachystachyum densiflorum is a new kid on the block in this group of upright growing and hardy species. It’s not easily to confuse with other species by its conspicuously coloured shoots.
Pseudosasa
Pseudosasa japonica lets us down as an evergreen during severe winters. It’s just because of its recuperative power that we can find this large leafed bamboo still in our gardens.
If we want a hardy and evergreen bamboo, Bashania quinchengshanensis with similar emanation and a height of over 3 meters is a great addtion to the large leafed bamboo’s. Possibly this bamboo with a much to long name will fit well within the range of variation of Bashania fargesii. Two Pleioblastus species Pleioblastus amarus and Pleioblastus juxanensis belong also to this group because of their bigger culms and large leaves and are well prepared to survive severe winters.
Fargesia
Until now about 80 species of this complex group of clumping bamboo’s are described. A number of them are now placed in the new genus Borinda. Without doubt this group contains the bamboos we dream of since long. Due to their high altitude and inaccessible natural locations new Fargesia’s are difficult to collect. A nice job for the real plant hunter. For the trade in this group we will find hardy species with bigger culms which will be an answer to the bad reputation of the expansive nature of, for instance, Phyllostachys.
If Ernest Wilson in 1907 had collected a Simba type of Fargesia murieliae we would have lived with the conviction that this species grows to a height of two meters at the most. It seems odd that no bambusero picked up the idea of exploring the Shennongjia area of the Chinese province of Hubei to study the natural variation of our hardiest and most successful garden bamboo. Whatever giants and dwarfs, upright or pendulous or with different leaf shapes might be found there: they would put the major part of the offspring of our Wilson clone in their shadow. Due to the self pollination we will have to find satisfaction in a limited variation that makes it difficult to realise proper selections.
Some of the better selections are ‘Jumbo’ with yellowish green culms, and ‘Kranich’ with reddish sheaths. The latter, very similar to the motherplant, got mixed with old generation. This caused some confusion and we have to wait for the real ‘Kranich’ until all ‘old generation’ plants have exposed themselves by their flowering. The lower growing form ‘Simba’ is better replaced by a better selection. As far as we know, apart from the Wilson clone just one other Fargesia murieliae has been introduced in Europe under the name of SABE 939. This one started, as was to be expected, also flowering. Possible cross pollination with the ‘old’ Fargesia murieliae might provide ‘new blood’ and perhaps new forms. Fargesia robusta has gained some popularity as a non running bamboo. Although the hardiness is unlike Fargesia murieliae, this species with its contrasting paper-white culmsheaths tolerates quite some frost on a sheltered spot. In between several new forms have been introduced. The most remarkable has very large leaves for a Fargesia and makes the name robusta well understandable. Whether this form is as hardy as the ‘old’ robusta will remain a question until a next severe winter. |
Spring 1995 I received a fax from Shanghai. Someone collected two bamboo species in the mountains of Gansu. Was I interested? Everything that grows there is interesting, so we decided to let the plants come over. One of them was a real shadow loving form of Fargesia nitida. The second one was harder to identify. Although Fargesia rufa seems the correct name, this bamboo meets the description of Fargesia dracocephala partially. This bright green Fargesia with its shiny and elegant leaves seems not to exceed three meters in height, but proved to be one of the hardiest and most evergreen in the cold winter of ‘97/’98. An attempt to have the most desired Fargesia payrifera , with its big culms and a possibly good hardiness, collected in Yunnan resulted in three beautiful but not very hardy species belonging to Borinda and Yushania. At this moment we assume that these are , Borinda perlonga and a weird half climbing Yushania species. Spring 1997 we received the outcome of another expedition. One Fargesia nitida collected in Nanping was surprisingly different with its shiny leaves, but is apparently a representative of the species. The most remarkable bamboo was a Fargesia labelled Fargesia scabrida with culms of about 2 cm diameter. The winter of ‘97/’98 with lows to -12º C caused no problems and the high altitude location (Pingwu/2600 m) where it was collected allows us to presume a much better hardiness. |
Yunnan 4 (Borinda lushuiensis) |
This elegant bamboo has nicely upright growing culms, unlike Fargesia utilis with 3 cm diameter culms growing under an angle of 45º.
Autumn 1997 we got another couple of Fargesia’s that was collected in the wild. One of them is a dwarf. This northerly growing and therefore probably hardy bamboo grows to one and a half meter and represents the ‘missing link’ of the non running assortment. Due to the long journey eventually only one Fargesia demissa survived. At the same time a Fargesia denudata from Xian came along. Like Fargesia nitida the variation within this species seems enormous. This plant resembles the specimen collected by Roy Lancaster in the Min Shan (Min Mountains) in 1986, but has smaller leaves. This Min Shan denudata and the wonderful nitida-like bamboo from the Jiuzhaigou Reserve in Sichuan were collected as seedlings. Hand in hand with the seedlings of Fargesia dracocephala and Fargesia murieliae they represent at this moment the most important non running bamboo’s of the new generation. Concerning flowering we don’t have to fear much from these plant the first eighty years.
Of course other important species have been introduced without my knowledge. Maybe the new bamboo for our region grows somewhere, well hidden for our eyes, waiting to conquer the European market in a single blow. Or maybe this bamboo we are all waiting for grows in a garden or collection, undiscovered for its lifetime.
It is for sure that the bamboo’s we dream of are to be found somewhere in China or in the South American mountains perhaps.
When we display the same drive as the Rhododendron collectors in their time the diversity of the assortment of useful bamboo’s will increase considerably and supersede quite a few species to the background
Jos van der Palen  |
|
 |
New Introductions
About 15 years ago, naming bamboo was a relatively easy task. Pseudosasa japonica, Fargesia murieliae and Phyllostachys nigra were multiplied from mother plants introduced in Europe by the first growers and collectors. Back then, we knew precisely how to identify these species and first attempts were initiated to map new introductions. We assumed that all species of the bamboo family could be placed clearly and unambiguously in a logical system of classification.
After more introductions from China and Japan however, we learned that the task of naming and classifying bamboos was more problematic than originally considered. After the opening up of China, various species collected from the wild reached Europe. These new introductions certainly did not contribute to a better overview. Despite serious attempts to provide detailed descriptions of species, more and more bamboos seemed to be something different.
This limitation is perhaps seen most clearly in the offspring of the once omnipresent and familiar Fargesia murieliae. At first, we knew which characteristics to look for in identifying this species. Now, the height of the new generation varies from 50 cm (19 inches) to up to 5m (161/2 feet). There are various types without the typical powdered culms of the original species. Reddish or green colours on the sheaths are seen. There are various types that perform well in deep shadow, but also selections that can grow well in sunlight. If we did not know their origin, we could easily be bamboozled and 'select' four or five new species. In a similar way, various species have been named in the bamboo world that do not deserve this status. Each botanist can easily connect his or her name to the introduction of a new species.
In fact, as with Rhododendrons, we should return to a classification that is much less rigorous. We should think more in terms of groups and types to classify bamboos, and when more becomes known about the relationships among the types through DNA-fingerprinting, attempts could then be made to delimit such groupings.
For example, it can be expected that in the enormous wild resources of the species Phyllostachys glauca giants as well as dwarfs will occur, along with arching and erect types. Some of these could prove to be extremely hardy, whereas others are barely able to withstand some frost. If all wild species would inherently have such large variation, perhaps we will have to discard the current methods for determination and identification.
In reality, various superior selections from wild resources have been cultivated in China for consumption of edible shoots, or for building materials. After a period of flowering selections have been made from seedlings, these have been given names, thereby reaching the status of a species name in our times, often unjust.
Hybrids pose even greater difficulties. Crosses between various species occur more often in nature than we might expect. The hybrid identity of a number of bamboos like Hibanobambusa tranquillans and Semiarundinaria has been unveiled. Various species of these bamboos still have the status of a species, but even Sasaella is considered a hybrid by the French botanist Demoly.
In their natural environment, hybrids often perform better than the individual parent species through an optimal mix of parental qualities. Such sterile species can colonize areas for a long time without contributing to evolution by producing offspring. Perhaps the long intervals between flowering periods are in part an evolutionary adaptation to avoid such hybrids. Nevertheless, such types can of course be valuable or interesting for us.
Several of the recently introduced bamboos have to be labelled with 'sp.' or 'species' because they cannot be classified correctly. To avoid having too many species something will have to be done. Semiarundinaria sp. Korea has been in use as a name ever since I started with bamboo. Also, Arundinaria fangiana or Tungchuan 2 will have to live with its provisional name, and many more have joined the party since.
Fargesia sp.
Among the various new introductions that have reached us, some bamboo species immediately attract attention, but only later are their secrets revealed. This is the case with one bamboo in particular.
In the spring of 1997, a broken box arrived at my place containing some bamboos collected from the wild. Various large clumps with relatively thick culms took up part of the space. Some culms had a diameter of more than 2 cm (3/4 inch). On the labels we read Fargesia scabrida. My colleague Hans Prins and I looked for the description of this species, but the thick culms did not seem to fit the description, or perhaps this could have been a giant among the scabridas. According to our collector in China, these plants had been found at an elevation of 2,700 m (8,858 feet) in Pingwu in Northern Sichuan, a site where plants should be considerably hardy.
From the base of these culms several small shoots developed in the first year displaying small and elegant leaves. It took a complete growing season for the plants to adapt, but early in next spring, large shoots had developed. One plant was planted outdoors, and in late summer several new shoots came up and side branches developed quite rapidly. The strong colour contrast between the orange-brown culm-sheaths and the young purple culms was especially spectacular. The following winter was not very cold with only minus 12°C (10°F) and the plants did not suffer at all. The winters that followed were not very cold either, but in southern Germany the plants withstood frosts down to -18°C (0°F) without too much damage. At Max Riedelsheimer's place, the winter of 2000/2001 was too severe for a young plant. My guess is that the hardiness is comparable with the small leaved form of Fargesia robusta. Like Fargesia robusta, new shoots of this new bamboo develop rather early. If we should decide to group bamboos, these two would certainly be placed together.
One important difference from Fargesia robusta is the long slender leaf and the beautiful gracious arrangement of the leaves. After about three years of growth the bamboo has almost reached 4m (13 feet). If we consider the culm width of 2cm, this bamboo will develop into a giant Fargesia, and will (perhaps) someday get its own name.
Fargesia sp. Jiuzhaigou
In recent years a number of important new introductions of Fargesia nitida and related types have been imported into Europe. The German pharmacist Stephan Wagner collected the most striking and perhaps the most beautiful form of all, around 1986. He found this bamboo as a seedling at the Jiuzhaigou Park (Garten Praxis 3/1999) in Northern Sichuan. Chinese researchers had already mentioned Fargesia nitida was flowering in this area, but the plant did not fit the species description at all. However, when we take into account the natural variation within the species and thereby enlarging the frame of reference, this bamboo belongs to the group of Fargesia nitida. Meanwhile, alongside the provisional name Fargesia sp. Jiuzhaigou 1 other names like Fargesia nitida 'Jiuzhaigou', Fargesia nitida aff. 'Jiuzhaigou' and Fargesia sp. 'Jiu' are being used for this bamboo.
Later on, it turned out that Mr. Wagner had collected more than one seedling and he let these seedlings all grow into one plant. The first and most widely distributed clone, Fargesia sp. Jiuzhaigou 1, has been propagated from only one vital part of this 'compound' plant.
One important difference from Fargesia nitida is that the culm-sheaths fall on the ground already within the first year, thereby revealing the deep green culms beneath. This green colour can change into a deep red by the sun the following spring and even to orange yellow in the summer sun. The small graceful leaves appear to belong to frost-sensitive Himalayan bamboo species, but the plant is hardy to very hardy. Sometimes, the leaf edges dry under the influence of sun, frost and wind. The growth habit is quite erect, reaching heights of 2 to 3m (7 to 10 feet). When the soil is not too dry, this bamboo can stand full sun. Added to this, flowering is still a lifetime away. This bamboo proves that the range of possibilities and improvements within the Fargesia group is quite large.
From the same park, M. Laferrere of France has collected another seedling: Fargesia sp. Jiuzhaigou 2. As far as we can tell, the culms of this bamboo lack the deep dark red coloration and they are more widely spaced.
Fargesia sp. Jiuzhaigou 3 to 10 are seedlings that were collected by R. Willumeit in this region. These show even more of the variation within the species. A Swiss person has collected another specimen and it is called Fargesia jiuzhaigou 'Genf'. It grows well and also shows good red colouring.
Fargesia 'Rufa'
In the spring of 1995, I received a fax sent from the Botanical Garden of Shanghai, asking if I would be interested in specific bamboos. A staff member of the Botanical Garden had collected two bamboos in the south of the Chinese province Ganzhu. These plants were collected at elevations of 1,800 to 2,500m (5,900 to 8,200 feet) at latitude 34°20 N and longitude 106°00 E.
Here the average annual temperature is 8°C (46°F), and temperatures go down to -16.8°C (0°F) in winter. During the summer, the highest temperature can be 29.6°C (85°F).
We decided to call these plants Gansu 95-1 and Gansu 95-2 for the time being. The young plants of Gansu 95-1 grew amazingly well. In the first winter, it was observed that the leaves did not curl in dry conditions, during frosts or in direct sunlight, unlike the leaves of Fargesia nitida and Fargesia murieliae. Even the shedding of leaves, as is usual preceding winter with most Fargesias, was limited. This bamboo had no difficulty at all with the severe winter of 96/97, when temperatures went down to -19°C (-3°F) with the graceful leaves remaining green. Only extended periods of very low temperature with dry continental winds are endured less well by this bamboo than by the leaf-rolling types.
Already in April new shoots appear, which is in fact too early for the young shoots, which are sensitive to late frost. The height of the culms is between 2 and 3 m and because of the large number of leaves the culms arch over. New culms develop about 5-15 cm from the plant so after 5 years the plants can attain a diameter of up 2 m. This bamboo takes up available space at least three times as quick as Fargesia murieliae. In fact this bamboo would look its best in parks and large gardens, adding a fine touch to these places. The deep green leaves and the plant's full silhouette stand in dynamic contrast to more static plants like Rhododendrons, cherry laurel and yew.
Naming the new plants
Our friends in China who sent us the plants proposed the name Fargesia spathacea. However, this name had already been assigned unjustly to Fargesia murieliae and later on to Fargesia nitida, and this time too, it did not fit.
In southern Gansu only a few bamboo species are found. The plant certainly was not Yushania confusa and we already knew Fargesia dracocephala. Then we came to Fargesia rufa. The visual resemblance with the two pictures of this species in the most important Chinese bamboo book 'A Compendium of Chinese Bamboo' and also the region of origin pointed in this direction. From then on, when the plants were distributed among growers and collectors this name started to lead its own life. When we study this species in more detail, we find characteristics of both Fargesia dracocephala and Fargesia rufa, both species being native to this region. It should be clear that bamboos from natural resources do not easily fit our classification systems.
My proposal is to name this bamboo Fargesia 'Rufa', given its already widely known name. Not only does the name sound well, but also when in the future the species should be known more exactly, the species name can easily be placed between the generic name Fargesia and the cultivar name 'Rufa'. Gansu 2 was also a nice bamboo, but it turned out to be a shade tolerant form of Fargesia nitida, and it did not grow much higher than 2m (61/2 feet).
Phyllostachys parvifolia and other giants
How important are the introductions of new species of bamboo in times of plenty? Perhaps the variation within the genus Fargesia is only the tip of the iceberg! If one considers the vast number of Phyllostachys species and varieties, one would be tempted to think that all possible variations are included. A number of new species add some variation to the existing range, but they are not hardier than Phyllostachys aureosulcata, they do not grow taller than Ph. vivax, and their colours are not more spectacular than the colours observed in varieties of both Ph. aureosulcata and Ph. vivax. Most of the new introductions resemble in some way plants we already know. However, there are exceptions. Species that may enlarge and improve the current assortment of species and cultivars of Phyllostachys:
Phyllostachys kwangsiensis
This species is supposed to be native to Taiwan, which has a relatively warm climate. This is why people did not expect too much from its winter-hardiness and it also explains why such little effort was put into importing and testing material of this species. Nevertheless, this bamboo is hardy to very hardy. Perhaps it originated in colder parts of China and was introduced to the island later. Even more remarkable is its resemblance to Phyllostachys pubescens. The hairy young culms, along with several other characteristics, suggest that Ph. kwangsiensis is just a hardy form of the Chinese giant bamboo, which does not grow well at all in Western Europe. We would then have at last a 'Pubescens' that will grow well in cooler summers. This bamboo still has to prove itself on various points, but it inspires our fantasy as a possible alternative to the giants of Prafrance.
Confusion about Phyllostachys vivax
A bamboo that more scarce in Europe than we think, is the green form of Phyllostachys vivax. About 6 to 7 years ago, this species was imported from China in large numbers. At least, that was what growers assumed. In the meantime, it has become clear that a range of new species have been imported with very few, or perhaps even no real Ph. vivax. One species occurred in larger numbers and I gave it the provisional name Shanghai 2. This bamboo resembled Ph. vivax as a rapid grower, but the leaves were smaller and less arching. The early yellowish shoots looked rather like Ph. dulcis. A detailed study of pictures of the shoots of this plant in the "Compendium of Chinese Bamboo" as well as other sources and examples removed most of our doubts. These plants withstood very low temperatures (down to -19°C or -2°F) very well, contrary to Ph. vivax. This species had to be the real Ph. dulcis that could also survive the harsh winters of Beijing. This also means that the bamboo previously distributed in Europe from the US under the name of Ph. dulcis cannot be the real species or is another clone and should be placed with the other Phyllostachys sp., the species without names.
Also, the closely related and perhaps even more striking species without name: Shanghai 3, imported under the name of Ph. propinqua, belongs to the tallest and thickest of the hardy species. The deep green young culms have short internodes at the base. The new shoots are reddish-pink with spots. Identification seems to direct us to Ph. iridescens, but it is wiser to keep the provisional name Shanghai 3.
New variations
An important new and stable variety of Phyllostachys vivax originated as a mutation of Ph. vivax 'Aureocaulis'. This mutation occurred at about the same time in my own nursery and in the nursery of Hans Prins, and perhaps, who knows, in other places too. As with Ph. aureosulcata 'Spectabilis' and Ph. bambusoides 'Castillonis', the sulcus is green and the rest of the culm is yellow. It is in fact the inverse form of Ph. vivax 'Huanwenzhu'. Hence the provisional (and too long) name Ph. vivax 'Huanwenzhu-inversa', because this form originated from Ph. vivax 'Aureocaulis' we can assume a similar winter hardiness.
Phyllostachys parvifolia
A more recent Phyllostachys species has been intriguing me for some years now, due to its growth, its appearance and its winter hardiness. This bamboo is called Phyllostachys parvifolia. In fact, it is hard to believe that this species has only become available now and only in small numbers. Years ago this bamboo had already been introduced from China, but for some reason it never entered the circuit of collectors and growers of bamboo, although a form of Ph. nuda with smaller leaves has carried this name unjustly.
The name parvifolia points to the small leaves that make this bamboo the shining star. The fine structure of the leaves gives it a cloud-like appearance. The new shoots are easily recognized, like long slender javelins, they emerge from the soil at the end of June to early July. They are initially slightly oblique, but when they grow taller, they become erect. The culms have powdered rings under the nodes, like Ph. nuda. From a distance, this species resembles 'Henon's bamboo', Phyllostachys nigra 'Henonis', but the culms are comparatively thicker and the leaves are smaller.
During the last cold winter of 96/97, even -19°C (-2°F) did not damage the young culms of what was then a small and delicate plant in my garden. The leaves remained completely green in contrast to various other bamboos like Phyllostachys nigra 'Henonis' growing at the same spot. A young specimen of Ph. parvifolia in the garden of Max Riedelsheimer in Stockdorf near Munich survived the winter of 1999/2000 with even less leaf damage than for example Ph. aureosulcata and Ph. bissetii. For short periods, temperatures dropped as low as -20°C (-3°F). Meanwhile, my specimen has grown taller than 7m. (23 feet) after 7 years of growth. The growth is less explosive than that of Ph. vivax for example, but the culm wall is much thicker and hence much stronger.
Picture of the future
In England Ph. parvifolia has been named the Ph. pubescence of the north before. This is mainly due to the shape of the leaves and its general resemblance to Ph. pubescences. Perhaps Ph. parvifolia with its small leaves and Ph. kwangsiensis with its hairy culms can bring some of the magic of the most striking bamboo of all, Phyllostachys pubescens, to the north.
Jos van der Palen 
|
|
|
|
 |
First introductions by Jos van der Palen, Bamboekwekerij Kimmei.
All bamboo species in this list were introduced for the first time from China into Europe by Jos van der Palen. Less important species are not listed.
Marked with ▲: Introduction was made together with Hans Prins (Nursery ‘De Groene Prins’)
Marked with ♣: These bamboos were collected from the wild on our demand and all plants of these species found in Europe and the USA, are multiplied from our introductions.
This list shows the history of these species to rectify all claims of others.
Fargesia sp. Jiuzhaigou 1 was collected around 1986 by Stephan Wagner on 3000 metres altitude as a seedling in the Jiuzhaigou park in North Sichuan. Nearly all Fargesia sp. Jiuzhaigou 1 were multiplied by hand from one plant that was given to the Kimmei nursery by Wagner.
Phyllostachys vivax “Aureocaulis” was first found as a mutation of Phyllostachys vivax “Huanwenzhu” around 1980 in Central Sichuan. This very rare mutation was later planted in Anji, and from this plant Phyllostachys vivax “Aureocaulis” has been multiplied.
From 1994 great demand for this plant started in Europe. We saw the first orders ready for shipment to Europe in 1994 in the greenhouses of the Shanghai Botanical Gardens.
All Phyllostachys vivax “Aureocaulis” plants found in Europe are produced from this 1980 mutation. |
BASHANIA fangiana |
Spring 1997 Pingwu 2300 metres altitude. |
♣ qingchengshanensis |
1994 Collected by Shanghai Botanical Gardens |
♣ sp. |
Spring 1997 (Collected as F. rufa) |
▲♣ FARGESIA denudata 'Xian 1' |
December 1997 Xian 2500 metres altitude. Collected by Mr. Ding Xingcui. |
▲♣ denudata 'Xian 2' |
December 1997 Xian 2500 metres altitude. Collected by Mr. Ding Xingcui. |
♣ demissa ‘Lanzhou’ (Tom) A-B-C-D-E-F-G-H |
April 2004 Gansu, Lanzhou Collected by The Forest Department of Gansu. Introduced in Holland in April 2004. One week later it was also introduced in Germany. |
♣ nitida 'Gansu 95/2' (Flowering!!) |
April 1995 Collected by Shanghai Botanical Gardens in Gansu between 1800 and 2500 metres altitude (5900 to 8300 feet) at latitude 34°20’ north, longitude 106° east. Average annual temperature is 8° C (46.4° F), the winter minimum is -16.8° C (1.8° F), and the summer maximum 29.6° C (85.3° F) |
▲♣ Sp. 'Nanping 97' (Before Fargesia nitida 'Nanping 97') |
Spring 1997 Nanping 2800 metres altitude. Collected by Mr. Ding Xingcui. |
▲♣ robusta 'Pingwu' |
Spring 1997 Pingwu 2700 metres altitude. Collected by Mr. Ding Xingcui. |
▲♣ robusta 'Wenchuan' |
December 1997 Wenchuan 1800 metres. Collected by Mr. Ding Xingcui. |
♣ 'Rufa' |
April 1995 Collected by Shanghai Botanical Gardens in Gansu between 1800 and 2500 metres altitude (5900 to 8300 feet) at latitude 34°20’ north, longitude 106° east. Average annual temperature is 8° C (46.4° F), the winter minimum is -16.8° C (1.8° F), and the summer maximum 29.6° C (85.3° F) |
▲♣ sp. scabrida |
Spring 1997 Pingwu 2600 metres altitude. Collected by Mr. Ding Xingcui |
Sp. Tom |
China Bamboo Centre. Introduced in Holland in April 2004. One week later it was also introduced in Germany. |
sp.YJ. (F. fractiflexa ? 2 clones)(Tom) |
China Bamboo Centre. Introduced in Holland in April 2004. One week later it was also introduced in Germany. |
yunnanenis (Hsueh et Y) (Tom) |
China Bamboo Centre. Introduced in Holland in April 2004. One week later in it was also introduced in Germany. |
PHYLLOSTACHYS acuta ‘Hangzhou’ |
Spring 1996. Sent by Mr. Ding Xingcui (Hangzhou) |
bambusoides 'Albovariegata' (European clone) |
1993 A gift from the Botanical Gardens of Hangzhou. |
fimbriligula |
Spring 1996. (Hangzhou) |
lufoshanensis |
1994 from Shanghai Botanical Gardens |
▲lithophylla (Shanghai 1) |
1995 from Shanghai Botanical Gardens |
▲parvifolia |
April1996. (Hangzhou) |
▲praecox 'Notata' |
April 1996 (Hangzhou) |
'praecox ‘Viridisulcata' (form 2) |
April1996. (Hangzhou) |
prominens |
1995 from Shanghai Botanical Gardens |
▲propinqua 'Hangzhou' |
Spring 1996. (Hangzhou) |
▲sp. Shanghai 3 |
1995 from Shanghai Botanical Gardens |
tianmuensis |
Spring 1996. (Hangzhou) |
▲virella |
Spring 1996. (Hangzhou) |
vivax 'Huanwenzhu inversa' |
This mutation was found in Phyllostachys vivax “Aureocaulis” by Jos van der Palen. At the same time Hans Prins found this mutation in his Phyllostachys vivax “Aureocaulis” . All existing 'Huanwenzhu inversa' now come from these two mutations. |
PLEIOBLASTUS altiligulatus |
1994 from Shanghai Botanical Gardens |
amarus 'Hangzhouensis' |
Spring 2000 (Hangzhou) |
gozadakensis |
Spring 2000 (Hangzhou) |
juxianensis |
Spring 2000 (Hangzhou) |
maculatus |
Spring 2000 (Hangzhou) |
yixingensis |
Spring 2000 (Hangzhou) |
▲♣ YUSHANIA chungii ‘Wolong’ |
Spring 1997 Wolong 2600 metres altitude. Collected by Mr. Ding Xingcui |
falcatiaurita (Tom) |
China Bamboo Centre, Introduced in Holland in April 2004. One week later in Germany. |
polytricha (Tom) |
China Bamboo Centre. Introduced in Holland in April 2004. One week later in Germany. |
♣ sp. ferax ( imported as Fargesia ferax) |
Spring 1996. Sent by Mr. Ding Xingcui (Hangzhou) |
▲♣ Yunnan 95 1 Borinda albocerea |
1995 Collected by Shanghai Botanical Gardens |
▲♣ Yunnan 95 2 Borinda albocerea |
1995 Collected by Shanghai Botanical Gardens |
▲♣ Yunnan 95 3a |
1995 Collected by Shanghai Botanical Gardens |
▲♣ Yunnan 95 3b Borinda (papyrifera/ albocerea) |
1995 Collected by Shanghai Botanical Gardens |
▲♣ Yunnan 95 3c Farg. nujiangensis |
1995 Collected by Shanghai Botanical Gardens |
▲♣ Yunnan 95 4 Borinda lushuiensis |
1995 Collected by Shanghai Botanical Gardens |
▲♣ Yunnan 95 5 Yushania sp. |
1995 Collected by Shanghai Botanical Gardens |
▲♣ Yunnan 95 6 Borinda (communis ?) |
1995 Collected by Shanghai Botanical Gardens |
|
 |
FARGESIA 'RUFA'
A new bamboo named Fagesia rufa turns up regularly these days at nurseries and garden centers. Just eight years after introduction in Europe this species has become widely available, and the following depiction sums up my experiences with this bamboo. |
 |
Gansu 95-1 and Gansu 95-2
In spring 1995 I received a fax message from the Shanghai botanic garden, containing the following information:
One of their employees had collected two bamboos in the south of the Gansu province, possibly the species Fargesia spathacea and Fargesia nitida.
The fax also mentioned important data about the place of origin of these bamboos; collected between 1800 and 2500 meters altitude (5900 to 8200 feet) at latitude 34°20' north, longitude 106° east. Average annual temperature is 8° C (46.4° F), the winter minimum is -16.8° C (1.8° F), and the summer maximum 29.6° C (85.3° F).
They asked me if I was interested. I sure was, for these bamboos could do well over here (in the Netherlands, that is), so I had them sent to me.
Of both species we received a few small, but vital plants, which after a somewhat difficult start developed quite well. We decided to name them Gansu 95-1 and Gansu 95-2 for the present.
First experiences with Gansu 95-1
The young plants of Gansu 95-1 (named Fargesia spathacea by its Chinese collector) soon stood out because of their enormous vigor. The early shoots were fully developed by summer, and later that summer new shoots emerged for the second time and even these had leaves before winter set in.
In autumn I planted the largest one in my garden, but the following winter was a mild one, and therefore no real test for the hardiness of the plant, although I noticed that, as opposed to Fargesia murieliae and Fargesia nitida, the leaves did not curl up with drought, frost and direct sunlight. Even a partial shedding of leaves shortly before winter, as is common with many Fargesia species, was almost absent. The plant entered winter unchanged, with lots of deep green, shiny elegant leaves.
Then winter of 1996/97 came with very low temperatures and strong winds. The lowest recorded temperature in Valkenswaard, the Netherlands, was -19° C (-2° F). Most bamboos in my garden were damaged to some extend, but the next spring, this bamboo drew everyone's attention, with a cloud of immaculate green leaves. Colleague Hans Prins confirmed the outstanding qualities of this bamboo. With a minimum of -21° C (-6° F) it had been even colder at his nursery in the north of the Netherlands, and in Max Riedelsheimer's garden near Munich, Germany, this bamboo endured the winter of 1999/2000 with even lower temperatures and sustained only minor damage. Long periods of very low temperature combined with dry continental winds however, cause more damage to this bamboo than to the leaf-curling types.
A new bamboo reveals itself
By now, we know more about Gansu 95-1. Already in April, as is the case with the clearly related Fargesia robusta, new shoots appear. Actually, too early in our climate, because the young shoots are sensitive to frost, which still can occur in this month. Fortunately, this bamboo has a second growth period in late summer, should it go wrong the first time.
Direct sunlight will be tolerated on a rich and not too dry soil, but light shade is ideal. Final height will be two to three meters, with densely foliated branches elegantly curving. New culms form 5 to 15 centimeters (2 to 6 inches) from the clump, so that after five years the area covered by the culms can reach a diameter of 1.5 meter (5 feet), and the overall width of the plant can exceed 3 meters (10 feet). So, compared to bamboos like Fargesia murieliae, it can cover a certain area two to three times as fast, by making quite long necks underground when forming new shoots. Fortunately Fargesias do not make horizontal runners which threaten ponds and pavements, and the roots stay close to the surface. As an easy to control wintergreen bamboo for a not too small spot this species surely is an asset. This new Fargesia should stand out well as a striking contrast in parks and big gardens. In these places the lively green leaves and the cloudy silhouette can create a dynamic contrast with the static deep green of for example rhododendron, cherry laurel and yew.
The name 'Fargesia rufa'
The Chinese collectors named this bamboo Fargesia spathacea, a name once wrongly assigned to Fargesia murieliae and later to Fargesia nitida, and this time too that name was wrong.
South Gansu produces just a few bamboo species. Yushania confusa was quickly ruled out and we already knew Fargesia dracocephala. Then the name Fargesia rufa came up. The visual resemblance to the two photos in the foremost Chinese work of reference 'A Compendium of Chinese Bamboo', the place of origin and the height of the plant seem to support this name. From this time on this well sounding name became generally accepted among growers and bamboo-lovers as Fargesia rufa was multiplied in large numbers, even by meristem tissue culture.
Meanwhile new doubts have arisen about the name. At closer examination this bamboo combines properties of Fargesia dracocephala as well as Fargesia rufa, both native to the same area. Bamboos growing wild do not readily fit the man-made frames of the species.
With the name fargesia rufa commonly used, I suggest to call this bamboo Fargesia 'rufa' for the present. Should there be more clarity and conformity about the name, then the name of the species can easily be put in between Fargesia and 'rufa'.
Jos van der Palen
Translated by Theo Willems

|
|
 |
FARGESIA ROBUSTA
Fargesia robusta is a bamboo with a great future. This striking non-running species has shiny graceful leaves, a rather erect growth, and the white culm-sheaths on the young shoots give a very distinguished appearance to the plant in spring. That is why this hardy bamboo is used more and more in smaller gardens where running species are not as practical.
(Note that all observations in the following article concerning height and temperatures were made at the Kimmei nursery in Valkenswaard , Netherlands , about 100 miles from the North Sea , climate zone 5 to 6) |
New introductions from central China show a wide variety and confuse taxonomists and growers.
The form first introduced and best known: Fargesia robusta
The first plant of this species was collected about twenty years ago by Julian Campbell in the Wolong nature reserve in northwest Sichuan and introduced into the Kew botanical gardens in England . This specimen was named Fargesia robusta. In the late 1980’s this bamboo became available for growers and collectors. The great importance of this bamboo became clear in the second half of the 1990’s, when we learned about the limitations and dangers of running bamboos in small gardens. There was need of a non-running bamboo with more pronounced culms than for instance Fargesia murieliae. |
This first introduced Fargesia robusta 'Campbell' is the one we know best. The smooth olive-green culms are erect and robust and grow to a height of about 3 meters (10 feet). Under favorable conditions however the plant can attain a height of 4 or even 5 meters (13-17 feet).
The young shoots emerge early, often during the first weeks of April, which makes them sensible to late frosts. At temperatures below -3 °C (27 °F) they need some protection. But in case the shoots do freeze, new ones will emerge later that year. Looking at the new culms there is a striking contrast between the white sheaths and the dark green of the culms. These sheaths stay on the plant until summer. Especially at young plants new shoots will come up again in august with the same colorful effect. The relatively small leaves of Fargesia robusta are more firm and shiny than those of Fargesia murieliae and do not curl with drought, sun and frost. This bamboo is more resistant to warmth and tolerates sun on well-watered good soils. Although the hardiness is not quite like Fargesia murieliae, this species can withstand low temperatures. The cold winter of 1996 / 97 with temperatures as low as -20 °C (-4 °F) did not cause much damage to the leaves.Because of these qualities new introductions were made. |

Fargesia robusta 'Campbell' |
New introductions
In recent years a number of new types of Fargesia robusta were imported from China . Some of these resemble the aforementioned plant. Others are so different that it is hard to believe that we are dealing with Fargesia robusta, and yet they all belong to this species. All these plants were collected from the wild and show an unexpected diversity. Some types have big, broad leaves, arched culms or yellowish or reddish brown sheaths. Until now there is hardly any clarity in the multitude of forms. |
Fargesia robusta ‘Pingwu’ (Pinhu)
In 1997 this bamboo together with some other species was collected from the wild for Hans Prins, a colleague, and me. This type is the one most resembling the Campbell robusta. The leaves are about the same size but of somewhat lighter color, and the yellowish sheaths are not as tight around the culms. Growth is even more vigorous and a little looser. This form has not yet experienced a severe winter at my place, but probably the hardiness will be comparable with the Campbell robusta.
According to a fax I received later from China this bamboo was probably not collected in Pingwu (Pinhu), but in Wolong at an altitude of 2700 meters (8850 feet).
Because there already is a Fargesia robusta ‘Wolong’ and the name ‘Pingwu’ is commonly used for this bamboo I suggest that we keep using this name in the future.
Fargesia robusta ‘Red sheaths’
This form with a promising name emerged in England a few years ago. The leaf is somewhat bigger than that of the Campbell robusta, the culms are not as close together and the growth is more vigorous. The reddish brown sheaths stay a long time and provide a nice contrast, but in fact the name ‘red sheaths’ suggests more red than there actually is. Little is known about the origin of this form, probably it originated from the same nursery in Sichuan that supplied Fargesia robusta ‘Wolong’.
Fargesia robusta ‘Wenchuan’
This too is a bamboo Hans Prins and I had collected in 1997 in Wenchuan at an altitude of 1800 meters (5900 feet). This one resembles the ‘Red sheaths’ form but it has culms that are arched at their base.
Fargesia robusta ‘Wolong’
Most likely a nursery in Sichuan (see ‘Red sheaths’) collected Fargesia robusta again in 1996 in the panda district of Wolong to satisfy demand from some European growers. When the plants arrived into Europe , most of them appeared to have very big leaves. Still this bamboo belongs to the Fargesia robusta group. It has an enormous vitality; some plants reached a height of 5 meters (17 feet) within a few years, which seems to justify the name ‘robusta’. It is a question whether the hardiness of this form is comparable to the Campbell robusta. Probably this type was collected at lower altitudes. This Fargesia with the biggest leaves received the name ‘Wolong’. Although the majority of the plants had big leaves, different clones were present, so the propagation material from the Chinese nursery must have consisted of several different plants collected from the wild. |
Diversity
Just as is the case with the descendants of Fargesia murieliae and Fargesia nitida, the diversity of this species in the wild is very wide. A description of Fargesia robusta was made, based on one single plant. But a botanical description based on just one specimen of a species is not very useful in the case of bamboos. This becomes evident with the descendants of the once so recognizable Fargesia murieliae. At first we knew exactly how to determine this species. Now the height of the new generation of seedlings varies from 50 centimeters to maybe 5 meters (1.5 to 17 feet). Some do not have the typically powdered culms the parent plant had. Reddish and green sheaths occur. There are forms that like shadow, while other selections can stand direct sunlight. If we did not know where they came from we could easily select four or five new ‘species’. Major differences between the various clones are best known with Fargesia nitida and to some extend with Fargesia denudata. Since Fargesia robusta too shows the same wide diversity we can assume that within the enormous stock of Fargesias growing wild (and other bamboos as well) almost any form we are looking for can be found.
Jos van der Palen  |
|
 |
Fargesia nitida flowers!
By Jos van der Palen (Translated from Dutch by Roy Wiersma)
One of the best known bamboos is Fargesia nitida. This is an elegant evergreen plant that in contrast to diverse other bamboos does not invade. An excellent choice for the garden you should think. But Fargesia nitida goes flowering on a large scale. And after flowering it goes dead. What now? |
How frequently and when does a bamboo flower?
All the non-invasive winterhardy bamboos belong to Fargesia. This flowering in cycles varies from 80 to 120 years or more. The best known type, Fargesia murieliae, was collected as a single plant in 1907 by the well-known plant hunter Ernest Wilson. Between 1990 and 2000, spread over 10 years, the multiplications of this bamboo in all gardens of Europe and the U.S. started flowering. After flowering, the plants always died off. With like result: many bare spots in our gardens. In the same period, Fargesia murieliae also had flowered everywhere in homeland China. With like consequence: famine with the pandas. The next flowering of the new generation seedlings will be expected in scarcely over 100 years. Of Fargesia nitida it is known that (almost) all known types came into existence from seeds that were collected by the plant hunter Berezovski in South-Gansu in China during one flowering period in 1886. Now, almost 120 years later, Fargesia nitida is again on the turn to go flowering and seed-forming for a new generation that again scarcely over 120 years shall go flowering. |
 |
Why does it go dead afterwards?
Fargesias form no underground runners. With flower and seed-forming, the reserve nourishment in the short rhizomes is quickly used up and there is no extra energy stored to make new shoots. Therefore, they die and after the flowering the mother plants make efficient room for the new generation seedlings. Running types can well survive the flowering . This type stores reserve nourishment in the long rhizomes. By cutting back again and again, the plant makes new culms that eventually can live longer. |
 |
Can you still do “something” if you discover that the Fargesia nitida in your garden begins to flower?
Pruning back of flowering Fargesias doesn’t help. This we learned a few years back of the flowering by Fargesia murieliae. Also, Fargesia nitida forms small grassy spikelets, and after that seed, and dies of it. This seed can again be sown and the plants that originate from this have yet a life of 120 years for themselves. Try to go further with the strongest seedlings.
Why do all the examples of a type flower together? Is this how this happens in nature in China also?
The same-time flowering of bamboos is one of the least understood phenomena of the plant world. Probably each bamboo species has a built in clock that everywhere at the same time starts the flowering. A number of new Fargesia nitidas collected in the wild in China are this year flowering in my garden and thus also in China flowering. This bamboo covers large areas there and is for many pandas the chief food. The coming years we surely again are going to hear stories about food shortage. |
Are there “varieties” of Fargesia nitida that will still go for a while and that you can move into your garden with confidence?
Unfortunately, all varieties inclusive of well known Fargesia nitida ’Anceps’, ’Eisenach’ and ’Nymphenburg’ shall go flowering. Probably there are over 5 to 10 years still but there will be few non-flowering examples of these varieties left over. It is in each case advisable to not procure these bamboos anymore. Fargesia nitida ’Nanping’ falls outside this group because in the meantime it became obvious that this bamboo doesn’t belong with Fargesia nitida. This type received provisionally the name Fargesia sp. ’Nanping’. Between 1990 and 2000, a similar bamboo species, Fargesia murieliae, flowered.
Are there no suitable existing seedlings available that again go flowering nearly over a hundred years from now?
These are the most important obtainable selections: ’Jumbo’ and ’Bimbo’. When these varieties are obtained from reliable nurserymen people have more certainty of species’ authenticity. Fargesia murieliae belongs to the most winterhardy bamboos and the leaf has a bright green color. The variety ’Jumbo’ is a selection with relatively small leaves and becomes 3 meters tall with room. ’Jumbo’ ranks its best in a place of half shade but endures in moisture retaining soil and also some sun. A good type for wintergreen
hedges in half shade. ’Bimbo’ is a newer selection out of Denmark with fine leaves and an upright growth habit. This smallest non-invasive bamboo becomes not higher than 1 to 1.5 meters. Many nurseries offer newer vigorous but fewer tested out selections. There are too many to name here. But unfortunately there emerge still continually flowering plants from the “old generation” supplied with the “new generation” name. In the Netherlands and Belgium that is mostly Fargesia murieliae ’Kranich’ but also other improvised names are used. There are probably plants tissue-culture multiplied from 1991 of the old generation of which people thought that they were from the new generation. Through the use of growth hormones the date of flowering of this old generation is delayed to this day. The actual flower-safe new generation is represented by Fargesia murieliae ’Bimbo’, ’Jumbo’, ’Simba’ and many other new selections. According to this theory all the now still-flowering plants belong to the old generation. Fargesia denudata ’Lancaster’ also represents a flower-safe new generation. This elegant somewhat overhanging bamboo resembles Fargesia murieliae but has shiny leaves and overhanging branches. This type was not so long in the past brought as a seedling by Roy Lancaster out of China. Fargesia denudata ’Lancaster’ becomes to 3 meters tall and is very winterhardy. Fargesia denudata ’Xian 1’ and ’Xian 2’ are in all probability seedlings also. Fargesia dracocephala is also a new generation. Of two other important non-invasive types, Fargesia robusta and Fargesia ’Rufa’ we only know from communication that they not so long ago have flowered in China. Thus we hope for these types but that the news is right. |
Which bamboo is the best choice as a substitute for Fargesia nitida?
It is without a doubt at this moment Fargesia sp. Jiuzhaigou 1; in the trade also well known as Fargesia sp. ’Jiu’ or named “Red bamboo.” This bamboo should not go flowering the first 80 to 100 years because the mother plant not so long ago was collected as a seedling. Similarities to Fargesia nitida are many. With both bamboos the thin leaves roll with frost, sun, and dry up. Also, the great winterhardiness (to -25 degrees C) is comparable. An important difference forms with the culm leaves of
the culms. With Fargesia nitida they stay sometimes years and give the plant in duration a somewhat untidy and reedlike appearance. But with this Fargesia all the culm leaves fall off the new culms inside of a year. By this the colorful stems are freed. Recently by way of a comparative DNA investigation it has been found that Fargesia sp. Jiuzhaigou is very related to Fargesia nitida but probably is a new still undescribed species.
The color
The frequently used name “Red bamboo” is some concern of misunderstanding because Fargesia sp. Jiuzhaigou 1 does not have this color the whole year. With this bamboo the culms color to intense red in the spring sun. During the course of the summer this color goes to more orange-yellow and in the latter part of the summer it forms the new deep green culms in between. The bamboo’s typical red coloration is strongest in the sun in the months of March, April, and May. |
 |
Growth Habit
Fargesia sp. Jiuzhaigou 1 belongs just as Fargesia nitida to the non-invasive bamboos. Every year mostly in the latter summer, the new culms which have barely or no branches form right by the plant. By this the bamboo becomes slowly wider. The growth is upright with somewhat overhanging tops. Older culms can sometimes hang through farther. But because the plant in November is in winter preparation some leaves drop off and thus the winter silhouette is always stiffly upright. This bamboo is a good choice for a hedge plant with a height of 2 to 3 meters. In humus rich not dried out ground Fargesia sp. ‘Jiu’ endures the sun well.
New Selections
The new selection Fargesia sp. Jiuzhaigou ‘Genf’ with room becomes 4 meters high and colors in the spring to intense red. With Fargesia sp. Jiuzhaigou ‘Willumeit 4’ the culms color to about black and become between 2 and 3 meters high. Fargesia sp. Jiuzhaigou ‘Willumeit 8’ stays lower and colors to red and has a very graceful leaf. Fargesia sp. Jiuzhaigou ‘Willumeit 9’ becomes certainly as tall. The thicker somewhat hanging through culms can color from red to dark purple. This possibly is a replacement for Fargesia nitida ‘Nymphenburg’. There are also already seedlings of Fargesia nitida but it is important to really learn the qualities in a longer trial period. Over 10 years when these seedlings are matured we can choose out the large variation in height, growth habit, andcolor. Bamboos look very much like each other.
How do you know that you buy the exact plant? For someone who doesn’t associate daily with bamboo it is almost impossible to differentiate a potted flower-safe Fargesia sp. ‘Jiu’ from a potted flower-dangerous Fargesia nitida. It is always best with purchasing a bamboo to visit a specialized nursery or ask of a “no flower guarantee.” Or look on the Internet under Fargesia sp. Jiuzhaigou. In any case you can examine the plant for flowering. If you find a grassy spikelet of thickened red coloration on the end of the branches, then flowering has begun.
Are there still other bamboo species that maybe in a very short time will go flowering and that you are better off not placing in your garden?
Outside the old generation of Fargesia murieliae that still as a new generation is emerging, there are no important bamboos of which we know that before long will go flowering.
Southern California Bamboo Volume 16 No 1 January 2006
Reference Bamboe- Tijdschrift van de European Bamboo Society, afdeling Nederland. Jaargang 15, Nummer 2, Zomer 2005, p.10-13. 
|
|
 |
Neue Bambusse für den Garten
Noch nicht mal vor zehn Jahren wurde jede neue Bambusorte sofort als eine mögliche Bereicherung gesehen. Mittlerweile beläuft sich das erhältliche Sortiment in die Hunderte. Es wird also höchste Zeit für Besinnung. Deshalb wollen wir hier kurz auf der Stelle treten, um zu sehen was uns unsere Sammelwut bisher gebracht hat. Auch werden die neuen Möglichkeiten betrachtet, vorausgesetzt, daß sie etwas beizutragen haben. Um uns nicht gleich in eine trockene Aufzählung von allzu vielen Namen zu verlieren, werden wir in erster Linie ausgehen von einem mitteleuropäischen Klima, wobei wir den kalten Winter von '96/'97 vor Augen halten, also mit Tiefstwerten von -18° C bis -22° C.
Ein unentwirrbarer Knäuel
Das Problem mit dem Bambus ist die oft schwer zu definierende Grenze zwischen den verschiedenen Sorten. Beim Entstehen von neuen Pflanzen und Tiersorten werden die Zwischensorten in der Regel auf Dauer verschwinden. Aber die nördlichen Bambusse sind, wie zum Beispiel auch die Rhododendren und Eukalypten, evolutionär gesehen noch so sehr in Bewegung, daß die unterschiedlichen Sorten an den Grenzen ihrer Verbreitunggebieten wieder in einander übergehen. So ist zum Beispiel von über 75 Fargesiensorten sorgfältig beschrieben worden wie sie aussehen sollten. Aber auch gesammelte Wildpflanzen weichen meistens betreffend Eigenschaften so sehr ab, daß sie nicht einfach in eine bestimmte Sorte einzuordnen sind. Eine neulich importierte Fargesia robusta mit großen Blättern entspricht zum Beispiel der botanischen Beschreibung besser als die Sorte die es hier bereits gab. So zeigen einige Sämlinge, die Ende achziger Jahre aus dem im Nord-Sichuan gelegenen Naturpark Jiuzhaigou mitgebracht wurden, eine offensichtliche Verwandtschaft mit Fargesia nitida, aber dennoch weichen sie zu sehr von der ursprünglichen F. nitida-Beschreibung ab, um in diesem Bambus noch eine echte nitida erkennen zu können. Fast jedes Mal, wenn Fargesia nitida in ihrem großen Verbreitungsgebiet gesammelt wird, weichen die Pflanzen wieder überraschenderweise von den hier bereits bekannten Formen ab.
Bei Phyllostachys ergibt sich ein anderes Problem. Als kultivierte Pflanze trifft man diese Gruppe schon seit Jahrtausenden in der Umgebung des Menschen an, und eigentlich gibt es nur noch sehr wenig natürliche Herkunftsorte. Viele Bambusse, die aufgrund ihrer benutzbaren Eigenschaften immer wieder weiter gezüchtet werden, wurden einst als superiore Pflanzen aus ihren natürlichen Herkunftsgebieten mitgebracht, oder nach einer Blühperiode aus den Sämlingen selektiert. Viele von denen sind später zu Unrecht als einzelne Sorte beschrieben worden. Denken wir nur an die Diversität der Sämlinge der Fargesia murielae, und sofort wird das Chaos nach tausenden von Jahren Phyllostachyskultur verständlich. Aber solange für die Einordnung von Bambusse kein anderes System gefunden wird, müssen wir uns, so gut oder schlecht es eben geht, zu behelfen wissen.
Hoher und dicker Bambus
Vielleicht liegt in diesen zwei Wörtern die Triebfeder unserer Obsession. Fast jeder erliegt zunächst der Magie der Riesenhalmen. Wenn wir von den Abmessungen vom Bambus reden, sind wir genau wie Fischer. Mit großen Arm- und Handbewegungen werden die Proportionen gezeigt. Mein erster Wunsch war es zum Beispiel, um kurz bei den Fischern zu bleiben, um in meinem Garten Bambusse so groß wie Angelstäbe wachsen zu lassen. Inzwischen sind die Grenzen verrückt; viele Halme sind einfach zu groß und zu dick um als Angelrute zu dienen.
Für Phyllostachys pubescens und Phyllostachys viridis scheint das mitteleuropäische Klima nicht geeignet um südeuropäische Abmessungen zu erreichen. Auch Phyllostachys bambusoides bevorzugt wärmere Sommer und mildere Winter. Phyllostachys violascens, der früher für ein 'Bambusoides gehalten wurde, und jetzt zur 'Praecox' zu gehören scheint, entwickelt auch in weniger warmen Sommer bald dicke Hälme, ist aber empfindlich gegen trockenen Wind und niedrigen Temperaturen. Sogar die zwei höheren Phyllostachys-Sorten 'Boryana'und Henonis sind langen, kalten Wintern nicht gewachsen. Phyllostachys vivax, der zusammen mit der atemberaubenden gelbstämmigen Form 'Aureocaulis' und dem grüngelben 'Huanwenzu' von den Chinesen über alle Maßen gelobt wurde, ergab sich im strengen Winter von '96/'97 als ziemlich enttäuschend. Es stellte sich heraus, daß dieser Bambus mit seinen großen Blättern an weniger beschützten Stellen der Kombination von hartem Wind und starkem Frost schlecht gewachsen war. Die gelben Halme der Phyllostachys vivax 'Aureocaulis' wurden, falls sie nicht schon zurückgefroren waren, mit braunen Flecken bedeckt. Aber für die Gebiete wo der Winter nicht regelmäßig all zu hart zuschlägt, bleibt der Phyllostachys vivax durch seine ungeheuere Wachstumskraft und dicken Hälme fürs erste der imponierendste Riese.
In den letzten sechs Jahren, eigentlich seitdem China die Möglichkeiten dazu geboten hat, sind Schiffs- und Flugzeugsladungen Bambusse nach Europa verschickt worden. Leider sah es so aus als ob beim Einpacken, oder sogar schon beim Ausroden, alles mögliche schief gelaufen war. So stellte sich heraus, daß in der Kiste, in der Phyllostachys propinqua verpackt war, mindestens vier Sorten steckten. Mit der Phyllostachys vivax-Kiste wurde die Verwirrung noch größer. Zum Glück waren die anderen gelbstämmigen Sorten, die zusammen mit der Phyllostachys vivax 'Aureocaulis' verschickt worden waren, leichter zu erkennen. Dies alles hatte und hat viel Verwirrung und viele Mißverständnisse ergeben. Von einem Teil des als Pyllostachys propinqua eingeführten Bambus wurde festgestellt, daß er oft blühte und nicht sehr winterfest war. Der Import dieser Sorte war hauptsächlich in Gang gebracht worden um möglichstviel Material der Ende achziger Jahren mitgebrachte 'Beijing' oder 'Li Yü Gan' propinqua zu erhalten. Dieser robuste und sehr winterharte Bambus hatte sich bereits einen Namen gemacht und ist den später als Phyllostachys propinqua eingeführten Pflanzen auch heute noch weitaus überlegen.
In der Zeit sind einige gut winterharte Riesen in Europa eingeführt worden, über denen wir uns - was die Namen anbetrifft - immer noch den Kopf zerbrechen. Zwei von denen haben in meinem Garten ohne allzu viel Mühe den Winter von '96/'97 überstanden und haben innerhalb von drei Jahren Halme mit einem Durchmesser von etwa 4 cm entwickelt. Bei einer von diesen Sorten handelt es sich wahrscheinlich um Phyllostachys dulcis, die, im Gegensatz zur frostempfindlichen Herkunftssorte aus den Vereinigten Staaten, riesenstark is. Die andere Sorte zeigt Ähnlichkeiten mit Phyllostachys iridescens, hat aber keine Streifen.
Ein Riese, der die Möglichkeit in sich hat, auch in einem kühleren Klima mit kälteren Wintern zur Entwicklung zu kommen, ist der Phyllostachys parvifolia. Man sollte diese Sorte nicht mit dem kleinblättrigen Phyllostachys nuda verwechseln, der unter denselben Namen verbreitet wurde. Betreffend Winterhärte ist dieser Bambus zum Beispiel dem Phyllostachys vivax überlegen, aber betreffend Wachstumskraft sind sie vergleichbar. In dieser Reihe von möglichen Verbesserungen des Riesen-Sortiments sollte auch Phyllostachys prominens nicht fehlen. Dieser Bambus mit seinen dekorativen, etwas heraussteckenden Ringen hat eine riesige Wachstumskraft und eine mehr als gute Winterhärte. Jetzt gehts los auf der Suche nach den farbigen Formen von diesen Sorten.
Zwei gut winterharte Bambusse für eine warme Wachstumsstelle sind die einander ähnelnden Sorten Phyllostachys atrovaginata und Phyllostachys virella. Obwohl beide Bambusse nicht sehr hoch werden, entwickeln sie dennoch dicke Halme. Beide haben den typischen Weihrauch- oder Sandelwoodgeruch, der nach Reibung über den Halmen freikommt. Nur die jungen Triebe und Halme der Phyllostachys virella sind etwas heller. Was mich anbelangt sind es zwei Formen von einer und derselben Sorte. Ein Riesenbambus mit einer völlig anderen Ausstrahlung ist Bashania fargesii. Berüchtigt wegen seinem ungeheuren Ausdehnungstrieb, ist diese gut winterharte Sorte mit großen Blättern zu Hause in großen, vom Wind beschützten Wachstumsorten.
Innerhalb der Gruppe von nicht allzu hohen und nicht allzu dicken Bambussorten hat sich in den letzten Jahren eigentlich nicht so viel geändert. Phyllostachys aurea hat zum x-tenmal bewiesen, eigentlich kein Bambus für das mitteleuropäischen Klima zu sein, während Phyllostachys aureosulcata und Phyllostachys bissetii unverändert an der Spitze liegen, auf dem Fuße gefolgt von Sorten wie Phyllostachys angusta, P. decora, P. humilis, P. nuda, und so weiter. Wenn Halmfarbe und Winterhärte die wichtigsten Kriterien sind, dann bleiben der grüne Phyllostachys bissetii, der gelbe Phyllostachys aureosulcata 'Aureocaulis', der gelbe, grün gestreifte Phyllostachys aureosulcata 'Spectabilis' und der etwas weniger winterharte, grüne, gelb gestreifte Phyllostachys arcana 'Luteosulcata' die Favoriten. Was schwarz anbelangt, müssen wir uns immer noch mit dem nicht so starken Phyllostachys nigra behelfen. Vielleicht etwas weniger spektakulär, aber mit einer eigenen Ausstrahlung, haben die grün mit gelben Streifen gefälteten Halme des Phyllostachys aureosulcata 'Harbin' dieser Gruppe das gewisse Etwas Neues hinzuzufügen. Sechs Jahre nach ihrer Entdeckung scheint die umgekehrte Form 'Harbin-inversa' Großbrittanien kaum noch verlassen zu haben. Der bunte Phyllostachys aurea, der jetzt blüht und wieder nach grün zurückzufallen scheint, hat in dem winterhärteren Phyllostachys bambusoides 'Albovariegata', dessen Blätter im Schatten manchmal sogar kupferfarbig sind, seinen Nachfolger gefunden.
Die Chinesen beschrieben die nichtwuchernde Sorte Neosinocalamus affinis mit dicken Halmen als winterhart bis -15° C. Als sich endlich eine Pflanze der Kulturvarietät 'Flavidorivens' in unserem Klima beweisen konnte, stellte sich heraus, daß dieser Bambus höchstens ein paar Grad unter Null ertrug und die hochgespannten Erwartungen - die vielleicht sogar durch einen Tippfehler entstanden waren - überhaupt nicht einhalten konnte.
Semiarundinaria
Es hatte den Anschein , daß, innerhalb der stattlich wachsenden Gruppe Semiarundinaria, Semiarundinaria yashadake 'Kimmei' mit ihren gelben Halmen und grünen Streifen etwas hinzufügte. Innerhalb dieser Gruppe hatte sich die grüne Sorte Semiarundinaria yashadake, zusammen mit Semiarundinaria viridis, als eine der winterhärteren Sorten bewiesen. Leider stellte sich heraus, daß Semiarundinaria yashadake 'Kimmei' viel frostempfindlicher war, und daß sie wahrscheinlich zu einer anderen Sorte hingehört.
Ein Neuling, der eigentlich auch zu dieser Gruppe gehört, ist der ebenfalls aufrecht wachsende und gut winterharte Brachystachyum densiflorum. Durch seine auffällig gefärbten Sprosse läßt sich dieser Bambus schwer mit anderen Sorten verwechseln.
Pseudosasa
Als wintergrüner Bambus hat die Pseudosasa japonica regelmäßig versagt. Nur wegen seiner ungeheueren Erholungsvermögen findet man diesen Bambus mit seinen großen Blättern noch in unseren Gärten.
In Hinblick auf Winterhärte und Wintergrüne ist Bashania qingchengshanensis mit ähnlicher Ausstrahlung und Wachstumshöhe von gut drei Meter eine große Verbesserung in dieser Art von großblättrigen Bambussen. Möglicherweise wird dieser Bambus mit dem viel zu langen Namen in Zukunft doch wieder in die natürliche Variation der Bashania fargesii eingeordnet werden. Zwei Pleioblasten, die mit ihren dickeren Halmen und größeren Blättern in dieser Gruppe gehören und überdies strengen Wintern gewachsen sind, sind Pleioblastus amarus und Pleioblastus juxianensis.
Fargesia
Mittlerweile sind fast achtzig Sorten dieser komplexen Gruppe nichtwuchernder Bambusse beschrieben worden. Ein Teil davon wird heute im neuen Borinda-Geschlecht untergeordnet. Ohne Zweifel befinden sich hier Sorten, von denen wir eigentlich schon seit langem träumen. Aber wegen der höhen und unzugänglichen Wachstumsstellen sind neue Fargesia-Sorten sehr schwer zu sammeln. Für den Handel sind in dieser Gruppe auch gut winterharte Sorten mit dickeren Halmen zu finden, die eine mögliche Alternative sind für den schlechten Ruf des starken Ausdehnungstriebes bei zum Beispiel Phyllostachys.
Hätte Ernest Wilson 1907 zufälligerweise eine 'Simba'-ähnliche Variante der Fargesia murielae mitgebracht, so hätten wir heute vielleicht die endgültige Höhe dieser Sorte für etwa zwei Meter gehalten. Seltsamerweise kam in unseren Reihen noch niemand auf die Idee, im Shennongjia-Gebiet des chinesischen Provinzes Hubei auf der Suche nach dem natürlichen Varianten unseres winterhärtesten und erfolgreichsten Gartensbambusses zu gehen. Was hier an Riesen und Zwergen, an straff aufrechten und überhängenden Arten, oder an unterschiedlichen Blattformen zu finden ist, könnte das Großteil der Nachkommenschaft unseres Wilsonklones in den Schatten stellen. Wir müssens uns halt zufriedenstellen mit einer, sich mittels Selbstbestäubung wiederholende, Variation, innerhalb deren nur mit Mühe wirklich gute Selektionen gemacht werden können. Einige bessere Selektionen sind der 'Jumbo' mit gelbgrünen Halmen und der 'Kranich', der etwas rötliche Deckblätter hat. Die letztere Form, die der Mutterpflanze ziemlich gleicht, hat durch Vermischung mit älteren Pflanzen oft Anlaß zur Verwechslung gegeben. Bis die alten Fargesia murielae Pflanzen sich alle mittels Blüten kenntlich gemacht haben, müssen wir halt auf den richtigen 'Kranich' warten. Meiner Meinung nach wäre es keine schlechte Idee, die niedere Form 'Simba' durch eine bessere Selektion zu ersetzen. Insofern es bei uns bekannt ist, ist außer dem Wilson-Klon noch eine Fargesia murielae unter den Namen Sabe 939 in Europa gelandet, die, wie zu erwarten war, auch zu blühen angefangen hat. Durch eventuelle Kreuzung mit der alten Farg. murielae wird diese Pflanze 'frisches Blut' - und möglicherweise neue Formen - bewirken. Fargesia robusta ist mittlerweile einigermaßen bekannt geworden als nicht-wuchernder Bambus. Obwohl sie, was Winterhärte betrifft, nicht zu vergleichen ist mit zum Beispiel Fargesia murielae, erträgt diese Sorte mit ihren kontrastreichen weißen Deckblättern auf einer beschützten Wachstumsstelle dennoch einiges an Frost. Inzwischen sind einige neue Formen eingeführt worden. Die Auffälligste hat sehr große Blätter und läßt den Namen leichter erklären. Es stellt sich noch dahin ob diese Form betreffend Winterhärte mit der alten Robusta zu vergleichen ist.
Im Frühling 1995 bekam ich ein Fax aus Schanghai. Jemand hatte in den Bergen von Süd- Gansu zwei Bambussorten gesammelt. Ob ich Interesse hätte. Alles was dort wächst ist interessant, also ließen wir die Pflanzen hierher schicken. Eine Sorte war eine richtige Schattenform der Fargesia nitida, mit zierlich dicht auf einander stehenden Blättern. Beim zweiten Bambus war es weniger einfach die Gattungsbezeichnung herauszufinden. Obwohl eine Identifizierung als Fargesia rufa auf der Hand liegt, scheint dieser Bambus zum Teil auch mit der Originalbeschreibung der Fargesia dracocephala übereinzustimmen. Es sieht so aus, als ob diese grellgrüne Fargesia mit ihrem zierlichen, glänzenden Blatt nicht viel höher als drei Meter wird, aber sie hat sich im harten Winter '96/'97 als eine der winterhärtesten und wintergrünsten Sorten erwiesen.
Ein Versuch um die heißbegierte Fargesia papyrifera (=Borinda papyrifera) mit ihren dicken Halmen und möglicher Winterhärte in Yunnan sammeln zu lassen, resultierte in drei schöne, aber nur mäßig winterharten Borinda-Sorten - wie momentan angenommen wird: Borinda albocerea, Borinda lushuiensis, Borinda perlonga, und außerdem noch eine kuriose halb kletternde Yushania-Sorte. Frühling 97 wurden uns die Resultate einer neuen Sammel-Expedition zugeschickt. Eine in Nanping gesammelte Fargesia nitida sah mit ihren glänzenden Blättern wieder ganz anders aus, gehörte aber anscheinend trotdem zur Sorte. Der aufälligste Bambus war aber die Fargesia mit dem vielleicht falschen Namen Fargesia scabrida, deren dickste Halme einen Durchmesser von 2 cm hatten. Der Winter von '97/'98 mit -12° C war für sie kein Problem, und die hochgelegene Sammelstelle (Pingwu / 2600 m) deutet auf eine möglicn bessere Winterhärte hin. Bei diesem zierlichen Bambus gehen die Halme schön und gerade auf, und nicht wie bei Fargesia utilis, wo die bis drei cm dicken Halme in einem Winkel von 45 Grad aufkommen.
Im Herbst 97 erhielten wir nochmals zwei wilde Fargesien. Die erste ist ein richtiger Zwerg. Dieser sehr nördliche und daher vermutlich gut winterharte Bambus wächst nur eins bis anderthalb Meter hoch und stellt damit das, betreffend Höhe fehlende, Zwischenglied innerhalb des nichtwuchernde Sortiments da. Von allen gesammelten Pflanzen ist schlußendlich nur eine Fargesia demissa übriggeblieben. Zur gleichen Zeit wurde auch eine in Xian gesammelte Fargesia denudata mitgebracht. Wie bei Fargesia nitida scheint die Variation innerhalb von dieser Sorte wieder sehr groß. Diese Pflanze zeigt Parallele mit der in '86 von Roy Lancaster im Min-Shanggebirge gesammelten Sorte, hat aber ein kleineres Blatt. Die Min-Shang-denudata und der wunderschöne, aus dem Jiuzhaigoupark in Sichuan mitgebrachte Fargesia nitida ähnelnde Bambus sind als Sämlinge aus China mitgebracht worden. Zusammen mit den Sämlingen von Fargesia dracocephala und Fargesia murielae vertreten sie momentan die wichtigste Gruppe nicht-wuchernder Bambusse einer neuen Generation. Was das Blühen anbetrifft, haben wir die ersten achzig Jahren bei diesen Pflanzen nicht viel zu befürchten.
Natürlich sind, ohne daß ich es weiß, mehr wichtige Sorten eingeführt worden. Vielleicht wächst der neue Bambus für unsere Gegende an einer gut verborgenen Stelle gleich vor unseren Augen und wartet man bis die Zeit reif ist um auf einmal den europäischen Markt zu erobern. Oder vielleicht befindet sich der Bambus auf den wir allen warten sein ganzes Leben schon unaufgemerkt in einem Garten oder einer Sammlung. Sicher ist, daß die Bambusse mit den Eigenschaften von denen wir träumen, irgendwo in China oder vielleicht sogar in den Bergen von Südamerika zu finden sind. Wenn wir dieselbe Leidenschaft an den Tag legen können, wie damals die Rhododendrensammler, dann kann das verwertbare Sortiment in seiner ganzen Verschiedenheit in Zukunft kräftig erweitert werden und eine Menge Sorten in den Hintergrund treten.
Jos van der Palen
Übersetzung Gerbien Fricke  |
 |
Das Zurückschneiden / Auslichten von Bambus
Ein Bambuswald mit „Raumgefühl“
Wer kennt nicht die Bilder aus japanischen und chinesischen Filmen, in denen sich die Schauspieler als Krieger, Reisende oder Geister mit großem Vergnügen durch die weit auseinanderstehenden Halme von einem mysteriösen und in Nebel gehüllten Bambuswald fortbewegen.
Und wie für sich selbst sprechend sind für uns die Fotos von kleinen japanischen Gärten mit armdicken Bambushalmen.
 |
In Wirklichkeit haben diese Impressionen wenig mit dem natürlichen Wachstum vom Bambus, aber sehr viel mit kultiviertem Bambus zu tun. Auch in China oder in Japan würde ein Wald von Phyllostachys-Bambus ohne das Eingreifen des Menschen durch zu viele neue und alte, abgestorbene Bambushalme total dicht und undurchdringbar werden. Die in sehr dichten Bündeln, Gruppen wachsenden tropischen Bambusarten eignen sich schon überhaupt nicht, um zwischen freistehenden Halmen zu laufen. Ein Bambuswald mit einem offenen Charakter ist einfach das Werk von Menschen.
In China und Japan werden bei den eßbaren Bambus-Sorten im Frühjahr die neuen Sprossen geerntet. Dadurch wird das Zuwachsen des Bambus durch zu viele neue Halme automatisch in Grenzen gehalten. Danach wird noch zusätzlich mit sehr viel Sorgfalt ausgedünnt und der offene Charakter von einem solchen Produktionswald aufrecht erhalten. Auch durch die Holzlieferanten wird jedes Jahr ein Teil der Halme geerntet. Das gezielte Schneiden von Halmen ist die wichtigste Maßnahme für das Weitauseinanderstehen der Bambushalme. Vor allem beim Bambus in den japanischen Gärten wird die Anzahl der Halme durch die Gartenbesitzer sorgfältig bestimmt.
In unserem Land wird es noch viele Jahre dauern bevor die Bambuswälder den notwendigen Umfang haben, um im Frühjahr die Bambussprossen ernten zu können. Wer will denn das Risiko auf sich nehmen, genau die Sprossen zu ernten, welche sich leicht zu sehr stattlichen Bambushalmen entwickeln könnten? Zudem ist auch der Durchmesser und die Qualität von unseren Bambushalmen vorläufig noch nicht geeignet um damit Stühle, Tische oder Parkett anzufertigen. Die Entscheidung, ob man den Bambus ausdünnt oder weiter wachsen läßt, hat natürlich auch mit dem geplanten Ziel oder dem Platz, an dem wir den Bambus anpflanzen, zu tun . Wollen wir vielleicht eine häßliche Mauer vom Nachbarn verstecken, dann kann der Bambus nicht dicht genug stehen und wachsen. Machen wir uns die asiatische Vorstellungen zu eigen, um Licht und Raum zu erhalten, sind die Kenntnis einiger Grundregeln sehr hilfreich.
Hierbei werden vordergründig die beiden Sorten Phyllostachys und Semiarundinaria betrachtet, weil sich die Größe von anderen Sorten für das Zurückschneiden / Ausdünnen weniger eignen.
Dazu müssen wir erst gut wissen, wie der Bambus wächst. Ein Baum wird zum Vergleich jedes Jahr höher und der Stamm immer dicker. Ein Bambus wächst jedoch durch seine neuen Halme, welche jedes Jahr innerhalb weniger Monate ihre endgültige Größe erreichen und wieder höher, sowie dicker werden als die Halme des Vorjahres. Überflüssig, dies näher zu erläutern, aber es fasziniert die Bambusneulinge immer wieder. Wenn ich erzähle, daß die höchsten Halme die jüngsten sind und ihre Größe und ihren Durchmesser innerhalb von zwei Monaten erreicht haben, so sehe ich ungläubige Gesichter.
Die Auswahl der Bambussorte wird durch die Stimmung beeinflußt. Ein Phyllostachys humilis oder nudabos erzeugt nach dem Ausdünnen eine luftige und geräumige Sphäre. Sorten wie Phyllostachys vivax oder Phyllostachys sp. Shanghai 3 werden nach dem Auslichten mit ihren dicken Halmen viel monumentaler präsent sein.
Das Pflanzen und Ausdünnen von einem größeren Bambuswald
Wenn der Bambus nach unserem Geschmack in einem großen und humusreichen Teil unseres Garten gepflanzt wurde, kann dieser die kommenden drei Jahre einfach wachsen. Alle Halme können stehen bleiben und sorgen während dieser Zeit für ein starkes und ausgebreitetes Wurzelwerk. Nach dieser Zeit sollten die neuen Halme abhängig von der Sorte und dem Standplatz eine Höhe von 4-6 Metern erreicht haben.
Im Oktober sind diese dicht beblättert und die Halme des ersten und zweiten Jahres nach Pflanzung, sowie dünnere des dritten Jahres, können dicht am Boden abgeschnitten werden. |
Vor und nach dem Schnitt (Ausdünnen) |
Wir können mit dem Abschneiden der älteren Halme aber auch bis Beginn März des kommenden Jahres warten. Das hat den Vorteil, daß die älteren Halme etwas zusätzlichen Schutz vor Wind bieten. Ein zweites Zurückschneiden folgt im Frühjahr, wenn die neuen Sprossen kommen und ungefähr eine Höhe von einem halben Meter erreicht haben. In diesem Stadium können wir gut sehen, wo die neuen Halme wachsen und welchen Durchmesser sie erreichen. Die dünneren Sprossen werden dann direkt am Boden abgeschnitten.
Dasselbe geschieht dann auch mit den Sprossen die an ungünstigen Stellen aus dem Boden kommen, daß heißt zu dicht an anderen Halmen oder zu dicht am Rand. Wenn gerade die dicksten Halme an den falschen Stellen heraus kommen, ist das besonders ärgerlich.
Diese Vorgehensweise beim Zurückschneiden, Ausdünnen muß jedes Jahr wiederholt werden.
Bereits nach dem Erreichen des Raumgefühls, das man erreichen will, kann das manchmal heißen, dass 40-70% der jungen Sprossen weggeschnitten werden müssen. Leider sind die Sprossen der eßbaren Sorten zu diesem Zeitpunkt nicht mehr zum Verzehr geeignet.
Wenn die Halme die endgültige Höhe erreicht haben, können die untersten Zweige von den Halmen weggeschnitten werden. Bei jungen Halmen, welche gerade ihr Schutzblatt verloren haben, können diese Zweige auch einfach von Hand abgebrochen werden. Durch einen leichten Knick des Zweiges nach unten und das anschließende Wegbrechen nach Oben abbrechen wird verhindert, dass unbeabsichtigt ein Teil des Halmes abgerissen wird und zu Schaden kommt. Dieses Wegschneiden der unteren Zweige erzielt den besten optischen Effekt , wenn nicht mehr als ¼ vom Halm dadurch freigemacht wird. Hierdurch bekommt das Licht mehr Raum und der Wuchs von niedrigen Pflanzen wird möglich gemacht. Auch die Farben und das Spiel der Linien der Halme wird mehr zur Geltung gebracht.
Dicker, hoher Bambus wuchert stark und gehört deshalb nicht in einen kleinen Garten. Zu diesem Schluß kommen viele Menschen, wenn sie die Erfahrung mit der enormen und unbegreifbaren Wuchskraft von Bambus machen. Wann immer wir nach dem Bambus in japanischen Gärten schauen, wird dieser Behauptung widersprochen. Warum haben wir eine solche Angst davor dieses Riesengras Bambus zurückzuschneiden, während es doch für die Japaner das normalste der Welt ist. In diesem Land ist der Bambus fest in der Kultur verwurzelt. Was diese Riesengräser betrifft, existieren eigentlich kaum noch Geheimnisse.
Jeder Japaner mit einem Garten ist im Besitz einer viel genutzten Formschnitt-Schere. Mit dieser Schere bewaffnet (in der Hand), ist es eine kleine Kunst um zwei bis drei Bambuspflanzen in Form zu halten. Immer werden dünne, schräge und ältere Halme wieder zurückgeschnitten und eine begrenzte Anzahl von schönen Halmen bleiben stehen. Es spricht für sich, dass Sorten, wie zum Beispiel Phyllostachys pubescens und Phyllostachys bambusoides, welche dort wegen ihren sehr dicken Halmen verwendet werden, bei uns durch mehr winterharte Sorten ersetzt werden müssen. Hierfür kommen Sorten wie Phyllostachys parvifolia oder Phyllostachys prominens in Betracht. Diese Bambussorten können auf einem nährstoffreichen und warmen Pflanzplatz auch bei uns prächtig wachsen. Das ist auch zugleich die Antwort auf die folgende oft gestellte Frage: Ist es möglich eine stark wuchernde hochwachsende Bambussorte auf eine Fläche von einem Quadratmeter zu halten? Nicht wenn man die maximale Höhe der Sorte anstrebt, aber unter Berücksichtigung der obengenannten Maßnahmen zum Schnitt und mit Einsatz von Rhizomsperren (55 bis 65cm Tiefe). Diese Sperre sollte ungefähr zwei Zentimeter aus dem Boden herausstehen. Anders können die knapp unter Erdoberfläche wachsenden Ausläufer unbemerkt wachsen. Die ersten paar Jahre wird sich eine stark wuchernde, hohe Bambussorte mit einem begrenzten Stück Garten begnügen, aber ohne Zurückschneiden kommen die Probleme von selbst. Auf einer kleinen Fläche können keine hundert Halme stehen. Und ein aktives Wurzelwerk wird Versuche unternehmen, um aus einer Sperre auszubrechen und auf die Suche nach ausreichend Wasser und Nährstoffe gehen. Dann ist selbst eine Rhizomsperre von 80cm Tiefe nicht ausreichend. Genauso wie bei einer Topfblume muß das Grün über der Erde sich in Gleichgewicht mit den Wurzeln unter der Erde befinden.
Jos van der Palen
Übersetzung Juergen Leis  |
|
 |
Bambusse mit dicken Halmen
Phyllostachys ist die bedeutendste frostharte Bambusgattung mit dicken Halmen. Einige neue Arten und Sorten verbinden Riesenwuchs mit einer besseren Winterhärte.
Vor allem Phyllostachys vivax macht bislang seinem Ruf als Riesenbambus für kühlere Klimazonen Mitteleuropas alle Ehre. Jedoch beschränkt sich seine Eignung auf Gegenden mit weniger strengen Wintern. Neue Sorten von Phyllostachys vivax und ebenso einige bisher wenig kultivierte Phyllostachys-Arten können in Zukunft für eine Erweiterung und Verbesserung des Sortimentes sorgen.
Phyllostachys vivax 'Aureocaulis'
Innerhalb von knapp zehn Jahren avancierte Phyllostachys vivax 'Aureocaulis' in den milderen Gebieten Deutschlands und Westeuropas zum bekanntesten und beliebtesten hohen Bambus. Dieser Riese hat durch seine dicken, sattgelben Halme mit den unregelmäßig zerstreuten grünen Längsstreifen eine wahrhaft tropische Ausstrahlung. Doch kommt er mit kalten, sonnigen und trockenen Wintern nicht zurecht. Bei etwa -17 bis -19 °C können auf den Halmen dunkelbraune Flecken erscheinen. Auch die großen, frei hängenden Blätter überleben diese Temperaturen nicht immer gut, die dünnwandigen Halme sind bei starkem Wind und Schnee verwundbar. In Gegenden mit weniger rauem Winter oder an geschützten Plätzen wächst P. vivax `Aureocaulis' jedoch leicht und schnell zu einem Bambus von beeindruckenden Ausmaßen heran. Mit einer Endhöhe von 6 bis 10 m und einem Halmdurchmesser von 4 bis 7 cm stiehlt er allen anderen die Show.
Zwischen den gelben Halmen erscheint ziemlich regelmäßig ein grüner Stängel mit gelbem Sulcus (abgeflachte Seite). Wenn so ein Halm isoliert wird, kann dieser Pflanzenteil möglicherweise weitere gleichfarbige Halme bilden. Dann handelt es sich um die bedeutende und stabile Form Phyllostachys vivax 'Huanwenzhu', leicht zu verwechseln mit P. vivax.
Die grüne Form von Phyllostachys vivax ist in der Tat außergewöhnlicher, als man zunächst vermutet. Vor etwa sechs bis sieben Jahren wurde diese Art in großer Anzahl aus China eingeführt. Das dachten die Züchter wenigstens. Inzwischen ist aber deutlich geworden, dass sich unter dem Namen P. vivax viele neue Arten wiederfinden, wobei nur wenige oder vielleicht gar keine Exemplare von P vivax dabei sind. Eine Art war bei diesen Importen immer in großem Umfang vertreten und bekam den improvisierten Namen 'Shanghai 2'. Dieser Bambus ähnelt in der Wuchskraft P. vivax, doch sind die Blätter kleiner und hängen weniger stark. Die frühen gelblichen Triebe deuten auf P. dulcis hin. Ein präziser Vergleich mit Fotos von Phyllostachys-dulcis-Trieben im „Compendium of Chinese Bamboos" und anderer Literatur räumt die größten Zweifel aus dem Weg. Die Art hat den kalten Winter von 1996/97 mit Temperaturen von -19 °C überstanden - im Gegensatz zur echten P. vivax. Deshalb muss es sich hier um die echte P. dulcis handeln, und zwar um diejenige, die auch die kalten Winter in Beijing überleben kann und von der die jungen Triebe für den Verzehr hoch geschätzt werden. Der frostempfindliche Bambus, der irgendwann aus den USA als P. dulcis nach Europa eingeführt und in Umlauf gebracht worden ist, kann nicht dieselbe Art sein.
Auch die nahe verwandte Phyllostachys spec. 'Shanghai 3', in Europa unter der falschen Bezeichnung P. propinqua eingeführt, gehört zu den besten höheren und winterharten Bambusarten mit dicken Halmen. Dieser Riese hat rosarote Triebe und tiefgrüne junge Halme. Die Bestimmung weist in Richtung P. iridescens, eine bekannte Art mit ebenfalls dicken Halmen, die rotbraune und gelbe Längsstreifen aufweisen. Dennoch scheint es mir sinnvoller, vorläufig beim Namen Phyllostachys spec. 'Shanghai 3' zu bleiben.
Neue Arten und Sorten
Eine neue wichtige, stabile Form von Phyllostachys vivax ging als Mutation aus einer etwas in Unordnung geratenen P. vivax 'Aureocaulis' hervor, nahezu zeitgleich entstanden in der Baumschule von Hans Prins in Steenwijkerwold und bei mir in Valkenswaard (NL). Soweit bekannt, ist sie noch nirgendwo sonst aufgetaucht. Genau wie bei P. aureosulcata 'Spectabilis' ist die abgeflachte Seite der Halme (Sulcus) grün und der Rest gelb, umgekehrt wie bei der bekannten P. vivax 'Huanwenzhu' mit grünen Halmen und gelbem Sulcus. Hierin ist der Name Phyllostachys vivax 'Huanwenzhu-inversa' begründet. Da diese Form auch aus der besagten P. vivax 'Aureocaulis' hervorgegangen ist, kann man von der gleichen Winterhärte ausgehen.
Eine weitere neue Phyllostachys-Art beeindruckt mich seit Jahren durch ihre Wuchskraft, die äußere Erscheinung und durch die ausgeprägte Frosthärte: P. parvifolia. Es ist kaum begreiflich, dass dieser Bambus erst jetzt und auch nur vereinzelt erhältlich ist. Schon vor Jahren wurde er aus China nach Europa eingeführt - umso merkwürdiger scheint es, warum er noch nicht bei den Züchtern und Sammlern angekommen ist. Vielleicht liegt es daran, dass sich früher eine kleinblättrige Varietät von P. nuda mit dieser Bezeichnung geschmückt hat.
Die Bezeichnung parvifolia deutet auf das kleine Blatt hin, wodurch sich dieser Bambus von den meisten anderen Phyl/ostachys-Arten unterscheidet. Die feine Struktur der Blätter erscheint in ihrer Gesamtheit wie eine luftige Wolke. Die neuen Triebe sind leicht zu erkennen. Als lange, glatte, rosa Speere kommen sie Ende Juni/Anfang Juli aus dem Boden. Zunächst schießen sie etwas schräg hervor, doch mit zunehmender Höhe stehen sie schließlich kräftig und gerade aufrecht. Die prächtigen Halme weisen unter den Knoten einen auffallenden, weiß bepuderten Ring auf. Eine Höhe von 10 m liegt im Bereich des Möglichen. Dann können die Halme einen Durchmesser von 6 bis 7 cm erreichen. Der letzte kalte Winter von 1996/97 mit Temperaturen bis -19 °C konnte den jungen Halmen der noch kleinen Pflanzen in meinem Garten nichts anhaben, auch die Blätter blieben einwandfrei grün -und das in großem Kontrast zu den braunen Blättern der meisten anderen Arten rundherum. Ein junges Exemplar von Phyllostachys parvifolia im Garten von Max Riedelsheimer in Stockdorf bei München hat im Winter 1999/2000 kaum Blattschäden davongetragen, weniger als zum Beispiel P. aureosulcata und P. bissetii, obwohl in einer kurzen starken Frostperiode die Temperaturen bis -20 °C sanken. Nach inzwischen fünf Standjahren hat die Pflanze bei mir beinahe 6 m Höhe erreicht. Die Wuchskraft ist weniger explosiv als beispielsweise bei P. vivax, doch die Halmwände sind etwas dicker und dadurch kräftiger.
Phyllostachys kwangsiensis
Aus Taiwan mit seinem warmen Klima stammt die Art P. kwangsiensis. In Bezug auf die Frosthärte wurde deshalb nicht viel von ihr erwartet. Aus diesem Grund hatte wohl auch niemand so recht Lust, Pflanzenmaterial nach Westeuropa einzuführen und zu testen. Völlig unerwartet stellte sich jedoch im extremen Winter von 1996/97 mit Tiefsttemperaturen bis -21 °C heraus, dass dieser Bambus zu den am meisten winterharten und wintergrünen Arten gehört. Es ist gut möglich, dass P. kwangsiensis irgendwann aus einem viel kälteren Gebiet Chinas nach Taiwan eingeführt worden ist. Bemerkenswert ist die große Ähnlichkeit mit P. pubescens, einer hoch geschätzten Art. In China ist P. pubescens der höchste (bis 25 m) und wegen seiner Halme und essbaren jungen Triebe der am häufigsten angebaute Bambus im Erwerbsgartenbau. Durch die Behaarung der jungen Halme und andere Merkmale könnte man vermuten, P. kwangsiensis sei eine winterharte Form der in unserem Klima schwach wachsenden Art P. pubescens -eine Unterart, die sich mit unseren kühleren Sommern und strengeren Wintern zufrieden gibt und die das Potenzial hat, an zusagenden Plätzen bis 10 m hoch zu werden.
Dieser Bambus braucht viel raum und muss sich natürlich noch in vielen Punkten bewähren, aber als winterharte Alternative zu P. pubescens wirkt er sehr reizvoll.
Weitere Arten mit kräftigen Halmen
Unter den weiteren frostharten Phyllostachys-Arten mit dicken Halmen ist P. acuta leicht zu verwechseln mit P. vivax. Dagegen ähnelt P. atrovaginata im äußeren Erscheinungsbild sowie in Bezug auf Verwendungszweck und Winterhärte sehr P. parvifolia. Die Halme von P. iridescens weisen gelbe und rotbraune Längsstreifen auf. Diese Art bedeutet für kältere Gegenden eine bessere Wahl als die ebenso gestreifte P. violascens. .
P. prominens lässt sich nur schwer von P. dulcis unterscheiden. P. propinqua 'Li Yü Gan' ist winterhart und bildet ziemlich dicke, tiefgrüne Halme. Ältere und besser bekannte Riesenformen wie P. n-gra 'Boryana' und P. nigra 'Henonis' haben im kalten Winter 1996/97 in vielen Gegenden versagt.
In Großbritannien wird P. parvifolia viel eher für nördliche Landstriche empfohlen als P. pubescens. In diesem Zusammenhang wird vor allem auf die äußere Ähnlichkeit des feinen Blattes hingewiesen. Die kleinblättrige P. parvifolia könnte etwas von der Magie des Riesenbambus P. pubescens in unsere Gegenden bringen.
Jos van der Palen
GartenPraxis 7/2002 
|
 |
Jiuzhaigou - der „Rote Bambus"
Gärtner wie Pflanzenverwender sind verunsichert, weil erneut Gartenbambusse blühen. Die Blüte von Fargesia nitida ist in vollem Gange. Welche Erfahrungen liegen mit dem neuen Bambus aus dem Jiuzhaigou-Park vor?
Ende der 80er-Jahre besuchte ein deutscher Apotheker den Naturpark Jiuzhaigou im Norden der chinesischen Provinz Szechuan (siehe auch Gp Nr. 3/1999). In 3000 m Höhe entdeckte er eine Bambusart, die massenhaft in Blüte stand. Er wickelte einige Sämlinge in ein nasses Taschentuch und nahm sie mit nach Mitteldeutschland. Aus ihnen entwickelte sich ein äußerst eleganter und farbiger Bambus.
Vor etwa zwölf Jahren bekam ich ein Teilstück mit drei Halmen, aus dem ich drei Einzelpflanzen erziehen konnte. Ein Exemplar erhielt einen Platz im Garten von Valkenswaard (NL), die anderen wurden vermehrt und unter Sammlern und Züchtern verbreitet. Inzwischen, nach einer fleißigen Prüfzeit mit reichlich Erfahrungen aus allen Ecken Europas und Nordamerikas, wissen wir viel über die Eigenschaften dieses Bambusses. Momentan ist Fargesia spec. Jiuzhaigou l ausschließlich in spezialisierten Betrieben erhältlich, doch da einige Baumschulen diesen Bambus bereits jahrelang auf dem Feld vermehrt haben, verändert sich dies langsam.
Vor 1970 nahm Bambus in den hoch gelegenen Nebelwäldern (zwischen 2700 und 3200 meter) des Jiuzhaigou-Parks etwa 60 bis 90 % der Vegetation ein. Der häufig dichte Bewuchs mit Fargesien dominierte den Rest der Vegetation und erschwerte das Wachstum von Sträuchern und Bäumen. Aufgrund der Blüte in den Siebziger- und Achtzigerjahren sind alle alten Bambusbestände abgestorben. Durch den frei gewordenen Raum profitierten zeitweilig die Sträucher und Bäume. Die neuen Bambussämlinge benötigen sicherlich noch zehn bis 20 Jahre, um wieder die Größe ihrer Vorfahren zu erreichen. In einem Zeitraum von etwa 100 Jahren wird auch diese neue Generation Bambuspflanzen wieder massenhaft blühen und sich der ganze Vorgang wiederholen. Dieser Rhythmus ist ein Problem für die Pandabären, die in diesem Gebiet leben, denn ihre einzige Futterquelle sind die Bambuspflanzen. Aus diesem Grund sind während der letzten Blühperiode Dutzende Tiere umgekommen.
Anfang der Achtziger jähre war der Jiuzhaigou-Park noch nicht öffentlich zugänglich. Der Weg von der Hauptstadt Chengdu war bis zu dieser Zeit kaum passierbar, wodurch die Reise einige Tage dauerte. In dieser Zeit stand der Bambus, von dem man dachte, dass es sich um Fargesia nitida handelte, in voller Blüte. Zwischen den vertrockneten Zweigen und den abgestorbenen Pflanzen waren überall junge Sämlinge zu finden. Einige davon wurden von den ersten Touristen nach Europa mitgenommen. Dies sind die Formen, die wir heute am besten kennen.
Inzwischen ist diese prächtige Landschaft mit Dörfern, klaren Seen, hohen Bergen und der reichen Vegetation von Chengdu einfach und schnell zu erreichen. Dadurch hat sich der Jiuzhaigou-Park zu einer touristischen Attraktion wie keine andere entwickelt. Die Bambusse sind an vielen Orten noch damit beschäftigt „erwachsen" zu werden. Merkwürdig ist, dass dort sogar jetzt noch viele sehr junge Sämlinge zu finden sind. Als Souvenir sind in den letzten Jahren stets weitere neue Pflänzchen nach Europa gekommen, Dort zeigen sie, wie groß die natürliche Variationsbreite dieses prächtigen Bambusses ist.
Die Chinesen berichteten seinerzeit über die Blüte von Fargesia nitida in diesem Gebiet (Mitford. Keng), aber die mitgebrachten Pflanzen unterschieden sich doch deutlich von dieser Art. Kürzlich ist durch eine vergleichende DNA-Untersu-chung festgestellt worden, dass Fargesia spec. Jiuzhaigou nicht gänzlich zu F. nitida gehört, jedoch eng mit ihr verwandt ist. Genau genommen sollte man die Verwandtschaft zwischen einer Anzahl Fargesien, die momentan in Zentralchina vorkommen, im Zusammenhang mit der Migration der Gattung sehen. Diese begann im westlichen Teil von China, wo die Winter mild sind, und führte unterwegs in Gebiete mit echten Wintern. Fargesia spec. Jiuzhaigou und die ebenfalls verwandte F. denudata zurücklassend. Letztendlich endete die Reise im Verbreitungsgebiet der bis jetzt am meisten winterharten Arten F. nitida und F. murieliae.
Übereinstimmungen zwischen F. nitida und F. spec. Jiuzhaigou gibt es genug: Bei beiden Bambussen rollt sich das dünne Blatt bei Frost, Sonne oder Trockenheit ein. Auch die beinahe identische Winterhärte (bis -25 °C) und das nicht immer schöne Winterbild sind vergleichbar.
Einen wichtigen Unterschied bilden die Schutzblätter an den Halmen: Bei F. nitida bleiben diese einige Jahre sitzen und verleihen der Pflanze auf Dauer ein etwas ungepflegtes und schilfartiges Aussehen. Bei dem Taxon aus dem Jiuzhaigou-Park dagegen fallen alle Schutzblätter von den jungen Halmen innerhalb eines Jahres ab. Dadurch wird der Stängel und seine Ausfärbung besser sichtbar.
Farbe und Wuchsform
Der häufig verwendete Name „Roter Bambus" führt manchmal zu Missverständnissen, da Fargesia spec. Jiuzhaigou l nicht das ganze Jahr über rötlich gefärbt ist. Bei diesem Klon können die Halme in der Frühjahrssonne intensiv rot werden. Im Verlauf des Sommers geht die Farbe in ein Orangegelb über, und im Spätsommer bilden sich dazwischen die neuen tiefgrünen Halme. Die für diesen Bambus so typische Rotfärbung ist in der Sonne am stärksten, und zwar in den Monaten März, April und Mai. Mittlerweile sind auch neue Jiuzhaigou-Klone bekannt, die sich kaum verfärben oder ein noch tieferes Rot bis hin zu einem dunklen Purpur aufweisen können.
Fargesia spec. Jiuzhaigou l gehört genau wie alle anderen Fargesia-Arten zu den nicht wuchernden Bambussen. Jedes Jahr, meist im Spätsommer, bilden sich direkt an der Pflanze die neuen Halme, die sich kaum oder gar nicht verzweigen. Dadurch wird die Pflanze nur langsam breiter. Sie wächst aufrecht mit leicht überhängenden Spitzen; ältere Halme können stärker durchhängen. Da die Pflanze im November als Vorbereitung auf den Winter aber einen Teil der Blätter abwirft, ist die Wintersilhouette stets straff aufrecht. Mit einer Höhe von 2 bis 3 m ist dieser Bambus eine gute Heckenpflanze. Auf humusreichen, nicht austrocknenden Böden verträgt Fargesia spec. Jiuzhaigou l die Sonne gut.
Häufig werden die zwei Begriffe winterhart und Wintergrün durcheinander geworfen, doch handelt es sich um völlig verschiedene Eigenschaften. So haben Fargesia-Pflanzen aus Jiuzhaigou bewiesen, dass sie sicher Temperaturen bis -25 °C überleben können, einige teilweise sogar noch mit grünen Blättern. Aber genau wie Fargesia nitida kann dieser Bambus nach einem Winter mit starkem austrocknendem Landwind und greller Sonne bereits bei -10 °C entblättert sein. Dennoch sind die Zweige im April oder Mai stets wieder mit kleinen, zierlichen, papierdünnen Blättern besetzt. Eigentlich ist Fargesia spec. Jiuzhaigou l in einem trockenen Landklima oder bei extremem Wetter nicht immer Wintergrün, aber gut winterhart. In einem feuchteren Klima ist er meist gut Wintergrün und gibt mit seinem feinen, dekorativen Blatt ein transparentes, filigranes Winterbild ab.
Als Wintervorbereitung wird im November bei einem offenen Standort zwei Drittel, bei stärker beschatteten Plätzen ein Drittel der Blattmasse tiefgelb und fällt ab. Das schränkt die Verdunstung ein. Da bei Frost, Sonne und trockenem Wind kaum oder gar keine Zufuhr von Feuchtigkeit über die Wurzeln stattfindet, haben die verbleibenden Blätter einen Mechanismus entwickelt, so wenig Feuchtigkeit wie möglich zu verlieren. Das Blatt rollt sich dann völlig ein und verkleinert so seine überfläche. Bei extremen Bedingungen wird als letztes Hilfsmittel das Blatt abgeworfen.
Der Name
Man ging zunächst davon aus, dass es sich bei dem Bambus im Jiuzhaigou-Park um Fargesia nitida handelte. Nachdem sich meine ersten drei Halme zu richtigen Pflanzen entwickelt hatten, schickte ich ein Exemplar an den Bambuskenner Max Riedelsheimer. Ihm war sehr schnell klar, dass dieser Bambus nicht der Beschreibung von Fargesia nitida entsprach. Er schlug den improvisierten Namen Fargesia spec. Jiuzhaigou vor. Unter diesem etwas schwierig auszusprechenden Namen wurde die Pflanze weiter verbreitet. Als noch mehr Bambusse aus diesem Gebiet kamen, wurde die Pflanze zu Fargesia spec. Jiuzhaigou 1. Um die Verwandtschaft mit Fargesia nitida deutlich zu machen, wurde auch der Name Fargesia nitida aff. 'Jiuzhaigou' vorgeschlagen. Der Handel saß derweil brütend über kommerzielleren Namen. Hier und da tauchte Fargesia 'Sundance' auf. Glücklich konnte sich die Baumschule schätzen, die diesen Bambus im Jahr 2003 auf der Plantarium in Boskoop einführte und sich enger an den ursprünglichen Namen hielt. Dort waren die Pflanzen etikettiert als Fargesia spec. Jiu, als Synonym wurde Fargesia spec. Jiuzhaigou l mit angegeben.
Geprüfte Typen
Fargesia spec. Jiuzhaigou 1: Sie ist die zurzeit am besten erhältliche und am ausführlichsten beschriebene Art. Der Bambus wächst aufrecht mit kräftigen Halmen, wird 2 bis 3 m hoch und zeigt in der Sonne eine deutliche Rotfärbung.
Fargesia spec. Jiuzhaigou 2: Die zweite bekannte Form aus dem Park, vor über zehn Jahren von dem Franzosen M. Laferrere mitgenommen. Die Halme stehen viel weiter auseinander und lassen die tiefe Rotfärbung durch die Sonne vermissen. Keine große Bereicherung für das Jiuzhaigou-Sortiment.
Fargesia spec. Jiuzhaigou ’Genf’: Stark wachsende Form, die sich im Frühjahr intensiv rot färbt. Wird höher als 3 m, es wird sogar von einem gut 5 m hohen Exemplar in der Schweiz berichtet.
Fargesia spec. Jiuzhaigou Willumeit 4: Junge Halme bleiben lange dunkelrot und können sich fast schwarz (dunkelpurpurn) verfärben. Das Blatt ist dunkelgrün; die Höhe liegt zwischen 2 bis 3m.
Fargesia spec. Jiuzhaigou Willumeit 8: Die dünnen Halme verfärben sich hellrot. Die Blattstellung ist äußerst elegant. Die schwächer wachsende Form wird kaum höher als 2 m.
Fargesia spec. Jiuzhaigou Willumeit 9: Die dickeren, etwas durchhängenden Halme können sich von Rot zu Dunkelpurpur verfärben. Stark wachsende Form mit lockerem Aufbau, die 4m hoch werden kann.
In den nächsten Jahren werden weitere Wuchstypen folgen.
Die Blüte, eine komplexe Geschichte
Die Bambusse in Jiuzhaigou blühen ungefähr alle 100 Jahre. Somit ist die nächste Blühperiode erst wieder in 70 bis 80 Jahren zu erwarten. Aber was bedeutet schon sicher in der Welt des Bambus, wo immer wieder Berichte über eine Blüte auftauchen, selbst bei der als blühsicher gewähnten neuen Generation von Fargesia murieliae? Das Folgende ist als gesichert anzusehen: In einem Vermehrungsbetrieb in Boskoop (NL) wurde unter über 100 000 Sämlingen von Fargesia murieliae in zehn Jahren keine einzige blühende Pflanze angetroffen. Andere Baumschulen bestätigen dies, was den Erwartungen entspricht. Sicher ist auch, dass alle Formen von Fargesia nitida, die durch Samen entstanden sind, der während einer Blühperiode 1886 durch Berezovski in Süd-Gansu in China gesammelt wurde, mehr als 100 Jahre nirgendwo geblüht haben. Die erste Meldung einer Blüte von Fargesia nitida datiert aus dem Jahr 1991 und erst jetzt hat die erwartete Blüte dieser Art begonnen (inklusive Fargesia nitida 'Gansu', siehe „Gartenpraxis" Nr. 9/2000).
Warum hat ein Teil der so genannten neuen Generation von Fargesia murieliae, von der man dachte, dass sie blühsicher sei, doch begonnen zu blühen? Darüber zerbricht man sich in Fachkreisen momentan den Kopf und es gibt einige Theorien. Einen verständlichen und kurzen Bericht hierüber abzufassen, scheint momentan nicht einfach zu sein. Wahrscheinlich sind seit 1991 Pflanzen der alten Generation, von denen man dachte, dass sie zu der neuen Generation gehören, ins Vermehrungslabor gelangt. Durch die Vermehrung per Gewebekultur und den Einsatz von Wachstumshormonen kann der Blütezeitraum der alten Generation verzögert worden sein. Diese Pflanzen sind später mit allerlei phantasievollen Namen versehen, wie Fargesia murieliae 'Favorit', 'Kranich' oder 'Phönix', als neue Generation in den Handel gekommen.
Immer war es ein kleiner Teil, der blühte, weshalb man dachte, dass aus Versehen noch Pflanzen der alten Generation dazwischen gekommen sind. Im Jahr 2003 begann an verschiedenen Standorten ein wesentlich größerer Teil dieser Pflanzen zu blühen, und in der Gärtnerwelt wurde wieder Alarm geschlagen. Nun nimmt man an, dass alle nun blühenden Pflanzen der alten Generation angehören.
Fargesia murieliae 'Bimbo', 'Jumbo' und 'Simba' vertreten die neue Generation. Bei Berichten über eine Blüte dieser Sorten kann man davon ausgehen, dass es sich um vertauschte Etiketten handelt. Dann sind Pflanzen der alten Generation, entweder in böser Absicht oder als unabsichtliche Verwechslung, als eine der neuen blühsicheren Sorten ausgezeichnet worden.
(Zur Unterscheidung: Die Halme und Seitenzweige der echten 'Jumbo' und 'Simba' zeigen im Frühjahr nicht den Hauch von Rot, und 'Bimbo' ist leicht an dem kleinen Blatt zu erkennen.)
Wenn doch echte blühende 'Bimbo', 'Jumbo' und 'Simba' auftauchen sollten (ich habe davon gehört, die Pflanzen aber noch nicht gesehen), dann ist davon auszugehen, dass die Ursache in den Vermehrungsmethoden einiger Gewebekulturbetriebe liegt.
Können die neuen Fargesien aus Jiuzhaigou frühzeitig blühen? Bei der traditionellen Vermehrungsmethode durch Schösslinge, wie sie bis jetzt bei Fargesia spec. Jiuzhaigou l angewendet wird, sollte das in den ersten 70 bis 80 Jahren nicht geschehen. Eventuelle Vermehrung durch Gewebekultur in der Zukunft muss nicht obligatorisch zu vorzeitiger Blüte führen. Aber durch experimentelle und undurchschaubare Methoden in einigen Labors kann auch irgendwo etwas schief gehen. Auch in dieser Branche gilt, dass nicht ein Betrieb wie der andere ist.
Jos van der Palen
GartenPraxis 6/2004 
|
 |
Fargesia nitida. Wann kommt die nächste Bambusblüte?
Fargesia nitida ist wegen des horstigen Wuchses und der Winterhärte einer der wichtigsten Gartenbambusse, zunehmend als Ersatz für Fargesia murielae, die in den vergangenen Jahren zu blühen und abzusterben begann. Inzwischen zeigen sich auch bei Fargesia nitida erste blühende Pflanzen.
Bei Fargesia murieliae war der Blütezeitpunkt vorhersehbar. Alle vorhandenen Pflanzen waren Nachkommen eines Exemplars, das 1907 von Ernest Wilson entdeckt wurde. Die Hauptblüte oder wichtigste Blüte dieser identischen Pflanzen fand über einen Zeitraum von zehn Jahren statt, und nach der Blüte starben alle Pflanzen ab. Nun steht eine neue Generation von Sämlingen bereit, um den Markt zu erobern (siehe „Gartenpraxis" Nr. 4/1999, Seite 48). Die meisten haben allerdings ihre Generalprobe noch nicht bestanden.
In den Wintermonaten lässt sich Fargesia nitida am leichtesten von F. murieliae unterscheiden. Die neuen Triebe bleiben im ersten Jahr meistens unverzweigt und ragen kahl über die älteren und beblätterten Triebe hinaus. Nur an der Spitze befinden sich einzelne Blättchen. Ist der Sommer sehr lang, beginnen die Triebe sich leicht zu verzweigen. Im November färbt sich ungefähr ein Drittel des Laubs gelb und fällt ab. Die restlichen Blätter trotzen der Kälte des Winters und rollen sich als Verdunstungsschutz bei Frost ein. Dies geschieht ebenfalls im Sommer bei langen Hitze- und Trockenperioden. In dieser Weise schützt sich auch die Schatten liebende Fargesia nitida 'Nymphenburg'.
Das natürliche Verbreitungsgebiet von F. nitida liegt in China und ist sehr ausgedehnt. Es umfasst unter anderem Nordszechuan, Gansu, Ningxia und Shaanxi. Dort gedeiht der subalpine Bambus auf Höhen zwischen 2400 und 3400 m. In der von Bergen und Schluchten durchzogenen Landschaft gibt es viele voneinander isolierte Wuchsstandorte. Dadurch bedingt ist die Variabilität innerhalb der Art recht groß und die Blütezeitpunkte weichen voneinander ab. Mitte der Achtzigerjahre wurde eine Bambusblüte im Jiuzhaigou-Park in Nord-szechuan gemeldet, aber bereits zehn Jahre zuvor blühte Fargesia nitida im Mingebirge in Süd-gansu. Je nach Standort bestehen sogar unterschiedliche Blühzyklen unmittelbar nebeneinander.
Blühende Fargesia nitida
Die meisten der uns bekannten Formen sind aus Samen entstanden, der 1886 während der Blüte im chinesischen Südgansu von Berezovski gesammelt wurde. Es ist zu erwarten, dass alle Pflanzen, die von diesem Samen abstammen, auch ungefähr zur gleichen Zeit blühen. Inzwischen ist auch bekannt, dass der bisher angenommene Blühzyklus von 100 Jahren nicht stimmt. Niemand weiß genau, ob die Blüte von Fargesia nitida alle 120, 130 oder 140 Jahre stattfindet.
Inzwischen gab es einige Meldungen über blühende F. nitida in Europa. Die ersten Meldungen stammten aus Großbritannien: 1992 auf dem Landgut Carwinion in Cornwall, 1995 auf der Isle of Man und etwas später im Trebah Garden in Cornwall. 1999 wurden von Produzenten in Belgien, Deutschland und den Niederlanden blühende Pflanzen gemeldet. Einige dieser blühenden Exemplare konnte ich mir beschaffen.
Edward Soldaat beschäftigte sich in den vergangenen Jahren intensiv mit diesem Thema. Er besuchte Trebah Garden in Cornwall und konnte die dort blühenden Exemplare mit meinen Pflanzen vergleichen. Als erste Gemeinsamkeit fiel ihm das kurze Deckblatt auf. Hierdurch unterscheiden sich diese Fargesia nitida deutlich von den anderen bekannten Klonen. Auch die später in Augenschein genommenen blühenden Pflanzen hatten immer wieder dieses Merkmal. So weit bekannt, gehören die heute blühenden Pflanzen zu einem noch unbekannten Klon, den wir vorläufig F. nitida 'Trebah' nennen. Wegen der großen Ähnlichkeit wird Trebah' im Handel häufig für F. nitida 'Nymphenburg' gehalten. So entstanden die falschen Berichte über blühende 'Nymphenburg'.
Wahrscheinlich gehört auch dieser 'Trebah'-Klon zu den Berezovski- Sämlingen und blüht etwas früher. Wenn diese Vermutung stimmt, blühen in nicht allzu langer Zeit auch die anderen. Es besteht aber noch Hoffnung, da es bisher keine Meldungen über blühende bekannte Klone gibt und niemand weiß, ob F. nitida 'Trebah' vielleicht doch aus einem anderen Herkunftsgebiet stammt und einen eigenen Blühzyklus hat. Dann könnte mit etwas Glück die Blüte der Berezovski-Formen noch etwas auf sich warten lassen. Für viele Menschen ist dies eine Wunschvorstellung.
Neue Typen aus China
In den letzten Jahren hat es einige wichtige Neuheiten von Fargesia niüda in Europa gegeben. Die auffallendste und wahrscheinlich auch hübscheste Form wurde 1986 von dem deutschen Apotheker Stephan Wagner in 3000 m Höhe als Sämling im Jiuzhaigou-Park in Nordszechuan gefunden (siehe „Gartenpraxis" Nr. 3/1999). Es lagen bereits chinesische Meldungen über eine Blüte von Fargesia nitida in diesem Gebiet vor. Die von Wagner mitgebrachte Pflanze entsprach nicht genau der Artbeschreibung. Gehen wir von einer großen Variationsbreite innerhalb der Art aus und fassen den Rahmen etwas weiter, so gehört dieser Bambus zu Fargesia nitida. Inzwischen werden neben der vorläufigen Bezeichnung Fargesia spec. „Jiuzhaigou l" auch Fargesia nitida subsp. Jiuzhaigou und Fargesia nitida aff. 'Jiuzhaigou' verwendet.
Nach einiger Zeit gewann man den Eindruck, dass Wagner mehrere Sämlinge mitgebracht hatte und sie nebeneinander zu einer Pflanze auswachsen ließ. Fargesia spec. „Jiuzhaigou l" ist der erste beschriebene und am weitesten verbreitete Klon, der aus einem vital wachsenden Teil dieser „Sammelpflanze" abgenommen wurde. Ein wichtiger Unterschied zu F. nitida ist die Tatsache, dass das Deckblatt innerhalb eines Jahres abfällt. Die dadurch frei liegenden dunkelgrünen, fast unbemehlten Halme färben sich an sonnigem Standort im Frühjahr dunkelrot und dann im Sommer orangegelb. Das kleine, zierliche Blatt scheint eher zum frostempfindlichen Himalaja-Bambus zu gehören, ist aber gut bis sehr gut winterhart. Die bis etwa 3 m hohen Halme stehen mehr aufrecht als die der meisten Fargesien. Ist der Boden nicht zu trocken, so verträgt dieser Bambus auch Sonne. Bis zur Blüte dauert es bestimmt noch ein Menschenleben.
Dieser Bambus beweist, dass das Spektrum der Möglichkeiten innerhalb der Art Fargesia nitida noch lange nicht ausgeschöpft ist. „Jiuzhaigou 2" (vorläufige Bezeichnung) wurde zur gleichen Zeit und im selben Park durch den Franzosen M. Laferrere als Sämling mitgenommen. Die Halme dieser Pflanzen zeigen auf sonnigen Standorten kaum Rotfärbung und stehen mehr auseinander. Bei „Jiuzhaigou 3", „-4" und „-5" und so weiter handelt es sich um eine Reihe von Sämlingen, die Ende der Achtziger jähre von R. Willumeit aus diesem Gebiet zu uns gebracht wurden. Sie zeigen aber bisher nicht viel Neues.
Zwei Formen, die sicher nicht zu den Berezovski-Sämlingen gehören, sind recht neu und unabhängig voneinander von China nach Europa gekommen. Gemeinsam mit Hans Prins hatte ich nach neuen Fargesia nitida Ausschau gehalten. Wir waren sehr gespannt auf weitere Variationen innerhalb der Art. 1995 informierte uns ein Fax vom Botanischen Garten Shanghai, dass Mitarbeiter zwei Bambuspflanzen aus Südgansu mitgebracht hatten. In freier Natur fanden sie zwei Pflanzen an zwei unterschiedlichen Stellen. Bei einer davon sollte es sich um Fargesia nitida handeln. Als wir sie zu Gesicht bekamen, war klar, dass dies zutraf. Inzwischen wissen wir etwas mehr über die Pflanze: Das zierliche, schmale Blatt ist etwas kürzer als bei der bekannten Fargesia nitida 'Nymphenburg' und reagiert noch schneller mit Einrollen auf trockene Luft, Frost und Sonne. Volle Sonne verträgt dieser Bambus nicht. Die Triebe sind stark beblättert und hängen in großem Bogen nach unten. Die neuen Blätter und Triebe bilden sich schon einige Wochen eher als bei den bekannten Typen dieser Art. Im Herbst fangen die einjährigen Triebe oft schon an, sich zu verzweigen.
Aus der ersten Bezeichnung „Gansu 95/2" wurde später Fargesia nitida 'Gansu'. Bezüglich der Winterhärte sind die bis zu 3 m hohen Pflanzen wahrscheinlich mit den übrigen F. nitida Formen zu vergleichen. Da sie aus einem anderen Gebiet stammen als die Berezovski-Formen, haben ein gleichen Blühzyklus. Diese blühzyklus gilt nicht für eine andere Neuheit, die im Frühjahr 1997 in Nanping in 2850 m Höhe für uns als Fargesia nitida gesammelt wurde aber nicht zu Fargesia nitida gehoert. F. sp. 'Nanping' (frueher Fargesia nitida Nanping) hat glänzende Blatt das sich bei frost nicht rollt und ist weniger winterhard.
Zu Beginn der Fünfziger jähre wurden Bambuspflanzen mit unbekannter Herkunft im Skigebiet Alma Ata in Kasachstan angepflanzt. Vor einigen Jahren wurden von diesen Pflanzen Exemplare nach Deutschland eingeführt. Diese ähneln sehr stark F. nitida Anceps' und gehören mit Sicherheit zu F. nitida.
Übrig bleibt die Gruppe der wichtigsten, vermeintlichen Berezovski-Sämlinge. Diesen widmete Max Riedelsheimer (siehe „Gartenpraxis" Nr. 11/1991) bereits seine Aufmerksamkeit. Die immer wieder auftauchenden Berichte über blühende Pflanzen und das respektable Alter von 114 Jahren führen zu Spekulationen, wie lange wir die Pflanzen noch genießen können. Vorläufig sind sie jedenfalls noch da und wir lassen sie Revue passieren.
Verbreitete Klone von Fargesia nitida
Die Form, die den Artnamen Fargesia nitida trägt, wird auch F. nitida 'Typ' oder 'Ems' genannt. Das recht breite Blatt ähnelt sehr F. murieliae, ist aber witterungsanfälliger. Die aufstrebenden Zweige stehen dicht beieinander und können bis zu 4 m hoch werden.
'Chennevieres' unterscheidet sich nur in Details von den Artgenossen. Ausgewachsene Pflanzen wirken etwas zierlicher und voller. In diese Gruppe gehört auch 'Wakehurst'. Erst ging man von acht verschiedenen Klonen aus, die Ende der Achtziger jähre durch Simon und McClintock in Wakehurst Place in England gesammelt wurden. Später meldete McClintock, dass alle Klone identisch seien.
Anceps' und 'Nymphenburg' sind äußerlich kaum oder gar nicht zu unterscheiden, bilden gemeinsam aber einen starken Kontrast zu den drei oben beschriebenen. Bei ihnen zeigt sich deutlich die Anpassung der Art an ein schattiges und feuchtes Biotop mit trockenen und kalten Wintern. Das zierliche und schmale Blatt reagiert unmittelbar auf trockene Luft, Sonne und Frost, indem es sich einrollt. Nach Meinung von Robert Lester und Kurt Bluemel aus den USA ist die Form Anceps' weniger empfindlich gegenüber Wärme und weniger winterhart. Dies ist aber meines Wissens für Europa bisher nicht bestätigt worden. Im Handel sind die beiden Klone unentwirrbar durcheinander geraten.
Erst in den letzten Jahren ist die wüchsige Sorte 'McClure' etwas häufiger anzutreffen. Die Halme des bis zu 5 m hohen Bambus laden weit aus. Das lange und schmale Blatt ist etwas breiter als bei 'Nymphenburg'. Dieser Bambus stammt von Myddleton House in Ensfield, England. Von dort nahm ihn der bekannte amerikanische Bambusforscher McClure mit und pflanzte ihn in seinen Garten. Daher die Bezeichnung 'McClure'. Wahrscheinlich gehört auch dieser Klon zu den Berezovski-Sämlingen.
Eine Untersuchung über die Herkunft der Formen von Fargesia nitida beruht zu Beginn immer auf Vermutungen. So wurde 'De Belder' ('Kalmthout') zuerst der Berezovski-Gruppe zugeordnet. Diese Einteilung ist inzwischen aber fraglich geworden. Ursache: Im belgischen Arboretum Kalmthout der Familie de Belder wurde dieser Klon nicht wieder gefunden und hat wahrscheinlich nie dort gestanden.
In Frankreich tauchte vor einigen Jahren 'Kanzou' auf. Später stellte sich heraus, dass dieser Bambus identisch ist mit 'De Belder', der diese Bezeichnung vielleicht zu Unrecht trägt. Kanzhou liegt in 1600 bis 1700 m Höhe in Nordgansu. (Ein „h" mehr oder weniger hat für einen aus dem Chinesischen übersetzten Namen keine Bedeutung.) Daher ist es möglich, dass dieser Bambus unabhängig von den Berezovski-Sämlingen eingeführt wurde und einen eigenen Blühzyklus hat. Einige auffallende Eigenschaften geben diesem Bambus seine eigene Identität. Keine andere Fargesia nitida ist in der Lage, so schnell so viel Platz einzunehmen. Die neuen Halme kommen oft bis zu 10 cm von der Mutterpflanze entfernt aus dem Boden, und zwar meistens im schrägen Winkel. Dieser Bambus formt schnell einen breiten Wald aus zierlichen, kleinen Blättern. Mit einer Höhe von 2 bis 3 m handelt es sich um eine niedrige Form. Ein anderer Klon, der die gleiche Bezeichnung tragen soll, wächst höher und kompakter.
'Eisenach' kann bis zu 4 m hoch werden, wächst kompakter und hat die gleichen hübschen, feinen Blätter. Manchmal werden zwei aneinander gewachsene Halme gebildet, oder es entsteht ein Halm, der sich gabelt. Viele Berezovski-Sämlinge sind wahrscheinlich noch nicht identifiziert, da sie sich sehr ähneln. Andere wurden einfach noch nicht entdeckt.
Niemand weiß, wie es mit der Blüte dieser Art weitergeht. Mit den Sämlingen vom 'Trebah'-Klon sollte etwas vorsichtiger umgegangen werden als seinerzeit mit den ersten Nachfahren von Fargesia murieliae. Die Jiuzhaigou-Gruppe repräsentiert mit Sicherheit eine ausgezeichnete neue Generation. Die zwei neuen Klone aus Gansu und Nanping haben noch ihre Unschuld. Die „Berezovski-nitidas" haben ihre Zeit deutlich überschritten, erfreuen sich aber noch bester Gesundheit. Seit 1992 sorgt 'Trebah' durch die Blüte für verständliche Unruhe. Ganz neu ist die Nachricht, dass in Dänemark einige gängige Fargesia nitida (als 'Ems' oder 'Typ' im Handel) geblüht haben. 1976 begann, ebenfalls in Dänemark, die erste begrenzte Blüte von Fargesia murieliae. Rund 20 Jahre später kam es zur Massenblüte. Wenn uns die gleiche Zeit bleibt bis zur Hauptblüte von Fargesia nitida, dann haben wir noch Glück.
(Diese Blüte ist in 2005 gut angefangen)
Jos van der Palen
Gartenpraxis 9/2000
|
 |
Fargesia scabrida?
In der zweiten Hälfte der 90er-Jahre wurde China immer leichter zugänglich. Für die Baumschulen „De Groene Prins" und „Kimmei" war dies eine fruchtbare Zeit für die Einführung neuer Bambusarten. Die Ergebnisse der Kontakte mit Chinesen sorgten für Überraschungen und Enttäuschungen. Einige der auf diese Weise eingeführten Bambusse sind inzwischen weit verbreitet. Der Bambus mit dem Namen Fargesia scabrida wird derzeit immer bekannter. |
Wieder einmal kam im Frühjahr 1997 eine kaputte Schachtel mit in freier Natur gesammelten Bambussen bei uns an. Dieses Überraschungspaket enthielt große Klumpen mit dicken, abgesägten, unbeblätterten Halmen, die einen großen Teil des Pakets in Beschlag nahmen. Einige Halme hatten einen Durchmesser von fast 2 cm. Auf den Etiketten stand Fargesia scabrida. Unserem chinesischen Sammler zufolge hatte er diese Pflanzen bei Pingwu im Norden Szechuans in einer Höhe von 2700 m gefunden - einem Sammelplatz, der eine ausreichende Winterhärte erwarten lässt. Wir prüften sogleich die Artbeschreibung von Fargesia scabrida. Die Ausmaße der Halme schienen dazu nicht zu passen. Oder sollte dies zufällig ein Riese sein?
Aus der Basis der abgesägten Halme entwickelten sich im ersten Jahr mühsam kleine Triebe mit schmalen, langen, zierlichen Blättchen. Es dauerte die ganze Vegetationsperiode, bis die Pflanzen kräftig zu wachsen begannen. Im darauf folgenden Frühjahr entwickelten sich Früh starke Triebe. Eine Pflanze wurde ins Freiland gesetzt. |
 |
Im Spätsommer entwickelte dieser Bambus zum zweiten Mal Triebe, die sich noch vor dem Winter verzweigten und Blätter ausbilden konnten. Im Herbst zog der starke Farbkontrast der orangebraunen Schutzblätter zu den jungen purpurn Halmen die Aufmerksamkeit auf sich.
Der erste Winter war mit -12 °C nicht sonderlich kalt; die Pflanze trug keine Schäden davon. Ein Jahr später schien dieser Bambus auch an kälteren Standorten in Süddeutschland mit Frost bis -20 °C keine Probleme zu haben. Nach zwei Vegetationsperioden im Freien war meine Pflanze fast 3 m hoch.
Fargesia scabrida versus Fargesia robusta
Dieser Bambus hat viel mit F. robusta (siehe „Gartenpraxis" Nr. 12/2001) gemein, beispielsweise den frühen Austrieb der neuen, stark behaarten Triebe. (Was bei beiden Arten bei späten Nachtfrösten Probleme mit sich bringen kann.) Meist bilden sich im Spätsommer zum zweiten Mal neue Halme. Auch die Winterhärte ist mit Fargesia robusta „Campbell", der Form mit kleineren Blättern, vergleichbar. Wichtige Unterschiede zu F. robusta sind das lange schmale Blatt und die (für eine Fargesia-Art) weit auseinander stehenden Halme. Kürzlich durchgeführte DNA-Untersuchungen haben bestätigt, dass beide Bambusse eng miteinander verwandt sind.
Erfahrungen mit in der Wildnis gesammelten Bambussen haben uns gelehrt, dass wir diese nicht ohne weiteres einer Art zuordnen können. Das war bereits bei Fargesia spec. Jiuzhaigou und Fargesia 'Rufa' so. Ungeachtet des Fragezeichens, das wir hinter den Namen Fargesia sca-brida gesetzt haben, gibt es viele Baumschulen, die diesen Bambus ohne Bedenken als F. scabrida vermehrt und verkauft haben. Ob diese Pflanze wirklich F. scabrida darstellt, ist jedoch noch immer unklar.
Inzwischen werden diese Bambusse auch als F. scabrida Asian Wonder' angeboten. Eine dieser mikrovermehrten Pflanzen steht in meinem Garten neben einem durch Risslinge vermehrten Exemplar. In Wuchskraft, Winterhärte und Erscheinungsform scheinen beide Pflanzen identisch zu sein. Die Praxis lehrt, dass durch In-Vitro Techniken neben Erfolgen manchmal auch Misserfolge zu verzeichnen sind. Herrschende Vorurteile fanden oft keine Überprüfung in der Praxis. Doch dieses Thema ist zu komplex, um hier in der Kürze diskutiert zu werden.
Lockerer Wuchs
Keine Fargesia bildet unterirdische Ausläufer, die weit wandern. Aber genau wie bei Fargesia 'Rufa' (siehe „Gartenpraxis" Nr. 2/2001) erscheinen die neuen Halme von F. scabrida relativ weit vom ursprünglichen Standort entfernt - manchmal 10 bis 20 cm, so dass die Halme nach einigen Jahren einige Quadratmeter einnehmen können.
Dieser Bambus hat einen lockeren, aufrechten Wuchs und kann bis 4 m hoch werden. Ältere Zweige können leicht durchhängen. Dieser prächtige Bambus kommt bei ausreichend Platz zur Wirkung und ist dann als Solitär, Hecke oder kleines Wäldchen einsetzbar. In der Sonne verfärben sich die neuen, blaugrün bemehlten Halme im Lauf der Wuchssaison tief purpurn. Diese Farbe bildet zusammen mit dem Rotbraun der Schutzblätter einen auffallend schönen Farbkontrast. Ein Gärtner von der Westküste der USA im Staat Oregon beschreibt F. scabrida als eine der am besten sonnenbeständigen Fargesia-Arten. Und auch in unserem Klima hat dieser Bambus keine Probleme mit der Sonne und ist auf einem sonnigen Standplatz besonders farbenfroh.
Jos van der Palen
GartenPraxis 5/2005 
|
|
 |
| Neue Einführungen, neue Möglichkeiten
Vor ca. zwanzig Jahren war es sehr einfach die Namen von Bambus aufzuzählen. In dieser Zeit wurden Ableger von Mutterpflanzen des Pseudosasa japonica, Fargesia murieliae und Phyllostachys nigra unter den ersten Züchtern und Sammlern verbreitet. Damals war noch alles sehr überschaubar. Wir wussten genau, woran wir diese Sorten erkennen konnten, und es wurde der Anfang gemacht, Neuheiten zu katalogisieren. Letztendlich dachten wir, müsste ein übersichtliches Nachschlagewerk zu finden sein, worin alle Sorten der Bambusfamilie detailliert aufgeführt werden.
Aber als wir viele aus China und Japan neu eingeführte Sorten kennen lernten war der gute Vorsatz schnell vergessen. Durch die Öffnung Chinas sind viele in der Wildnis gesammelte Sorten nach Westen gekommen. Und diese haben sicherlich Nichts zur einer besseren Übersicht beigetragen. Aufgrund der vielen sehr präzisen Beschreibungen, die von den Sorten existieren, fallen stets mehr neue Bambusarten durch das Raster. Das soll heißen, dass diese keine neue Sorten sind, sondern nur als eine neue Variante eingestuft werden müssen.
Am deutlichsten ist diese Einschränkung von einer gewissenhaften Sortenbeschreibung bei den Nachkömmlingen von der einst so vertrauten Fargesia murieliae zu sehen. Erst wussten wir worauf wir bei der Bestimmung von dieser Sorte genaustens aufpassen mussten. Nun variiert die Höhe der neuen Generation von 50cm bis bestimmt 5m. Und es gibt Pflanzen ohne die typische Bemehlung wie die Halme der Mutterpflanze. Genauso kommen jetzt auch rote und grüne Halme vor. Weiterhin existieren Pflanzen, welche den Schatten bevorzugen. Aber auch Varianten, die einen sonnigen Standort vertragen. Wenn wir nicht gewusst hätten, wo diese Sorten hergekommen sind, hätten wir diese durchaus mit Leichtigkeit zu vier bis fünf „neuen Sorten“ erklärt. Auf diese Art und Weise sind in der Bambuswelt eine Menge Sorten als solche benannt, wobei sie diesen Status „Sorte“ nicht verdienen. Ein jeder Botaniker kann ohne große Mühe seinen Namen mit seiner Entdeckung einer „neuen Sorte“ verbinden. Eigentlich sollten wir, genauso wie bei den Rhododendrons, zurück zu einer weniger begrenzten Einteilung der Sorten. Es sollte vielmehr in Gruppen und Arten nachgedacht werden, um den Bambus einzuordnen. Wenn in naher Zukunft vielleicht mehr bekannt ist über die Verwandtschaft der Sorten auf der DNA-Ebene kann hiermit vielleicht ein Anfang einer korrekten Einteilung in Sorten gemacht werden.
Es ist zu erwarten, dass es in dem enormen wildwachsenden Reservoir von z.B. der Sorte Phyllostachys glauca riesige und kleine Varianten gibt. Ebenso wird es aufrecht wachsende und überhängende Pflanzen geben. Einige werden wiederum sehr winterhart sein, während andere kaum einem Frost überstehen würden. Wenn alle wilde Sorten diese verschiedenen Eigenschaften in sich haben und bis zu uns gelangen, dann müssen wir das heutige Bestimmungssystem über Bord werfen.
In der Praxis sind in der Vergangenheit auch in China eine Menge wild gefundene und hervorragende Sorten kultiviert worden, für den Verzehr oder auch als Baumaterial.
Nach einer Blühperiode sind die Sämlingen selektiert worden und diese bekamen wieder neue Namen. Und aus unserer Sicht häufig zu Unrecht eine neue Sortenbezeichnung.
Noch schwieriger machen es uns da die Hybriden. Eine Kreuzung von verschiedenen Sorten kommen in der freien Natur häufiger vor als man denkt. Eine Anzahl von Bambus wie z. B. Hibanobambusa transquillans und Semiarundinaria sind als solche schon entlarvt. Viele andere haben noch stets den Status einer eigenen Sorte, aber selbst „Sasaella“ wird durch den französischen Botaniker Demoly als eine Kreuzung angesehen. In der Wildnis können sich diese sterilen Hybriden oft durch eine neue Kombination von guten Eigenschaften zweier verschiedenen Sorten stark behaupten. Manchmal sogar besser als die Mutterpflanzen.
Diese können lange einen Platz einnehmen ohne durch Ableger einen echten Beitrag zu der evolutionsbedingten Weiterentwicklung beizutragen. Womöglich sind die verschiedenen Blühperioden zum Teil auch dafür bestimmt, um dem Entstehen von solchen „stillstehenden Sorten“ soviel als möglich zuvorzukommen. Für uns können diese Bambussorten in jedem Fall interessant sein.
Immer mehr eingeführter neuer Bambus muss jetzt doch endlich spezifiziert werden, sonst sind diese nicht mehr richtig einzusortieren. Um zu verhindern, dass wir letztendlich zu viele neue Sorten bekommen, muss endlich etwas passieren. Seminarundinaria sp. Korea geht schon so lange ich mich mit Bambus beschäftige, mit dieser Bezeichnung durchs Leben. Auch Arundinaria fangiana, oft auch als Tung Chuan 2 bezeichnet muss sich noch immer mit seiner improvisierten Sortenbezeichnung begnügen, derweil sind noch jede Menge neuer Sorten dazugekommen.
Fargesia sp.
Zwischen den vielen neuen Bambussorten, die uns hier erreichen, sind ab und zu welche, die sofort auffallen. Pflanzen, die direkt deine Aufmerksamkeit erlangen und doch nur langsam ihre Geheimnisse preisgeben. Ein Bambus gewann hierbei sofort.
Im Frühjahr 1997 kam mal wieder ein kaputte Schachtel bei meiner Gärtnerei an und enthielt eine Anzahl aus der Wildnis gesammelter Bambuspflanzen. Grosse Klumpen mit sehr dicken abgesägten Halmen nahmen einen großen Teil des Raumes in Beschlag. Einige der Halme hatten einen Durchmesser von mehr als 2 cm. Auf diesen Etiketten stand Fargesia scabrida. Mein Kollege Hans Prins und ich haben sofort die Sortenbeschreibung von Fargesia scabrida herausgesucht. Doch schon die Größe der Halme schien überhaupt nicht zu dieser Sorte zu passen. Oder dies müsste zufällig ein Riese unter den Fargesia scabrida gewesen sein. Nach Auskunft unseres Sammlers in China waren diese Pflanzen auf einer Höhe von 2700 Meter in Pingwu im Norden von Sichuan gefunden worden. Auf jeden Fall eine Gegend, von deren Pflanzen man eine ordentliche Winterhärte erwarten kann.
Von der Basis dieser Halme entwickelten sich im ersten Jahr langsam kleine Sprossen, an denen sich schmale und zierliche Blätter entwickelten. Es dauerte eine komplette Wachstumsperiode bevor diese Pflanzen richtig angewachsen waren und erst im darauffolgenden Frühjahr entwickelten sich schon sehr früh kräftige Sprossen. Eine Pflanze wurde nach draußen verpflanzt und im Spätsommer entwickelten sich zum zweiten Mal neue Sprossen, welche sich auch bereits etwas zu Halmen ausbildeten. Daraufhin fiel auch direkt der starke Farbunterschied der orangebraunen Halmscheiden zu den jungen violetten Halmen auf. Der Winter war mit –12 Grad Frost nicht wirklich kalt. Die Pflanze blieb davon total unbeeindruckt. Die darauf folgenden Winter waren bei mir nicht kälter und in Süddeutschland hat dieser Bambus auf einer Höhe von 600m ohne großen Schaden –18 Grad überstanden. Bei Max Riedelsheimer war der Winter 2000/2001 mit –21 Grad zu viel für eine noch junge Pflanze. Ich schätze, dass die Winterhärte mit dem kleinblättrigen Fargesia robusta zu vergleichen ist. Mit dem Fargesia robusta hat dieser Bambus das frühe Entstehen von neuen Sprossen gemeinsam. Und wenn wir uns doch dazu entscheiden sollten, die Bambusse in Gruppen einzuteilen, dann sollten diese sicherlich zusammen gehören. Ein wichtiger Unterschied zum Fargesia robusta ist das lange schmale Blatt und prächtige, zierliche Beblätterung. Nach ungefähr drei Jahren Wuchsdauer ist die Grenze von vier Metern Höhe fast erreicht. Und wenn wir von dicken Halmen mit einem erreichbaren Durchmesser von zwei Zentimetern ausgehen, dann wird das für einen Fargesia ein imposanter Riese mit vielleicht (irgendwann) einem eigenem Namen.
Fargesia sp. Jiuzhaigou.
In den letzten Jahren sind einige wichtige Einführungen neuer Varianten vom Fargesia nitida und verwandten Sorten in Europa gewesen. Die auffallendste und wahrscheinlich schönste Variante wurde 1986 durch den deutschen Apotheker Stephan Wagner auf einer Höhe von 3000m als Sämling aus dem Jiuzhaigou-park (Gartenpraxis 3/1999) in Nord-Sichuan mit nach Hause genommen. Durch die Chinesen wurde bereits gemeldet dass der Fargesia nitida in diesem Gebiet blüht, aber die mitgebrachte Pflanze passte überhaupt nicht in diese Sortenbeschreibung. Wenn wir davon ausgehen dass eine große natürliche Vielfalt innerhalb dieser Sorte besteht und dadurch den Rahmen etwas vergrößern, dann gehört dieser Bambus zu der Gruppe des Fargesia nitida. Inzwischen werden neben dem improvisierten Namen Fargesia sp. Jiuzhaigou 1 auch die Bezeichnung Fargesia nitida subspecies 'Jiuzhaigou' und Fargesia nitida aff. 'Jiuzhaigou' verwendet. Später schien es, dass Herr Wagner mehrere Sämling mitgebracht hatte, welche er nebeneinander zu einer Pflanze heranwachsen lies. Fargesia sp. Jiuzhaigou 1 ist der erste und meist verbreiteste Ableger, welcher aus einem vital wachsenden Teil von dieser gesammelten Pflanze vermehrt wurde. Ein wichtiger Unterschied zum Fargesia nitida ist, dass das Schutzblatt bereits innerhalb eines Jahres abfällt. Die so freigelegten tiefgrünen, kaum bemehlten Halme können in der Frühjahrssonne ihre Farbe nach Tiefrot und in der Sommersonne nach Orangegelb verändern. Das kleine zierliche Blatt scheint eher zum einem frostempfindlichen Himalaya Bambus zu gehören, aber es ist gut bis sehr gut winterhart. Oft lässt der wintergrüne Aspekt vom Blatt unter dem Einfluss von Sonne, Frost und Wind etwas nach. Die 2 bis 3 Meter hohen Halme sind im Vergleich zu den meisten Fargesias von aufrechtem Wuchs. Wenn der Boden nicht zu trocken ist verträgt dieser Bambus auch die Sonne. Auch die Blüte ist mit Sicherheit noch mindestens eine Zeitspanne eines Menschenlebens entfernt. Dieser Bambus beweist, dass das Spektrum an Möglichkeiten und Neuheiten innerhalb der Gruppe Fargesia nitida noch lange nicht ausgeschöpft ist. Aus dem gleichen Park wurde auch zur gleichen Zeit durch den Franzose M. Lafereere noch ein Sämling mitgenommen: Fargesia sp. Jiuzhaigou 2. Was wir bisher feststellen können ist, dass die Halme sich in der Sonne nicht tiefrot verfärben und etwas weiter auseinander stehen. Fargesia sp. Jiuzhaigou 3 bis 11 sind Sämlinge, welche Ende der 80er Jahre durch R. Willumeit aus dieser Region mitgenommen wurden. Diese lassen noch mehr die Vielfalt und Variationen innerhalb dieser Sorte sehen. Eine durch einen Schweizer mitgebrachte Pflanze Fargesia jiuzhaigou 'Genf' weist ein kräftiges Wachstum auf und besitzt auch eine ausgeprägte Rotverfärbung.
Fargesia 'Rufa' (Gansu 95 - 1)
Im Frühjahr 1995 bekam ich ein Fax des botanischen Garten von Shanghai ob Interesse an den folgenden Bambussen besteht. Ein Mitarbeiter hat im Süden der chinesischen Provinz Gansu zwei Bambusse gefunden und mitgenommen. Die Fundstelle lag auf einer Höhe von 1800 bis 2500 Meter (34° 20 nördlicher Breitengrad, 106° 00 östlicher Längengrad). Die durchschnittliche Jahrestemparatur war 8° C, die maximale Wintertemperatur - 16.8° C und die maximale Sommertemperatur 29.6° C.
Wir beschlossen diese Bambusse vorläufig Gansu 95 - 1 und Gansu - 2 zu nennen.
Die jungen Pflanzen des Gansu 95 - 1 fielen schnell durch ihr enormes Wachstum auf. Im ersten Winter wurde deutlich, dass das Blatt sich anders als bei Fargesia murieliae und Fargesia nitida, bei Trockenheit, Frost und Sonne nicht einrollte. Selbst von einem stellenweisen Blattabwurf kurz vor Winterbeginn, so wie dass bei vielen Fargesias üblich ist, war kaum die Rede. Dieser Bambus hatte keinerlei Probleme mit dem strengen Winter von 96/97 (-19°C) und das zierliche Blatt blieb intensiv grün.
Allein lange schwere Frostperioden mit trockenem kontinentalem Wind werden von diesem Bambus nicht ganz so gut vertragen wie von den blattaufrollenden Sorten.
Schon im April kommen die neuen Sprossen aus dem Boden, eigentlich zu früh für die Nachtfrost empfindlichen jungen Sprossen. Die Endhöhe liegt zwischen 2 bis 3 Meter. Die dicht beblätterten Zweige hängen zierlich durch. Neue Halme formen sich jedes Mal 5 bis 15 cm entfernt von der Mutterpflanze sodass die Halmoberfläche nach 5 Jahren Wachstum einen Durchschnitt von einundhalb Meter erreichen kann und die gesamte Pflanze dann schon mehr als drei Meter breit ist. Dieser Bambus nimmt im Vergleich mit Fargesia murieliae sicher 2 bis 3 mal so schnell Platz in Anspruch. Eigentlich sollte dieser neue Fargesia am besten als eine aufhellende und betonende Pflanze in Parkanlagen und in großen Gärten zu seinem Recht kommen. Auf solchen Plätzen kann das kräftig grüne Blatt eine wolkige Silhouette und einen dynamischen Kontrast mit zum Beispiel den statisch tiefgrünen Rhododendrons, den Kirschlorbeer oder den Eiben bilden.
Die Namensgebung
Die Chinesen, welche die Pflanzen zusendeten, gaben dem Bambus als möglichen Namen: Fargesia spathacea. Diese Bezeichnung wurde schon früher und auch da schon zu Unrecht für Fargesia murieliae und später für Fargesia nitida vergeben. Und er passt auch dieses Mal nicht.
Im Süden von Gansu wachsen nur ein paar Bambussorten. Yushania confusa wurde schon schnell ausgeschlossen und Fargesia dracocephala kannten wir bereits. Dann kam Fargesia rufa in Betracht. Der optische Vergleich mit zwei Fotos im wichtigsten chinesischen Bambusbuch „Ein Kompendium vom Chinesischen Bambus“ und auch der Fundort, sowie die Pflanzenhöhe wiesen stark in diese Richtung. Von da an ging dieser gut klingende Name durch eine schnelle Verbreitung dieses Bambus unter den Züchtern und Bambusliebhabern sein eigenes Leben. Inzwischen sind jedoch Zweifel über die Bezeichnung entstanden. Bei genauerer Betrachtung kombiniert dieser Bambus sowohl Eigenschaften von Fargesia dracocephala als auch von Fargesia rufa, beide im selben Gebiet heimisch. Die in der Wildnis wachsenden Bambusse lassen sich nun einmal nicht so schnell in das durch Menschen gemachte Raster von Sorten einordnen.
Meine Vorschlag ist diesen Bambus, welcher bereits unter dem Namen Rufa schon so bekannt ist, vorläufig Fargesia ‘Rufa‘ zu nennen.
Sollte in der Zukunft eine mehrheitliche Übereinstimmung über die Bezeichnung sein, dann kann der Sortennamen einfach dazwischengefügt werden.
Gansu 2 schien eine äußerst zierliche und dicht beblätterte Schattenform von Fargesia nitida zu sein, welche nicht viel höher als zwei Meter wird und im Moment überal in Blüte ist.
Phyllostachys parvifolia und andere Riesen
Wie wichtig sind die Einführungen von neuen Bambussorten in diesen Zeiten von Überfluss eigentlich? Bei den Fargesias kennen wir, was die Sortenvielfalt betrifft, wahrscheinlich nur die Spitze des Eisberges. Wenn wir uns die beeindruckende Anzahl erhältlicher Phyllostachys-Sorten und Varianten betrachten, sollte man denken, dass der Kreis für weitere Möglichkeiten innerhalb dieser Gruppe so gut wie geschlossen sein müsste. Viele neue Sorten fügen noch ein paar Variationen zu dem bereits bekannten Sortiment hinzu, sind aber nicht winterhärter als Phyllostachys aureosulcata, werden nicht höher oder dicker als Phyllostachys vivax und sind nicht bunter als die Formen von diesen beiden Sorten. Die meisten sehen wie die Sorten aus, die bereits bekannt waren. Aber doch sind einzelne Ausnahmen dazwischen. Sorten, die möglicherweise in der Zukunft für eine bessere Verbreitung und eine Verbesserung vom bestehenden Sortiment sorgen können.
Phyllostachys kwangsiensis
Phyllostachys kwangsiensis soll im warmen Taiwan einheimisch sein. Darum wird auch nicht viel an Winterhärte erwartet und deshalb hat man sich wenig um die Besorgung von Pflanzmaterial bemüht, um es auszutesten. Doch ist dieser Bambus wider Erwarten gut bis sehr gut winterhart. Es ist gut möglich, dass Ph. kwangsiensis irgendwann einmal aus einem kälteren Gebiet in China auf diese Insel eingeführt wurde. Noch beachtenswerter ist die große Ähnlichkeit mit Ph. pubescens. Durch die Behaarung der jungen Halme und auch durch die meisten anderen Kennzeichen sollte man denken, dass Ph. kwangsiensis einfach eine winterharte Form von dem in unserem Klima so schwach wachsenden Riesen ist. Dies würde bedeuten, dass es endlich ein "Pubescens" gibt der Gefallen an kühleren Sommern hat.
Dieser Bambus muss sich natürlich in vielen Punkten erst noch beweisen, aber die Möglichkeit als Alternative für den Riesen aus Prafrance beflügelt schon die Phantasie.
Verwirrung beim Phyllostachys vivax
Ein Bambus, welcher wahrscheinlicher seltsamer ist, als wir denken, ist die grüne Variante von Phyllostachys vivax. Vor ungefähr 10 bis 12 Jahren wurde diese Sorte in große Mengen aus China eingeführt. Das dachten jedenfalls die Züchter. Inzwischen ist deutlich geworden, dass hierbei unter dem Namen Ph. vivax schon viele neue Sorten angekommen waren, aber dass wenig oder gar kein Ph. vivax dabei war. Eine Sorte war bei diesen Importen stets anwesend und bekam von mir notgezwungen den improvisierten Namen Shanghai 2. Dieser Bambus schien in der Wuchskraft sehr auf einen Ph. Vivax hinzuweisen. Aber die Blätter waren kleiner und weniger hängend. Die frühen gelben Sprossen wiesen in die Richtung von Ph. dulcis. Ein genauer Vergleich mit Fotos von den Dulcis-Sprossen in „Ein Kompendium vom Chinesischen Bambus“ und anderen Mustern schafften die größten Zweifel beiseite. Der letzte strenge Winter wurde mit –19° Grad Frost sehr gut durchgestanden. Dies als Gegenüberstellung zum echten Ph. vivax. Es konnte nicht anders sein oder dies müsste Ph. dulcis sein, aber dann einen Echte. Der Ph. dulcis, welcher auch die Winterkälte von Bejing überleben kann. Die Pflanze, die als derartige in Europa von der USA kommend in Umlauf gebracht wurde, kann also nicht diese Sorte sein und muss demnach solange in die Reihe von vielen Phyllostachys sp. oder den Bambussen ohne Namen hinzugefügt werden. Auch die nahe und wahrscheinlich noch eindruckerweckendere Sorte ohne Namen: Shanghai 3, hierzulande als Ph. propinqua eingeführt, gehört zu den höchsten, dicksten gut winterharten Bambussen. Die tiefgrünen Halme haben kurze Halmsegmente an der Basis und die neuen Sprossen sind rosarot und gefleckt. Obwohl die Identifizierung auch Richtung Ph. dulcis geht, erscheint es mir besser den vorläufigen Namen Shanghai 3 beizubehalten.
Neue Variationen
Eine wichtige neue und stabile Variante von Phyllostachys vivax ist als Mutation des in die Verwirrung geratenen Ph. vivax 'Aureocaulis' entstanden. Ungefähr zur gleichen Zeit, in der Züchterei von Hans Prins und bei mir. Und wer weiß es so genau (noch unentdeckt), auch noch irgendwo anders. Genau wie beim Ph. aureosulcata 'Spectabilis' und Ph. bambusoides 'Castillonis' ist die abgeflachte Seite (Sulcus) grün und der Rest gelb. Eigentlich ist es die umgekehrte Form von Ph. vivax 'Huanwenzhu'. Daher stammt der viel zu lang und vorläufig bestehende Name Ph. vivax 'Huanwenzhu-inversa'. Weil diese Form aus dem bestehenden Ph. vivax 'Aureocaulis' hervorgegangen ist, können wir selbstverständlich von der gleichen Winterhärte ausgehen.
Phyllostachys parvifolia
Eine neuere Phyllostachys-Sorte beschäftigt mich bereits schon einige Jahre. Durch die Wuchskraft, das äußere Erscheinungsbild und die hohe Winterhärte: der Phyllostachys parvifolia. Es ist unvorstellbar, dass dieser Bambus erst jetzt (spärlich) erhältlich ist. Jahre zurück ist dieser Bambus bereits einmal aus China nach Europa eingeführt worden, aber er ist merkwürdigerweise niemals in den Kreis von Sammlern und Züchtern gelangt. Wohl hat aber früher ein kleinblättriger Ph. nuda lange Zeit zu Unrecht sich mit diesem Namen rühmen können.
Der Name Parvifolia deutet auf das kleine Blatt und hiermit stiehlt dieser Bambus die Show. Die feine Struktur der Blätter formt ein wolkiges Gesamtbild. Die neuen Sprossen sind einfach zu erkennen.
Als lange glatte Speere kommen diese Ende Juni / Anfang Juli aus dem Boden. Erst etwas im schrägen Winkel, aber wenn die Halm erst einmal etwas höher sind, stehen sie aufrecht und stabil. Die Halme haben, wie auch Ph. nuda, unterhalb der Knoten einen auffallenden weiß bemehlten Ringe. Mit einigem Abstand betrachtet, ähnelt diese Sorte etwas dem Ph. nigra 'Henonis', aber die Halme sind im Verhältnis zur Höhe schneller dick und das Blatt ist noch kleiner. Der letzte kalte Winter von 96/97 konnte dem jungen Halm, von meiner damals noch kleinen Pflanze, nichts anhaben. Die Blätter blieben unbeschreiblich grün. Und das im Kontrast mit dem Braun von den meisten umstehenden Bambussen. Ein junger Ph. parvifolia im Garten von Max Riedelsheimer aus Stockdorf bei München hatte im Winter von 1999/2000 kaum Blattschaden, weniger als zum Beispiel Ph. aureosulcata und Ph. bissetii. In einer kurzen und heftigen Frostperiode fielen die Minustemperaturen auf bis zu –20 Grad. Mittlerweile ist meine Pflanze nach 9 Jahren Wachstum rund 8 Meter hoch. Das Wachstum ist etwas weniger explosiv als zum Beispiel beim Ph. vivax, aber die Halmwand ist ein Stück dicker und dadurch stabiler.
Träumen
In England ist Ph. parvifolia schon länger der Ph. pubescens für den Norden genannt worden. Hier wird die visuelle Übereinstimmung vom feinen Blatt der beiden Sorten gemeint. Der kleinblättrige Ph. parvifolia kann möglicherweise etwas von der Magie des Ph. pubescens in unsere Regionen holen. Der Riesenbambus, welcher unsere Phantasie am meisten anregt.
Jos van der Palen
Überstzung: Jürgen Leis  |
 |
▲♣ FARGESIA denudata 'Xian 1' |
Dezember 1997 aus Xian (in einer Höhe von 2500m).
Gesammelt durch Mr. Ding Xingcui. |
▲♣ denudata 'Xian 2' |
Dezember 1997 aus Xian 2500 (in einer Höhe von 2500m).
Gesammelt durch Mr. Ding Xingcui. |
♣ demissa ‘Lanzhou’ (Tom) A-B-C-D-E-F-G-H |
April 2004 aus Gansu Lanzhou
Gesammelt durch das Forst Ministerium von Gansu.
Eingeführt in Holland im April 2004 und eine Woche später war dieser auch in Deutschland. |
♣ nitida 'Gansu 95/2' (Blüht !!!) |
April 1995 gesammelt durch den Botanischen Garten in Shanghai.
Kommt aus Gansu - in einer Höhe zwischen 1800m and 2500m.
Die geografischen Koordinaten lauten: Breitengrad = 34°20’ Nord und Längengrad = 106° Ost.
Die durchschnittl. Jahrestemperatur beträgt dort 8° C (46.4° F), die minimale Wintertemperatur liegt bei -16.8° C (1.8° F), und die max. Sommertemperatur bei 29.6° C (85.3° F) |
▲♣ Sp. 'Nanping 97'
(frühere Bezeichnung:
Fargesia nitida 'Nanping 97') |
Frühjahr 1997 aus Nanping (in 2800m Höhe)
Gesammelt durch Mr. Ding Xingcui. |
▲♣ robusta 'Pingwu' |
Frühjahr 1997 aus Pingwu ( in 2700m Höhe)
Gesammelt durch Mr. Ding Xingcui. |
▲♣ robusta 'Wenchuan' |
Dezember 1997 aus Wenchuan (in 1800m Höhe)
Gesammelt durch Mr. Ding Xingcui. |
♣ 'Rufa' |
April 1995 gesammelt durch den Botanischen Garten in Shanghai
Gefunden in Gansu, in einer Höhe zwischen 1800m und 2500m.
Die geografischen Koordinaten lauten: Breitengrad = 34°20’ Nord und Längengrad = 106° Ost.
Die durchschnittliche Jahrestemperatur beträgt dort 8° C (46.4° F), die minimale Wintertemperatur liegt bei -16.8° C (1.8° F), und die max. Sommertemperatur bei 29.6° C (85.3° F) |
▲♣ sp. scabrida |
Frühjahr 1997 aus Pingwu (in 2600m Höhe)
Gesammelt durch Mr. Ding Xingcui |
Sp. Tom |
aus dem Chin. Bambus Zentrum.
Eingeführt in Holland im April 2004 und eine Woche später war dieser auch in Deutschland. |
sp.YJ. (F. fractiflexa ? 2 clones)(Tom) |
aus dem Chin. Bambus Zentrum.
Eingeführt in Holland im April 2004 und eine Woche später war dieser auch in Deutschland. |
yunnanenis (Hsueh et Y) (Tom) |
aus dem Chin. Bambus Zentrum.
Eingeführt in Holland im April 2004 und eine Woche später war dieser auch in Deutschland. |
PHYLLOSTACHYS acuta ‘Hangzhou’ |
Frühjahr 1996 erhalten durch Mr. Ding Xingcui (Hangzhou) |
bambusoides 'Albovariegata' |
1993 ein Geschenk des Botanischen Garten in Hangzhou. |
fimbriligula |
Frühjahr 1996. (Hangzhou) |
lufoshanensis |
1994 vom Botanischen Garten in Shanghai |
▲lithophylla (Shanghai 1) |
1995 vom Botanischen Garten in Shanghai |
▲parvifolia |
April1996. (Hangzhou) |
▲praecox 'Notata' |
April 1996 (Hangzhou) |
'praecox ‘Viridisulcata' (form 2) |
April1996. (Hangzhou) |
prominens |
1995 vom Botanischen Garten in Shanghai |
▲propinqua 'Hangzhou' |
Frühjahr 1996. (Hangzhou) |
▲sp. Shanghai 3 |
1995 vom Botanischen Garten in Shanghai |
tianmuensis |
Frühjahr 1996. (Hangzhou) |
▲virella |
Frühjahr 1996. (Hangzhou) |
vivax 'Huanwenzhu inversa' |
Diese Mutation des Phyllostachys vivax “Aureocaulis” ist durch Jos van der Palen entdeckt worden. Auch Hans Prins hat in seinem Phyllostachys vivax “Aureocaulis” - Bestand diese Mutation gefunden. Alles was es an 'Huanwenzhu inversa' gibt, kommt von diesen zwei Mutationen. |
PLEIOBLASTUS altiligulatus |
1994 vom Botanischen Garten in Shanghai |
amarus 'Hangzhouensis' |
Frühjahr 2000 Hangzhou |
gozadakensis |
Frühjahr 2000 Hangzhou |
juxianensis |
Frühjahr 2000 Hangzhou |
maculatus |
Frühjahr 2000 Hangzhou |
yixingensis |
Frühjahr 2000 Hangzhou |
▲♣ YUSHANIA chungii ‘Wolong’ |
Frühjahr 1997 aus Wolong (in 2600m Höhe)
Gesammelt durch Mr. Ding Xingcui |
falcatiaurita (Tom) |
aus dem Chin. Bambus Zentrum.
Eingeführt in Holland im April 2004 und eine Woche später war dieser auch in Deutschland. |
polytricha (Tom) |
aus dem Chin. Bambus Zentrum.
Eingeführt in Holland im April 2004 und eine Woche später war dieser auch in Deutschland. |
♣ sp. ferax ( Import als Fargesia ferax) |
Frühjahr 1996 erhalten durch Mr. Ding Xingcui (Hangzhou) |
▲♣ Yunnan 95 1 Borinda albocerea |
1995 gesammelt durch den Botanischen Garten Shanghai. |
▲♣ Yunnan 95 2 Borinda albocerea |
1995 gesammelt durch den Botanischen Garten Shanghai. |
▲♣ Yunnan 95 3a |
1995 gesammelt durch den Botanischen Garten Shanghai. |
▲♣ Yunnan 95 3b Borinda (papyrifera/ albocerea) |
1995 gesammelt durch den Botanischen Garten Shanghai. |
▲♣ Yunnan 95 3c Farg. nujiangensis |
1995 gesammelt durch den Botanischen Garten Shanghai. |
▲♣ Yunnan 95 4 Borinda lushuiensis |
1995 gesammelt durch den Botanischen Garten Shanghai. |
▲♣ Yunnan 95 5 Yushania sp. |
1995 gesammelt durch den Botanischen Garten Shanghai. |
▲♣ Yunnan 95 6 Borinda (communis ?) |
1995 gesammelt durch den Botanischen Garten Shanghai. |
|
 |
Hohe Bambusse für hohe Hecken
In Gebieten mit milderen Wintern wie den Weinbaugebieten und dem Ruhrgebiet lassen sich einige gut winterharte Phyllostachys-Arten als hohe wintergrüne Hecken verwenden. In kalten Gebieten geht man mit der Anpflanzung dieser Arten immer ein Risiko ein, wie zuletzt der strenge Spätwinter in der ersten Märzwoche 2005 bewies. |
Man stelle sich vor: der Nachbar hat eine neue Garage mit einer gelben, 3,5 m hohen Wand gebaut und man möchte sich mit Bambus diesem Anblick entziehen. In dieser Situation kann man sich für einige nicht wuchernde, höhere Fargesia-Arten entscheiden. Doch wenn auf dem Dach derselben Garage auch noch eine riesige Terrasse entsteht, auf der sich die Familie des Nachbarn regelmäßig aufhält, bleiben Fargesien wirkungslos und es hilft nur noch die Anpflanzung weit höherer Bambusarten. Dafür eignet sich eine Reihe von Phyllostachys-Arten. Diese Bambusse können schnell 5 m oder höher werden und sind dicht beblättert. Eine solche Anpflanzung sorgt dafür, dass man im Sommer wie im Winter nichts mehr von der Garage und dem Nachbarn sieht. |
 |
Hecken aus hochwüchsigen Bambussen
Hohe Hecken lassen sich aus winterharten und schnellwachsenden aufrechten Arten von Phyllostachys entwickeln. Semiarundinaria fastuosa und Pseudosasa japonica sind etwas frostempfindlicher, können aber in milderen Gebieten wie beispielsweise dem Rheintal auch verwendet werden.
Abhängig von der Art sind Höhen von 5 bis 8 m erreichbar. Bambusse von diesem Format wuchern immer, und einige können lange unterirdische Ausläufer bilden. Dieser große Ausbreitungsdrang verlangt Vorbeugemaßnahmen! Bei wenig Platz ist der Gebrauch von Wurzelbegrenzungen (Rhizomsperren) anzuraten, wodurch das Platzangebot an diesem Standort durch die Barriere noch weiter reduziert wird. Eine minimale Breite von ungefähr 1 m ist einzuhalten, doch ist mehr Platz für die Entwicklung der Bambusse immer besser.
Ein jährlicher Schnitt, bei dem alle mehr als drei Jahre alten und die unschönen Halme entfernt werden, hält die Pflanze in Form und verjüngt die Hecke. Der Boden sollte stets humusreich sein oder gemacht werden. Für die Phyllostachys-Arten ist ein sonniger oder leicht beschatteter Standort am besten. Vertreter der Gattung Semiarundinaria vertragen auch Halbschatten, und Pseudosasa wächst auch noch im tiefen Schatten gut.
Rhizomsperren
Wurzelbegrenzungen dienen dazu, die Wurzeln im abgegrenzten Raum zu halten und zu verhindern, dass sich Rhizome an unerwünschten Stellen ausbreiten. Wirkungsvolle, von einigen Baumschulen angebotene Barrieren bestehen aus HDPE, einer zähen, beständigen Polyethylenfolie von 1 mm (manchmal 2 mm) Dicke, die für die Wurzelstöcke undurchdringlich ist. Die Breite kann 50 oder 55 cm betragen, was meist ausreicht. Eine Breite von 60 bis 85 cm bietet eine größere Sicherheit und empfiehlt sich bei einigen tiefer wurzelnden Bambussen wie Bashania, Semiarundinaria und einigen höheren Pleioblastus-Arten.
Vor dem Eingraben der Folie muss man die Form der abzugrenzenden Fläche bestimmen, in der sich der Bambus ausbreiten kann. Die Pflanze kann nur innerhalb dieses abgegrenzten Bereiches wurzeln, weshalb dieser für den Bambus auch langfristig nicht zu klein werden sollte. Die Mindestfläche für einen niedrigen Bambus beträgt 2 m2, für mittelhohe 2 bis 3 m2 und für hohe Bambusse 4 m2. Für die echten Riesenbambusse sind 5 bis 10 m2 das Minimum.
Die Form des Pflanzloches ist nicht wichtig, vorausgesetzt, es ist nicht zu schmal angelegt worden (für große Arten mindestens 1 m breit). Zu berücksichtigen ist, dass bei gleicher Oberfläche je mehr Folie gebraucht wird, je länglicher ein Pflanzloch ist.
Das Eingraben ist eine schwierige Arbeit, bei der es wichtig ist, dass sie gut ausgeführt wird, damit man keine unangenehmen Überraschungen erlebt. Um sicher zu sein, dass die Rhizome innerhalb der Folie bleiben, muss diese lückenlos um die Pflanze eingegraben werden. Dabei muss man die Enden umfalten (mit einem Hammer) und ineinander verhaken. Diese Verbindung kann man fixieren zum Beispiel mit Bolzen, Kopfnägeln oder einem Brettchen und Nägeln. Im Handel gibt es auch Systeme mit Metallstreifen. Der Rand der Folie muss 2 bis 3 cm aus dem Boden herausragen. Passen Sie auf, dass die Folie beim Eingraben nicht durch spitze Gerätschaften beschädigt wird! Wenn die Folie ein Stück über den Boden herausragt, ist auch leichter zu sehen, wenn Rhizome über den Rand wachsen (die meisten Bambusse wurzeln sehr flach).
Das ist wichtig: Kontrollieren Sie mindestens zweimal im Jahr, ob die Rhizome nicht über den Folienrand hinauswachsen! Falls dies passiert, schneiden Sie den Ausläufer ab und graben Sie den „entwischten" Teil aus. Nach drei Jahren Wachstum ist ein jährlicher selektiver Schnitt wichtig. Jedes Jahr im Herbst sollten ein Drittel bis die Hälfte der alten und schiefen Halme entfernt werden, um das Gleichgewicht zwischen dem ober- und unterirdischen Teil der Pflanze zu erhalten.
Durch lokale Besonderheiten oder falsche Pflanzung ist nicht völlig auszuschließen, dass ein Bambus trotz einer Rhizomsperre „entwischt".
Pflanzung und Pflege
Die Balance zwischen Ausdünnen und Wachsenlassen ist abhängig vom Zweck der Pflanzung und dem vorhandenen Platzangebot. Muss ein hässliches Gebäude kaschiert werden, dann können die „Wäldchen" nicht dicht und hoch genug sein. Will man dagegen die grafische Struktur der Halme sehen, muss der Bambus geschnitten werden. Dafür gilt es, einige Grundregeln zu beherrschen. Zunächst sollte man wissen, wie ein Bambus wächst. Ein Baum wird jedes Jahr an der Spitze höher und durch neue Jahrringe dicker. Bambus dagegen wird durch neue Halme größer, die jedes Jahr innerhalb einiger Monate auswachsen und höher und dicker sind als die Halme des vorangegangenen Jahres. Deshalb ist ein Verjüngungsschnitt unumgänglich.
Wenn der Bambus unserer Wahl an einem geräumigen, humusreichen Platz ausgepflanzt ist, kann man ihn einige Jahre ungestört wachsen lassen. Alle Halme tragen während dieser Zeit zu einem kräftigen und gut entwickelten Wurzelsystem bei. Nur schiefe und alte Halme werden stets von Zeit zu Zeit entfernt. Nach ein paar Jahren sollten die neuen Stängel je nach Art und Standort um die 4 bis 6 m Höhe erreicht haben. Dann ist es im späten Herbst oder zeitigen Frühjahr Zeit für größere Schnittmaßnahmen. Ein Teil der Halme, die drei Jahre oder älter sind, müssen am Grund abgeschnitten werden. Meistens sind sie dünner und hängen über. Der Schnitt wird das ganze Jahr hindurch gut vertragen. Bei ausgewachsenen Beständen können jeden Herbst 40 bis 70 % der Halme entfernt werden. Dazu wählt man stets die alten und unschönen Halme.
Ein zweiter Schnitt folgt im Frühjahr, wenn die neuen Schösslinge gut einen halben Meter hoch sind. In diesem Stadium kann man sehen, wo die neuen Halme stehen und wie dick sie sind. Die dünnsten Triebe können dann bis auf den Boden zurückgeschnitten werden. Dasselbe geschieht mit dem Zuwachs, der an nicht erwünschten Stellen aus dem Boden sprießt - entweder zu dicht bei anderen Halmen oder in zu großer Zahl am Rand. Dieses Schnittmuster muss jedes Jahr wiederholt werden. Je nach angestrebter Offenheit der Pflanzung kann man bis zu 40 % der jungen Triebe wegschneiden. Bei Arten mit dicken Halmen muss man meist weniger ausdünnen.
Viele Arten bilden im August, September und Oktober noch dünne und oft schiefe Halme. Im Allgemeinen trägt dieser Austrieb nicht mehr zu einer gleichgewichtigen Entwicklung der Pflanze bei und sollte besser entfernt werden.
Erziehen und Formen
Durch Schnittmaßnahmen kann man bestimmen, ob eine Anpflanzung bis zum Grund beblättert oder offen ist, wodurch die Halme sichtbar werden. Wählt man die letzte Option, dann müssen die untersten Seitenzweige von den Halmen weggeschnitten werden. Bei jungen Halmen, bei denen das Schutzblatt gerade abgefallen ist, sind die zarten Seitenzweige leicht mit der Hand abzubrechen. Wenn man zunächst einen leichten Knick nach unten macht und dann den Seitentrieb nach oben zieht, verhindert man, dass ein Teil des Halmes mit entfernt wird. Dieser Schnitt erzielt optisch den schönsten Effekt, wenn nicht mehr als ein Viertel des Halmes frei gemacht wird. Dadurch dringt das Licht in den Raum und ermöglicht Unterwuchs. Auch die Farben und das prächtige Linienspiel der Halme werden dadurch sichtbar.
Bambusse kann man auch zu einer architektonischen Hecke schneiden, doch muss man dem abweichenden Wuchsmuster Rechnung tragen. Über die gerade geschnittene Oberkante beispielsweise einer 3 m hohen Phyllostachys-bissetii-Hecke treiben im Laufe des Mai die neuen Triebe. Diese können in kurzer Zeit 1 m oder mehr aus der Hecke herausragen. Sobald sie ausgewachsen sind (meist nach zwei bis vier Wochen), können sie ebenfalls auf die Heckenhöhe von 3 m zurückgeschnitten werden, so dass die exakte Form wiederhergestellt ist. Im Spätsommer oder im Herbst muss noch einmal wegen der späten Triebe geschnitten werden.
Dies ist eine viel gestellte Frage: Ist es möglich, einen wuchernden hohen Bambus auf abgegrenzten 1 oder 2 m2 zu halten? Nicht, wenn man die maximale Höhe erwartet, wohl aber mit den oben beschriebenen Pflegemaßnahmen und dem Einsatz von Rhizomsperren. Die ersten Jahre wird sich ein wuchernder Bambus noch mit einem derart begrenzten Platz zufrieden geben, doch ohne Schnitt gibt es auf Dauer Probleme. Auf einer kleinen Fläche können letztendlich nicht hundert Halme stehen. Zu viele Halme können das Wurzelsystem zu Versuchen verleiten, außerhalb der Barriere auf die Suche nach Nährstoffen und Wasser zu gehen. Dann reicht selbst eine Wurzelsperre von 85 cm Tiefe nicht mehr aus. Genau wie in einem Kübel muss das Grün, das über dem Boden wächst, im Gleichgewicht mit den Wurzeln sein.
Pseudosasa japonica und Semiarundinaria fastuosa wachsen von Natur aus viel kompakter als Phyllostachys. Dadurch, dass man alle zwei oder drei Jahre die Hälfte der Halme (die älteren und unschönen Exemplare) entfernt, werden diese Arten verjüngt und der Wuchscharakter bleibt erhalten.
Die Blüte
Die großblättrige Pseudosasa japonica hat in den 80er-Jahren intensiv geblüht. Im Gegensatz zu den horstigen Fargesien können wuchernde Bambusarten die Blüte überleben, da in den langen Ausläufern des Wurzelsystems reichlich Nahrungsreserven gespeichert werden. Dadurch wurde seinerzeit bei Pseudosasa japonica durch Rückschnitt der Blütenstände der Wuchs von neuen Halmen angeregt, wodurch die Blüte letztendlich verschwand. Dieser Bambus hat sich vollständig wieder erholt. Denselben Vorgang hatten wir bei Phyllostachys flexuosa, die in den 90er-Jahren durch eine totale Blüte zeitweise bis zum Bodengrund abstarb. Bei Phyllostachys aureosulcata und den Sorten Aureocaulis' und 'Spectabilis' wurden hier und da auch blühende Zweige entdeckt. Diese Art der Blüte wird auch sporadische Blüte genannt und muss kein Anzeichen für eine totale Blüte einer Art sein. Beim sporadischen Blühen verliert Phyllostachys kaum an Wuchskraft. Nach einer totalen Blüte muss eine Pflanze in jedem Fall wieder neu aufgebaut werden.
Obgleich wir wissen, dass Phyllostachys-Arten einen Blühzyklus zwischen 40 und 80 Jahren haben, gibt es (außer bei Pseudosasa japonica und der für eine Hecke ungeeigneten Art Phyllostachys flexuosa) bei den hier beschriebenen Arten nicht viel über eine kommende Blüte zu berichten. Es gibt vielmehr Hypothesen, wonach Phyllostachys aureosulcata nie zu einer totalen Blüte übergehen wird. Es könnte sein, dass diese Art die chinesische Selektion eines Typs ohne totale Blüte ist und so Jahrhunderte mit einer sporadischen Blüte hier und da überlebte. Aber vielleicht ist dies nur Wunschdenken und die Art beginnt schon morgen zu blühen. Auf Java sind einige Bambusselektionen zu finden, die ihre Besitzer mit einer plötzlichen Blüte nicht mehr überraschen - bei Phyllostachys kann hinsichtlich der Blüte nichts garantiert werden.
Eigenschaften
Die Vermehrungsmethoden können die Eigenschaften einiger Phyllostachys-Arten beeinflussen. Laborvermehrte Phyllostachys präsentieren sich manchmal in einer Art Jugendstadium mit großen Blättern und dünnen Halmen. Meistens wachsen sie anschließend zu erwachsenen Bambussen aus, aber in einigen Fällen bleiben die Pflanzen in diesem erzwungenen Jugendstadium stecken und bilden immer nur dünne Halme. Eine Phyllostachys aureosulcata ’Aureocaulis' mit dieser Eigenschaft ist dann nach vielen Jahren noch nicht höher als 2 oder 3 m. Diese „Spagettipflanzen" sind in Gärtnerkreisen berüchtigt, da sie nie an die Erwartungen der Arten heranreichen können. Aber auch bei handvermehrten Nachkommen werden nicht immer alle Eigenschaften der Mutterpflanze weitergegeben. Aus Halmvermehrungen (Halmteile ausschließlich mit Haarwurzeln) können manchmal Pflanzen entstehen, die - anders als die Mutterpflanzen - jahrelang nicht wuchern und weniger groß werden. Es scheint daher so, als ob eine gesunde Phyllostachys aus unterschiedlichen Geweben mit verschiedenen Wuchsfunktionen besteht, die sich manchmal je nach verwendetem Teil bei neu vermehrten Pflanzen gesondert manifestieren. (Vergleichbar mit Hedera helix, wobei der kletternde Teil als Kletterpflanze und der blühende Teil als Baumform unter Beibehaltung der Eigenschaften zu vermehren sind.) Ein wichtiger Faktor, um einen guten Bambus mit den richtigen Eigenschaften zu erhalten, ist und bleibt eine gute Baumschule mit guter Beratung.
|
Die Arten
Die Wuchshöhe der hier beschriebenen höheren Arten liegt zwischen 4 und 8 m.
Phyllostachys aureosulcata gehört zu den besten und winterhärtesten Arten für eine Hecke. Die aufrechten olivgrünen Halme haben einen gelben Streifen auf der flachen Seite. Einige Stängel haben eine auffallende Krümmung an der Basis. Die Halme stehen ziemlich weit auseinander, so dass der Wuchscharakter offen ist. Diese Art kann 5 bis 8 m hoch werden.
Phyllostachys aureosulcata ’Aureocaulis' ist die gänzlich gelbe Variante mit denselben Eigenschaften. Die ockergelben Halme bilden einen leuchtenden Farbkontrast zu dem tiefgrünen Laub. Phyllostachys aureosulcata 'Spectabilis' hat häufig gelbe Halme, aber abwechselnd einen grünen Streifen auf der flachen Halmseite. |
 |
Phyllostachys bissetii hat tiefgrüne, nach Gelbgrün verfärbende Halme und üppiges dunkelgrünes Laub. Dieser wichtige Bambus hat den Ruf, die am meisten winterharte Phyllostachys zu sein und ist deshalb eine viel bessere Wahl als die häufig verwendete Phyllostachys aurea. Die Halme werden zwischen 6 und 7 m hoch. Dadurch, dass sie dicht beieinander stehen, ist diese Art als Hecke für offene Plätze und kältere Gebiete geeignet.
Phyllostachys humilis ist eine aufrechte Art mit schmalen glänzenden Blättern und dünneren grünen Halmen. Dieser Bambus wird meist nicht höher als 5 m und ist gut bis sehr gut winterhart. Phyllostachys humilis kann man auf Standorten verwenden, auf denen die anderen Phyllostachys-Arten zu hoch werden und Fargesia-Arten zu niedrig bleiben.
Phyllostachys atrovaginata und Phyllostachys parvifolia verbinden Höhe mit guter Winterhärte und können 6 bis 9 m hoch werden. Beide sind schwierig zu vermehren und deshalb noch schwer erhältlich. Optisch ähneln sie sich mit ihren dicken Halmen und kleinen Blättern. Phyllostachys atrovaginata wächst würdevoll aufrecht und Phyllostachys parvifolia, die von der Deutschen Bambusgesellschaft zum „Bambus des Jahres 2006" gewählt wurde, etwas lockerer und weniger gerade.
Pseudosasa japonica
| |